Hoofdstuk 11, Het ultieme verraad aan eerlijk denken

Boven dit hoofdstuk genaamd "Het probleem van het lijden" geeft Ouweneel een kernspreuk van Freud om het probleem voor de christenen ermee te schetsen:


De duivel zou de beste uitvlucht zijn als een verontschuldiging voor God...Maar zelfs dan kan men God verantwoordelijk houden voor het bestaan van de duivel, evenals voor het bestaan van het kwade dat de duivel belichaamt.


Freud is niet de enige die zo'n uitspraak heeft gedaan. Het is een gedachtegang die op tientallen manieren mooi verwoord is, een redenatie die miljoenen naar voren hebben gebracht. Er is geen speld tussen te krijgen, dit is een definitief argument tegen the´sme dat God als algoed en alwijs wil neerzetten (zoals het christendom).
Het probleem van het lijden via reductio ad absurdum (bewijs via contradictie) is al driehonderd jaar vˇˇr Christus geformuleerd door Epicurus. Vreemd dat Ouweneel dit niet vermeldt, maar Pierre Bayle (1647-1706) naar voren haalt alsof hij het 'athe´stisch tegenbewijs' voor het eerst geformuleerd heeft. Bayle lepelt hier echter eenvoudig op wat al 2000 jaar lang bekend stond als de paradox of "het dilemma van Epicurus". Dat het dilemma al zo oud is laat goed zien hoe diep dit argument snijdt, en dat er in alle eeuwen nooit een degelijk tegenargument op gevonden is. Epicurus schreef het volgende:


Ofwel God wil het kwaad elimineren, maar kan het niet, of hij kan het wel maar wil het niet, of hij kan noch wil het, of hij zowel kan als wil het.

Indien hij het wil, maar het niet kan, is hij zwak - en dan kan Hij geen God genoemd worden.
Indien hij het kan, maar het niet wil, is hij kwaadaardig, hetgeen ook niet overeenkomstig een goddelijke natuur is.
Indien hij noch wil noch kan, is hij zowel zwak als kwaadaardig, en geen god.
Indien hij wel wil en kan, hetgeen de enige optie is om hem God te kunnen noemen, hoe is het dan mogelijk dat het kwaad bestaat? En waarom elimineert Hij het niet?


Dit nu is het allergrootste probleem voor alle Godsgelovers. Ze kunnen het uiteraard niet oplossen. De enige correcte conclusie uit dit dilemma is dat het denkbeeld van een perfecte, algoede en alwijze persoonlijke God vals is. En het enige wat christenen hier kunnen doen -en ze hebben het zeer vlijtig gedaan, ze noemen het 'het probleem van de theodicee'(=het vrijspreken van God)-, is met hun redeneringen een nepoplossing aan te bieden. En het enige wat intelligente christenen kunnen doen is hun intellect aanwenden om op spitsvondige manieren voor een nepoplossing te zorgen. In dit hoofdstuk komt dus in de eerste plaats de intellectuele oneerlijkheid van gelovigen naar voren. We zullen zien op welke manier Ouweneel dit doet:


Het dilemma is niet erg aannemelijk; het is gebaseerd op een te sterke vereenvoudiging.


Let op: de zaak is te sterk vereenvoudigd! Een argument dat volkomen waterdicht is moet je aanvallen door het ervan te beschuldigen dat het te simpel is! Imponeren! Het omgekeerde wordt ook vaak gedaan: indien iets heel ingewikkeld is kun je het met een air van expertise ervan beschuldigen dat er teveel noten in de partituur staan, zoals de keizer tegen Mozart zei in de film Amadeus. Mozart antwoordde met een kwinkslag: "Kunt u misschien zeggen welke noot u speciaal op het oog heeft, sire?" Analoog vragen we Ouweneel maar uit de doeken te doen welke zaken over het hoofd zijn gezien in de "te simpele redenering". Nu zou je denken dat er bladzijden lang over zo'n groot dilemma volgt, maar nee, Ouweneel lost het even op in een paar regels:


Ten eerste is het denkbaar dat God wel degelijk bezig is het kwaad teniet te doen, maar dan wel op zijn (geleidelijke) manier. Elke keer dat Jezus een zieke genas, een bezetene bevrijdde of een dode opwekte, gaf Hij een voorteken voor het volle heil dat eenmaal zal aanbreken. Ook in de bijna 2000 jaar sinds zijn leven op aarde hebben zijn volgelingen honderdduizenden van zulke voortekenen van het volle heil meegemaakt, tot op de dag van vandaag.


