Hoofdstuk 10, Hoe God gewogen en te licht bevonden wordt

In het vorige hoofdstuk heb ik alles gezegd wat ik over Ouweneels boek, het gehele christelijke geloof, nee, over het gehele mensenleven zou kunnen zeggen. Wat ik daarin geschreven heb is door mij niet te overtreffen. Ik zou al het andere wat ik ooit heb geschreven zo de prullenbak in kunnen gooien als onbelangrijk, onbenullig, overbodig. En ik zou er ook niets meer achteraan hoeven schrijven in de rest van mijn leven.
Op dezelfde manier heb ik soms gesproken over ÚÚn stukje muziek dat ik componeerde, waarmee alles gezegd is en waarna er niets meer gecomponeerd hoeft te worden. Ik zou willen dat van alles wat ik ooit geschreven heb enkel het vorige hoofdstuk zou overblijven, en van alles wat ik ooit gecomponeerd heb in mijn leven enkel twee miniatuurmuziekstukjes zouden overblijven, voor anderen om uit te kiezen wat de beste is, waarna ook die andere nog weggegooid kan worden. Zo iemand als Wittgenstein die om slechts ÚÚn zin blijft leven is nˇg subliemer. Hoezeer ik ook van miniaturen houd die alles zeggen wat er te zeggen valt, zˇ geniaal lukt het me niet. Maar ik stel me ermee tevreden een illustratie te hebben kunnen geven hoezeer men kan verdwalen indien men Wittgensteins raad in de wind slaat en tˇch gaat spreken over waar men over zwijgen moet.
Ouweneel schijnt wel 126 boeken geschreven te hebben. In dit honderdachttiende boek loop ik telkens maar naar iets te zoeken dat ik als diamant zou kunnen oppakken en meenemen. EÚn geniale zin zou genoeg zijn om me tevreden te stellen, maar tot nu toe kom ik het niet tegen...Hoe bevreemdt mij dat, in een boek dat Ouweneel zelf verhoogt tot het boek dat via een Godsroeping tot stand is gekomen. Hoe klein kan je god zijn, hoe pieterpeuterig je heilige geest?


De zin van het leven is wat mij betreft diamanten te slijpen. En je moet die niet teveel denken te kunnen maken, net zoals al dat gepraat over de Heilige Geest meestens zotheid is. EÚn keer een diamant of ÚÚn keer een vleugje heilige geest in je leven moet al ruim voldoende zijn in je leven. Het gebeurt misschien op ÚÚn moment in je leven. Maar alle 100 jaar die je misschien leeft, zelfs al die jaren die alle mensen ervoor hebben geleefd, het hele universum dat ernaartoe gewerkt heeft om dat moment voort te brengen heeft zijn zin en vervulling in dit ene moment...

Het valt dus niet mee hierna met het boek van Ouweneel verder te gaan, terug te gaan naar een stortvloed van holle klanken, lege woorden, verplaatsing van lucht. Wanneer je eenmaal gevlogen hebt en zo oneindig veel meer gezien hebt, hoe zou je kunnen teruggaan naar een boswachter, hoe zou je nog in gesprek kunnen wezen met een spin die maar acht centimeter kan kijken en maar dag en nacht Boswachter, Boswachter, Boswachter uitroept om zich te kunnen beschouwen als wijs?