Dit argument komt niet erg sterk over. We leven dus in een wereld waar ontelbare honderden miljoenen mensen geleefd en geleden hebben, en God stuurt na duizenden jaren eindelijk een Jezus, die in drie jaren tijd enkele tientallen of een paar honderd mensen van een kwaal afbrengt. Geweldig hoor! We zijn diep onder de indruk! (Met de kanttekening: wat is dat 'volle heil' in het geval van dodenopwekkingen? De slachtoffers -zo moeten we ze wel noemen- moesten immers daarna nˇg een keer sterven!) De mensheid vervolgt echter doodgewoon haar gang met het lijden van honderden miljoenen; op een enkeling na heeft niemand er wat van gemerkt. De tekenen van God zijn enkel te vinden als een speld in een hooiberg, ook wanneer Ouweneel de geweldige goddelijke actie om het kwaad teniet te doen even vermenigvuldigt met -oei, oei, wat een geweldig getal:- met maar liefst een paar honderdduizenden gevallen waar zijn volgelingen voor gezorgd hebben! (Macarius die de mummie uit de dood opwekte bijvoorbeeld. Geweldige zaken en vooral ook indrukwekkende bewijsvoering!)
Laat ik nu tegen deze gekheid op een stokje de "tekenen van het heil" stellen waar de mens zelf voor heeft kunnen zorgen, geheel zonder God. We nemen slechts ÚÚn uitvinding, de uitvinding van de penicilline. Sinds de tweede wereldoorlog heeft dit medicijn het leven gered van honderden miljoenen mensen. God mag natuurlijk zijn eigen slakkengang gaan met het teniet doen van het kwaad, maar verliest het wat dit eerste argument betreft van de moderne mens met 1000-1.


Ten tweede is het denkbaar dat, hoewel een algoede God op zichzelf het kwaad niet kan willen, dat kwaad wel deel kan zijn van een groter plan.


Dit is een vreselijk argument! Hetzelfde argument wordt door alle inquisities, nazi's en communisten gebruikt om hun maatregelen van uitroeiing van bepaalde volken/groepen te vergoelijken: men is altijd bezig met de creatie van een groter goed. Uiteraard is dit argument volkomen vals: een groter goed kan een kwaad nooit vergoelijken. Indien Ouweneel hiertoe in staat is begaat hij een onvergeeflijke zonde, een zonde tegen alle slachtoffers van het kwaad.


Zo is het denkbaar dat een groter goed (een 'betere wereld') bereikt wordt door het kwaad in bepaalde mate en tot op een bepaalde tijd te tolereren.


Laten we eens wat voorbeelden voorbij zien gaan. Wat is de rechtvaardiging voor het lijden van alle IsraŰlieten die in 400 jaar dat het duurde voordat God aan zijn grotere goed begon (de bevrijding uit slavernij) er nooit iets van merkten en in de slavernij het leven lieten? Wat is de rechtvaardiging voor het sterven van alle Egyptische eerstgeborenen omrede dat God een Farao tolereerde die tot het eind onbuigzaam was? Wat is de rechtvaardiging voor het lijden van alle miljoenen kinderen die stierven voordat ze vijf jaar oud waren? Als het aan God gelegen had zou de kindersterfte nog steeds zo hoog zijn. Wat is de rechtvaardiging voor het feit dat sommige bevolkingsgroepen op de wereld sinds de grondlegging van de wereld nog steeds nooit over Ouweneels God gehoord hebben, maar wel in zijn wereld van lijden moesten leven? Welk groter goed kan de holocaust vergoelijken? Slechts iemand die het leven op een verschrikkelijke manier verkracht kan de uitspraak van Henk Binnendijk doen dat God er wel een bedoeling mee gehad moet hebben.


Of het is denkbaar dat wat kwaad lijkt, in feite noodzakelijk deel uitmaakt van een groter geheel, dat goed is.


Dit is al helemaal een draak van een zinsconstructie. Door het woord 'lijkt' er neer te zetten wil Ouweneel dus beweren dat wat in onze ogen kwaad is, in feite niet kwaad is. Geweldige oplossing weer. Hitler, Stalin en Mao zouden met zo'n prachtargument zo weer aan het werk kunnen.
Het is echter voor iedere denker duidelijk dat in een goddelijk geheel wat goed is, ook alle onderdelen goed moeten zijn.


Of het is denkbaar dat het op een of andere manier met Gods Wezen in strijd is het kwaad teniet te doen (of te vroeg teniet te doen).


Het wordt steeds gekker. Het uitgangspunt was toch dat er in God geen kwaad is? En nu wordt ons in alle serieusheid aangeboden dat Hij het kwaad dus bewust schept en dat het met zijn Wezen overeenkomt het kwaad voor lange tijd te rekken. Zo lang mogelijk rekken wellicht om des te meer van het grotere goed te kunnen genieten later? Wel, het is inderdaad een heerlijk genot om na een hele dag in de Sahara te hebben rondgelopen eindelijk een glas water aangeboden te krijgen. Hoe langer het glas water je wordt ontzegd, des te groter je geluk zal smaken. Maar dit is helemaal geen verontschuldiging voor het creŰren van de Sahara en het dwingen tot zo'n tocht erdoor. Het is eerder iets wat wel aan perversie doet denken.


Voor al deze opties zijn argumenten aan te voeren. Maar waar het nu om gaat, is de vaststelling dat een te sterk versimpelende benadering van het lijden een weinig effectief argument tegen het bestaan van God vormt.


En met dit jantje-van-leiden is voor Ouweneel de kous af! Hoezeer kan een mens aan versimpeling doen! Waar het om gaat, meneer Ouweneel, is in te zien dat u aan onvergeeflijke versimpeling doet. U geeft helemaal geen enkel tegenargument. Wat u oplepelt is enkel kaf dat vervliegt in de wind. U hebt zelfs nog niet eens gezien dat het dilemma van Epicurus nog veel dieper gaat. Het gaat namelijk uiteindelijk niet om het elimineren van het lijden, maar om het feit dat er Řberhaupt lijden bestaat! Indien er oorspronkelijk niets anders was dan God, en God algoed, alwijs, perfect etc. was, zoals de gelovigen ons op de mouw willen spelden, dan moet u met een antwoord komen hoe Řberhaupt uit God lijden en kwaad kan voortkomen. Of het nu direct of indirect door hem geschapen is, doet er niets toe. Uit een perfecte God zou totaal niets imperfects moeten kunnen voortkomen. En dit is toch wat de schepping automatisch impliceert. God is de auteur van het kwaad en het lijden, omdat dit opgesloten ligt in de daad van het scheppen. Er is geen ontkomen aan. Wanneer God de zon schept, het vuur, dan schept Hij bijgevolg (dwz automatische implicatie) ook het feit dat materie kan verbranden. Wanneer Hij de aarde schept met een kokende kern, dan schept Hij bijgevolg de vulkaanuitbarstingen en het bewegen van tektonische platen (aardbevingen). Wanneer Hij de zon, maan en aarde schept, dat schept Hij bijgevolg de woedende golven, de orkanen. Wanneer Hij de mens schept, dan schept Hij bijgevolg ook dat de mens zich kan verbranden, een mens kan stikken in gifgassen, een been of rug kan breken bij een gemene val of bij het uitglijden, of zich een wond snijden, of een mensenkindje kan verdrinken in de rivier. Wanneer Hij een bloem maakt, dan schept Hij bijgevolg ook het verwelken, het afsterven. Wanneer Hij de mens beperkt denkvermogen geeft, dan schept Hij automatisch het gevolg dat er foute inzichten zullen komen. Wanneer Hij mens en dier eten nodig laat hebben, dan schept Hij bijgevolg het gevoel van honger. Wanneer Hij de mens tot een seksueel wezen maakt, dan schept Hij bijgevolg de sexuele lust. Wanneer Hij de mens de mogelijkheid tot lachen en huilen schenkt, dan schept Hij bij automatische implicatie alle redenen tot lachen en huilen. Enz. enz. duizendmaal enzovoort.