Zie de boswachtergod daar zitten op z'n bed in een muffe slaapkamer. Het is een onooglijk mannetje met een baard die verraadt dat hij geen spiegel in huis heeft. Een mannetje dat net rondkomt van z'n maandelijkse salaris, in zijn zorg voor zijn bos niet veel verder komt dan spinnen voorschrijven een schopje mee te nemen wanneer ze hun behoefte doen ("Gij zult buiten de spinnenweb-omgeving een plek hebben om u daarheen naar buiten te begeven; gij zult bij uw uitrusting een schopje hebben en, wanneer gij buiten gaat zitten, daarmee een gat graven en uw uitwerpselen weer bedekken. Want de Boswachter, uw God, wandelt in uw midden", Deut. 23), terwijl hij zelf z'n lakens zelden of nooit verschoont. Hij heeft een boekje op z'n boekenplank staan wat hij ooit wel eens doorgelezen heeft: "Spinnen voor dummies (kleurenuitgave! speciale aktieprijs!!)". De frustratie van zijn eigen machteloosheid in het leven mondt uit in een gebod voor spinnen: "Gij zult u niet buigen voor iets of iemand anders dan de Boswachter!" Hij geeft zijn spinnenvolkje een gebod "hebt uw naasten lief", maar slaat alle muggen dood die er maar om hem heen zoemen, en loopt met een geweer op z'n schouder waarmee hij af een toe een konijntje schiet om in z'n braadpan te doen...
Boven hem staat als een God een machtige instantie Staatsbosbeheer, waarin hij maar een radertje is. Niemand op het hoofdkantoor heeft ooit over hem gehoord. Op ÚÚn A-4tje in een bruine envelop van goedkoop recycled papier wordt hem de volgende week meegedeeld dat ze hem niet meer nodig hebben. Op zijn spinnenbos wordt een hoogbouwwijk gebouwd.
En die machtige instantie Staatsbosbeheer is slechts een ademtocht in een reusachtig ecologisch organisme dat er boven staat, of in een reusachtig complex van wereldeconomie waar het deel van uitmaakt en waar deze machtige instantie slechts als gepiep van een muis mee mag doen.
En die machtige allesomvattende systemen bestaan enkel bij de gratie van een allesbepalende en allesbeschikkende Zon waaromheen alles in gehoorzaamheid draait.
En die zon is slechts weer een speldenknop in een onbegrijpelijk geheel van een immens sterrenstelsel waar de zon als een nietig stofdeeltje in rondzweeft.
En wanneer dat bijna onmetelijke sterrenstelsel met een goddelijke stofzuiger als overbodig straatvuil op een vloerkleed opgeruimd zou worden zou niemand het opmerken laat staan missen in het geheel van miljoenen sterrenstelsels, wie weet zelfs multi-universums...
En nu wil Ouweneel ons wijsmaken dat een boswachter onze prioriteit moet hebben omdat hij mooie ogen heeft?


De christelijke mens in de moderne tijd is zo'n vreemd anachronisme dat een ware athe´st er inderdaad niet mee in gesprek kan zijn en het volledig links laat liggen, op dezelfde manier als dat niemand uit onze tijd een boek zou gaan schrijven "Waarom ik niet in Apollo en Zeus geloof", of een boeklang gaat uitleggen "Waarom typen met ÚÚn vinger niet ideaal is".


Dit hoofdstuk begint Ouweneel met triomfantelijk uit te roepen dat de wereld bevolkt wordt door schijnathe´sten, mensen die niets anders doen dan boos zijn op God en antithe´sten zijn, oftewel er in werkelijkheid bewijs van zijn dat er wÚl een God is. Want je tegen God keren laat juist zien dat God bestaat! Wat kan een mens al niet verzinnen om als argument te dienen voor zijn waan! Hoe bont kan iemand het maken? Wel, nˇg bonter! Ouweneel besluit zijn hoofdstuk door erop te wijzen dat in athe´sme vaak haat tegen God schuilt:


De mens die op zijn eigen immoraliteit stuit, ervaart die soms zelfs als regelrechte haat jegens God. Deze haat kan zich maskeren als athe´sme, want het is gemakkelijker jezelf voor te houden dat God niet bestaat dan je haat jegens God toe te geven. Maar evengoed is die haat er. Voor de echte athe´st is het Godsgeloof irrelevant en dus wijdt hij zijn denken aan belangrijker zaken. Maar de athe´st die er een soort levensroeping van maakt het the´sme te bestrijden en het athe´sme te propageren, maakt op mij de indruk dat hij God eerder haat dan ontkent. In ieder geval zou ik dat heel goed kunnen begrijpen, want achter alle immoraliteit (niet per se immoraliteit in het handelen, maar wel in het hart) zit ten diepste haat jegens de morele Wet, en daarmee jegens de morele Wetgever.


Ouweneel had de athe´st die er "een soort levensroeping van maakt het the´sme te bestrijden" niet slechter kunnen begrijpen. Als expert op het gebied van het woord 'existentieel' zou Ouweneel allereerst toch moeten begrijpen dat de ÚÚn procent Benno's van deze wereld wel in een wereld moet leven die bevolkt wordt door maan- en kruisspinnen die maar acht centimeter kunnen denken. Hoe kan zoiets irrelevant zijn? Een antithe´st is niet iemand die tegen God strijdt, maar iemand die bezig is met een missie tot bewustzijnsvergroting, op dezelfde manier als ooit eens mensen opstonden wiens bewustzijnsvergroting afgodsbeeldjes en amuletten aan de kaak stelden. Met zekerheid zou Ouweneel het felle verzet van toen tegen die afgodsbeeldjes niet als een bewijs beschouwen voor de waarheid van afgodsbeeldjes!