Wanneer een mens zich verbrandt, lijdt hij en kan het dus onmogelijk op rekening van zijn zondigheid geschoven worden. Wanneer hij van een rots afvalt door een misstap, en zijn been breekt of blind wordt, kan het alweer onmogelijk op rekening van de zondeval gezet worden. Wanneer een mens seksuele lust op voelt komen kan het onmogelijk als zondig worden gebrandmerkt. Wanneer een mens zonder dat hij er erg in heeft op een mier stapt, is de dood van de mier onmogelijk een gevolg van de zondeval. De schepping is eenvoudig zo gemaakt dat een mens niet alle mieren kan opmerken, en een mier platgedrukt wordt wanneer een mens er met zijn volle gewicht op staat. Wanneer een mens de zon aanbidt, of in een verzonnen god gelooft, kan niemand hem dat aanrekenen, omdat hij beperkt denkvermogen heeft, en er eenvoudig toe gedwongen wordt. Wanneer er een teken aan de hemel op te merken is, en er gebeurt wat, kan men het de mens niet kwalijk nemen dat hij de zaken met elkaar in verband brengt, zijn denkvermogen gebiedt hem naar oorzaken en gevolgen te zoeken. Wanneer een mens dorst heeft, maar er toevallig geen water voorradig is, heeft dit volstrekt niets te maken met de zondeval, maar is het eenvoudig een kwaliteit die tot de schepping van God behoort. Wanneer de zondeloze Adam een brug over de Tigris had willen bouwen zou hij dat sowieso in het zweet zijns aanschijns gedaan moeten hebben. Het is niet mogelijk op aarde te leven als mens zonder je af en toe in te moeten spannen. Wanneer de zondeloze Eva een broodje met frambozen zou hebben gegeten zou een verdwaald wormpje er ongetwijfeld eens toevallig tussen hebben gezeten, en in haar mond vermaald worden. De schepping is zoals die is, en het verhaal dat het oorspronkelijk anders geweest is, en dat alles vanwege de zonde veranderd is, is pertinente onzin. Onmogelijk.


Het argument dat god dit alles schept om het mogelijk te maken een groter goed te kunnen proeven gaat vervolgens helemaal niet op, omdat er uit de schepping geen ontsnapping mogelijk is. Want op dezelfde manier als de oorspronkelijke schepping niet volmaakt goed genoemd kan worden is het denkbeeldige toekomstige hemelse leven of 'nieuwe schepping' onmogelijk volmaakt goed. Het is absoluut onmogelijk voor de mens een paradijselijk bestaan te leiden, een leven te leiden zonder wat christenen de zonde noemen of een mens als lijden ervaart. Een voetbalwedstrijd in de hemel is onmogelijk zˇ te spelen dat niemand ongelukkig wordt. Het is in de hemel onmogelijk dat men nooit verschil van mening krijgt bij het aanzien van het besluit van een scheidsrechter. Het is ook in de hemel absoluut onvermijdelijk dat een mooi meisje het hart van deze of gene breekt; ze kan zich nu eenmaal niet met duizend delen. Het is ook in de hemel onmogelijk een sonate van Prokofjev te spelen zonder erop te moeten zwoegen en telkens fouten te maken. Het is ook in de hemel onmogelijk dat iedereen over Gregoriaans of over Heavy Metal dezelfde opvattingen deelt. Het is ook in de hemel onmogelijk voor een mens altijd de kracht ervoor opbrengen zijn hond net zoveel uit te laten als de hond het wil. Het is onmogelijk mens te zijn in de hemel. Een mens is alleen maar mens als hij de keuze tussen goed en kwaad altijd behoudt, en het ÚÚn zijn goed is het kwaad van een ander. Paradijs, zondeval en hemel zijn dus waandenkbeelden, verzinsels van de mens. Ze zijn bedacht om dezelfde reden als hollywoodfilms en romans, ter vermaak en soms ter lering, om het leven van de mens wat draaglijker te maken, om te spelen met de fantasie, om behoeften van de mens te bevredigen.


Het gehele idee van de schepping kan dus onmogelijk gerijmd worden met een algoede en alwijze God. Imperfectie en lijden zijn onvermijdelijke en altijd aanwezige onderdelen van scheppen. Sterker nog, ze kleven onherroepelijk aan het begrip 'bestaan met bewustzijn'. Om het nog duidelijker te maken laat ik Ouweneels eigen woorden horen om het the´sme uit te leggen:


Volgens alle the´sten is God een volmaakt goede en volmaakt wijze God. Er is in die God geen noodzakelijkheid aan te wijzen waarom Hij de wereld zou moeten scheppen. Maar als Hij daartoe dan toch besluit, en dan zelfs een wereld met morele wezens daarin, moet het de best mogelijke wereld zijn die voortgebracht kan worden. Met minder kan een volmaakt goede en volmaakt wijze God niet toe. Oftewel: alles wat minder is, is een slag voor het the´sme.


Welnu, dan is het the´sme hier definitief verslagen. Het gehele denkbeeld van de schepping betekent automatisch dat Gods Wezen niet volmaakt was. Hij moet een behoefte gehad hebben om tot scheppen over te gaan, hetgeen al imperfectie inhoudt. En nog erger, met het tot scheppen overgaan schiep hij tevens het kwaad. En kwaad dat tot een groter goed leidt is eenvoudig onzinpraat indien het uitgangspunt al een volmaakte perfectie was. Het is hier gemakkelijk in te zien waar Ouweneel een fatale misstap doet in zijn denken. Hij zegt dat indien God tˇch besluit een wereld te scheppen, het "de best mogelijke wereld zou moeten zijn die voortgebracht kan worden". Dit is een oneerlijke gedachte. Gezond denken luidt dat die wereld perfect zou moeten zijn, zoals God perfect is.


Geen the´st kan om de argumenten van de athe´st heen. The´sme mondt dan ook enkel uit in een steeds verder de mist in gaan, steeds verder afdwalen in een onbegrijpelijk stinkend moeras. Het christelijk geloof overhandigt ons dit boeket bloemen:


1) God staat afschuwelijke dingen toe -bijvoorbeeld dat wespenlarven zich voeden in het lichaam van rupsen, of dat katten kwaadaardig spelen met muizen (zaken die Darwin deden twijfelen aan God)-, maar de christen noemt hem desondanks nog steeds goed.
Bizar denken.

2) Het denkbeeld van de Satan wordt uitgevonden. De Satan is vervolgens niet de schuld van God, maar de schuld van Satan zelf.
Oneerlijk denken.

3) God staat toe dat Satan de macht heeft op aarde. Een christen heeft hier nog steeds geen enkel bezwaar tegen, als het uiteindelijk maar op 'een groter goed' uitloopt; wat hem betreft is God nog steeds even perfect en algoed.
Weer bizar en oneerlijk denken.

4) God heeft volgens de christen altijd meer macht, hoewel zowel Auschwitz als de penicilline het uitschreeuwen dat dit een onzinredenering is.
Slogans nemen de plaats in van denken.

5) Gelovigen die vertrouwen op God weerstaan Satan (volgens de christen), terwijl de christen na een volgende ademhaling meteen weer zegt dat we allemaal slechte keuzes doen en allemaal zondigen en immoreel zijn.
Hopeloos contradictoir denken.

6) De Satan weet dat zijn einde nabij is. Een opmerking 2000 jaar geleden werd gemaakt, en nog steeds door de christen niet als een holle frase ontmaskerd wordt. Blijkbaar gaan de christenen er nog rustig mee door tot het jaar AD 7856.
Oneerlijke redenatie.

7) De Satan zal proberen zijn doel te bereiken (het zoveel mogelijk mensen van de christelijke God af te houden). Had Satan wel vrije wil om tot Satan te worden, maar geen vrije wil meer om tot inkeer en bekering te komen? Is Satan inderdaad zo primitief dat hij maar ÚÚn oogmerk heeft, zolang als de schepping duurt? Zijn God en Satan inderdaad zo primitief om duizenden jaren lang een voetbalspelletje te spelen met de mens op aarde als de speelbal, waarin ze om beurten als Gullit en Van Basten een doelpunt scoren, en God zo kinderachtig is om wel van te voren te plannen dat hij het laatste doelpunt maakt, en bovendien bepaalt dat wie het laatste doelpunt scoort wint, al zou de ander met tien nul voorstaan?
Bizar geloof.