Ouweneel heeft duidelijk nooit de diepere persoonlijkheid van de grootste hater van het christendom, Nietzsche, begrepen. Hij is nooit doorgedrongen tot de allerdiepste gedachten die Nietzsche in zijn boek Aldus sprak Zarathoestra omfloerst de intelligentste mensen aanreikte: Nietzsche liet zich door de Paus (=de allerlaatste, dus allervroomste gelovige) zˇ omschrijven: "de vroomste van allen die niet in God geloven". En hij liet zich door God zelf zˇ omschrijven: "Hem vloog Ik het langst achterna, en ook al hield Ik me voor hem verborgen, toch was Ik zijn beste Schaduw. Overal waar hij heeft gezeten, daar was Ik eveneens. Met hem heb Ik rondgewaard in de verste, koudste werelden. Met hem heb Ik verbroken al wat Mijn hart ooit vereerde, alle grensstenen en beelden wierp Ik met hem omver." Nietzsche deed een geweldige ontdekking in zijn leven: hij ontmaskerde het christelijk geloof als een instinctieve haat tegen de realiteit, en een instinctieve dodelijke haat tegen alles wat stevig staat, duurzaam is en het leven zicht geeft op een toekomst. Deze kritiek uitgesproken in De Antichrist is de allerzwaarste aanklacht die men tegen het christendom maar kan inbrengen. Maar de bron voor deze aanklacht is niet haat tegen het christendom, maar juist de liefde voor het leven, de diepe wens van het leven iets beters te maken. In Nietzsches optiek staat het christelijk geloof gelijk aan nihilisme; zijn felle taal is de verontwaardiging dat het christelijk geloof het leven tot op het bot verkracht en degradeert.


Ouweneel schrijft een preek voor de evangelicalen. Op voorbeeldige vrome wijze wakkert hij hun vooroordelen over athe´sten aan: athe´sten zijn Godhaters omdat ze in hun hart immoreel zijn. Zo'n karakterisering is schandelijk en zielig oppervlakkig. De waarheid is letterlijk het omgekeerde, en ik hoop dat een gelovige voor ÚÚn keer eens aandachtig naar een athe´st wil luisteren. Misschien moet een athe´st een ex-christen zijn om het in taal te kunnen zeggen die iedere gelovige kan verstaan: Ik ben antithe´st en athe´st omdat ieder the´sme voor iemand wiens bewustzijn is vergroot gelijk staat aan godslastering. Gelovige christen, leer die zin uit je hoofd: Ik ben antithe´st en athe´st omdat ieder the´sme gelijk staat aan godslastering. Iemand als Ouweneel die God kan neerzetten als een boswachter met geweer om zijn schouder en veer op zijn hoed, heeft van religie weinig of niets begrepen. Slechts me uit te roepen tot athe´st kan dove mensen duidelijk maken waar het om gaat: ieder godsbeeld is godslastering. In onze tijd is de God van heilige boeken de grootste godslastering, daarom ben ik ook antithe´st. Dßßrom zet Nietzsche zichzelf met deze woorden neer, woorden die ik naspreek in mijn leven met mijn naam: "Ik ben Rereformed, de goddeloze, die spreekt: wie is er goddelozer dan mij, dat ik me in zijn onderricht verheugen kan...Ook in vroomheid is goede smaak: die sprak tenslotte: 'Weg met zulk een god! Liever geen god, liever op eigen houtje het lot bestemmen, liever nar zijn, liever zelf god zijn, dan met zulk een god verder te gaan!" Let op hoe Nietzsche de moed niet heeft opgegeven, maar tenminste ÚÚn gelovige tot een goed verstaander maakt. Hij laat zijn christelijke gesprekspartner na deze woorden erkennen: "EÚn of andere God heeft je tot jouw goddeloosheid bekeerd. Is het niet je vroomheid zelf die jou niet meer aan een god doet geloven? En je overgrote oprechtheid zal jou zelfs nog voeren naar gene zijde van goed en kwaad!" Deze laatste zin zal alle christenen die nooit verder komen dan Ouweneels beschrijving van afwisselend dan weer athe´sten als haters van God neerzetten, dan weer als oppervlakkige mensen die niet dieper willen denken, dan weer als arrogante mensen die hun hoofd niet willen buigen, voor eeuwig een raadsel zijn. Slechts wanneer je de athe´st kan zien als iemand met overgrote oprechtheid is het mogelijk ooit eens wat erachterna gezegd wordt te kunnen begrijpen: er is geen godgegeven wereldwet van goed en kwaad.