8) De Satan is jammergenoeg zeer succesvol. Door een nauwe poort gaan ze ternauwernood naar de hemel, maar via een brede weg en wijde poort allemaal naar het verderf en de verdoemenis. Ach wat zielig voor God. Dat hij daar nu niets aan kon doen is wel heel zielig. Een athe´st trekt hieruit de conclusie dat christenen alles in het werk stellen om hun God maar zo klein dom en slecht mogelijk te maken, terwijl ze in feite de Satan zien als God.


Ik vind het onbegrijpelijk dat een christen in zulk een dorre woestijn van het denken wil rondlopen, dat een christen niet inziet hoe belabberd elke uitspraak die hij doet als gelovige, eruit ziet. Er zijn maar weinig christenen aan "Wie het vatten kan, vatte het" besteed is.


Let op hoe je in ÚÚn klap van alle bizarre denkkronkels bevrijd kan worden: het denkbeeld van de christelijke God is een waan. God bestaat niet. Ik stel dat er bovendien geen enkel ander alternatief is waardoor je van de christelijke denkkronkels bevrijd kan worden dan athe´sme. Met elke redenering die een religieus mens over God geeft, komt hij altijd aan met een boeket verwelkte rozen.


Nu zou je denken dat voor een Godgelover dit fenomenale probleem van het kwaad het leeuwendeel van zijn verhandeling zou opleveren. Maar integendeel, ik merk op dat Ouweneel er twee alinea's voor uittrekt, het aanvult met wat gekeuvel over een puntje dat Russell maakt in zijn essay Waarom ik geen christen ben, en een opmerking die wordt gemaakt in het boek De Pest van Albert Camus. Ik sla ze over omdat ze er niet toe doen. Vervolgens besluit Ouweneel zijn hoofdstuk weer met zijn stopwoord "Het existentiŰle aspect". Hij komt met het argument dat de athe´st met zijn mond vol tanden staat wanneer hij een moeder moet troosten vanwege een tragisch auto-ongeval. Christenen mogen worstelen met hun God, zoals Job, maar ze zeggen Hem niet vaarwel, ze blijven hopen. Opnieuw krijgen we weer een emmer retoriek over ons heen:


Prachtig vind ik hier Job 13:15: 'Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen; ja, mijn wandel wil ik voor Hem rechtvaardigen.' Enerzijds: wat Hij mij ook aandoet, ik laat Hem niet los. Maar anderzijds: 'ik neem het niet zomaar, Hij moet mijn zelfverdediging wel aanhoren.' Job vraagt. 'Waarom laat U mij niet met rust? Zelfs 's nachts kwelt U mij nog in mijn dromen. Waarom laat u mij niet in alle vrede sterven? Ik ben maar een pluisje in het heelal. Zelfs al zou ik dan ÚÚn of ander kwaad gedaan hebben -maar dat heb ik niet- wat voor nadeel zou ik U daarmee toch berokkend hebben? Waarom gaat u dat kwaad niet eenvoudig voorbij? Waarom gaat U zo tegen me tekeer, terwijl er toch al bijna niets meer van mij over is? wat is er zo belangrijk aan mij dat U zo met mij bezig bent?.
De the´st -beter: de gelovige- begrijpt God lang niet altijd. Hij heeft geen antwoord op alle vragen, hij worstelt met die vragen. Hij worstelt met God. Maar het komt gewoonlijk niet bij hem op om God los te laten....De gelovige weet beter. Ja, het gaat om een echt weten. Niet volgens de criteria van de logica en de epistemologie, maar wel vanuit diepexistentieel standpunt.


Ouweneels woorden zijn niet alleen hol, maar ook alweer tot op het bot zijn geloof ontmaskerend. Wat de holheid van zijn redenatie betreft: ik zou als athe´st exact hetzelfde kunnen schrijven, maar enkel het woordje God met een onpersoonlijk 'het Leven' kunnen vervangen:


Wil het Leven mij doden, ik blijf toch het Leven prijzen; ja, al mijn laten en doen wil ik de rechtvaardiging van het Leven laten zijn.' Enerzijds: wat het Leven mij ook aandoet, ik vervloek het niet. Maar anderzijds: 'ik neem het niet zomaar, het Leven moet mijn vraagtekens wel aanhoren.'


Maar mijn woorden zijn veel eerlijker en realistischer. Ik spreek het leven niet aan als een wezen, maar als iets waar ik een onderdeel van uitmaak en waar ik respect voor heb omdat ik er maar een heel nietig onderdeel van ben. Maar hoe bizar moet je denken zijn dat je kan uitspreken: "Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen". Een Wezen dat in laatste instantie verantwoordelijk is voor al het lijden kan niet vergeven worden, noch kan men daarop zijn hoop vestigen.
En die vraagtekens kan ik neerzetten in de muziek die ik schep, maar kan ik ook voorzien van de troost die ik schep. Hoeveel meer is dit de vervulling van mijn leven dan een verhaal waarin ik geloof. Zulke muziek (Adagio) hÚb ik eens gegeven aan een moeder wiens man ik voor mijn ogen zag overlijden in een auto-ongeluk dat volkomen absurd was: het gebeurde op de snelweg, de opgaande zon scheen recht in de ogen van een vrachtwagenbestuurder. Hij reed daardoor per ongeluk de verkeerde weghelft op. De man die er het slachtoffer van was zag hem aankomen en week uit naar de andere helft. Op hetzelfde moment drong de vergissing van de vrachtwagenbestuurder tot hem door, en zwenkte hij weer terug naar zijn eigen weghelft, waarbij hij recht tegen het onschuldige slachtoffer aanreed. Ik reed op 500 meter afstand en zag dit alles gebeuren. De vrachtwagenbestuurder was helemaal ongedeerd en bleef maar zitten in zijn cabine, verlamd van schuldgevoelens; hij huilde en was onbereikbaar voor woorden van anderen en herhaalde maar onophoudelijk tegen zichzelf: "Ik zag het niet, het was niet mijn fout". Ik ging kijken naar het slachtoffer en zag dat het de vader van twee van mijn leerlingen was. Hij was als een leeg bierblikje verwrongen en platgedrukt. Bloed kwam uit zijn oor...
Toen ik later naar de vrouw van de overleden man ging, had zij mij deze verkrachting van het leven aan te bieden (die ik maar 'begrijpend' en 'meelevend' aanhoorde): "Ik geloof dat het zijn tijd was. God weet het het beste." Is dat een troost? Enkel leegheid en armoede van geest. Ik gaf haar mijn Adagio op een CD waar pijn, de diepste pijn, in muziek is omgezet en mijn eigen liefde voor het leven voor de troost zorgt. Welke van de twee personen is eerlijk en rijk? De the´st of de athe´st? Voor mij geen vraag.


En zie hoe Ouweneel zijn geloof zelf ontmaskert voor wat het in werkelijkheid is: ego´sme. De the´st heeft een hoop definitieve vragen die een persoonlijke God eenvoudig ontmaskeren als een absurd denkbeeld, Hem definitief neerzetten als een stakker en sadist: "Waarom wilt U mij doden? Waarom kwelt U mij, zelfs als ik al uitgeput en uitgeteerd ben? Waarom gaat U zo tekeer, zelfs als ik onschuldig ben?" Maar hij komt in zijn denken niet verder dan te zeggen dat hij 'worstelt' met God, 'God niet altijd begrijpt'! Wat een toppunt van oneerlijkheid! En dan zeggen ze nog de naakte waarheid erachter ook: "Maar het komt gewoonlijk niet bij hem op om God los te laten. De gelovige weet beter. Ja, het gaat om een echt weten". Leugenaars!

Heeft een christen dan werkelijk niet de moed de erkennen hoe zijn ego´sme hiervoor aan de basis ligt? De christen heeft God nodig als de snoepjesuitdeler, en oplosser van alle vraagstukken en beloner van de christen voor al zijn lijden. Het vreemde is dat het geloof voor iemand die dieper doordenkt helemaal nooit oplossingen schenkt, maar enkel een lading nieuwe onoplosbare vraagtekens creŰert. Wat is gemakkelijk te vergeven: een persoonlijke alwijze, algoede, liefdevolle God die handelt alsof Hij exact omgekeerde is, of het onpersoonlijke leven dat nu eenmaal is zoals het is? Enkel het laatste kan een mens een prikkel geven om zelf de God te wezen waarnaar hij zo verlangt.