Hoe in vredesnaam is het mogelijk dat christenen altijd maar weer denken te kunnen komen met "het Godsbewijs van de moraal"? Ze hebben slechts twee slogans ervoor, altijd uit dezelfde boekjes gevist: ÚÚn van meneer Kant, een 18e eeuwer die eens heeft uitgesproken dat de mens de wereld beschouwt alsof er een moreel imperatief is, dus alsof alles zijn grond heeft in God, en meneer Dostojewsky die ooit eens in een roman (!) geschreven heeft dat als er geen God is alles geoorloofd is. De mens kiest altijd voor een moraal, dus er moet wel iets van morele wet bestaan, en voilß, we hoeven het woordje slechts met een hoofdletter te schrijven om in te zien dat er wel een God moet zijn, omdat een morele Wet zonder God onmogelijk is, Ún omdat een morele Wet zonder God helemaal geen zin heeft! Hier nog zo'n wijsheid waar Ouweneel mee schermt:


Daar komt nog bij: als de morele Wet puur op de menselijke redenering terugging, zou niet te begrijpen zijn dat juist mensen, ook psychisch normale en zeer verstandige mensen, vaak zo verschrikkelijk immoreel kunnen zijn. Juist de immoraliteit van de mens onderstreept dat de morele Wet niet uit de mens zelf (uit zijn ratio) afkomstig kan zijn, maar 'van boven' (aldus Alvin Plantinga).


Waarom komt Plantinga wel op het idee om een Godsbewijs te halen uit immoraliteit van mensen, maar niet op het omgekeerde, dat de immoraliteit van het bestaan onderstreept dat er helemaal geen morele God en morele wereldwet bestaat?


Ik vind de christelijke redenaties zo primitief en getuigen van zo kinderachtig denken dat ik zin heb om me in dit hoofdstuk als een rasechte athe´st neer te zetten die zich niet verwaardigt met Godgelovers verder in gesprek te gaan. Veel plezier met jullie goddelijke Wet. Alsof wet Řberhaupt iets met moraal te maken heeft! Wat heeft iemand van ethiek begrepen als hij aan straf en beloning denkt, aan gij zult en gij zult niet? En toch is het christendom nooit verder gekomen dan dit achterlijke spinnenzicht op het leven.
O ja, men is nog iets verder gekomen: Ouweneel kan inmiddels de athe´sten indelen in soorten. Je hebt de irrelationele athe´st (athe´sten die blijkbaar zo dom zijn dat ze nooit door hebben dat het om een relatie gaat, niet om het bestaan van God op zich), de teleurgestelde athe´st (athe´sten die in hun jeugd een rooms-katholieke directrice hadden die zei dat God hen met de dood zou straffen als ze geen vergeving zouden vragen, of last hadden van een dominee die dikke sigaren rookte), de joodse athe´st (een oneindig lange lijst van bijzonder invloedrijke mensen uit de geschiedenis die allemaal nooit door hebben dat hun worstelingen om van God af te komen in werkelijkheid de hoogste graad van Godserkenning is), en zelfs de misdadige athe´st (athe´sten die gruwelijke en afschuwelijke misdaden bedrijven en enkel uitkramen dat er geen God is om er maar een excuus voor te hebben). Tenslotte kan Ouweneel ze allemaal onder de noemer van de immorele mens brengen, hetgeen te bewijzen was, want dßßr gaat het tenslotte om in het christendom, anders zou hij zijn komend hoofdstuk over Jezus niet kunnen schrijven.


Ik constateer dat Ouweneel in het hele hoofdstuk de naam Nietzsche niet laat vallen. Hoe kan hij een boek schrijven "Waarom ik geen athe´st ben" en het over een Godsbewijs van de moraal hebben, terwijl hij de beroemdste athe´st die zijn gehele leven gewijd heeft aan bespiegelingen over de moraal ongelezen en onbesproken laat? Het is alsof iemand een pianoconcert gaat geven met de aankondiging op een plakkaat "Waarom ik geen Beethoven en Chopin speel" en dan "Boer d'r ligt een kip in't water" opvoert en erbij uitlegt dat Beethoven en Chopin slechts schijnpianisten of getraumatiseerde pianisten zijn. Hun worstelingen om "Boer d'r ligt een kip in't water" zogenaamd te overstijgen laat allemaal zien dat dÝe compositie toch wel de eerlijkste en beste is...Ja,ja.
Wie het vatten kan, vat meestal ook nog een helehoop meer. Bijvoorbeeld dit:


Ouweneel merkt op een zijspoor ergens ook dit nog even op:


Sedert de zondvloed heeft God de heidenen op hun eigen wegen laten gaan (Hand. 14:16).


Welnu, hiermee is de moraal van zijn God meteen voldoende gewogen en te licht bevonden. Een boswachter die zo weinig om zijn bos geeft kan ontslagen worden.