Hoofdstuk 12, De evolutie van ÚÚn mensenleven

Ik schrijf dit commentaar op het boek van Willem Ouweneel De God die is, door telkens ÚÚn hoofdstuk twee keer door te lezen en daar dan een vers commentaar op te schrijven. Ik weet dus nooit wat ik in het volgende hoofdstuk aangeboden krijg, op de titel van elk hoofdstuk na, die ik in de inhoudsopgave ben tegengekomen. Ik had er dus weet van dat er een hoofdstuk "evolutionisme" komt, en zag daar een beetje tegenop, maar ben aangenaam verrast dat het niet om argumenten tegen de evolutieleer en vˇˇr het creationisme gaat, maar Ouweneel enkel de boodschap wil meegeven dat men het altijd voor wil stellen dat de evolutietheorie enkel een empirische theorie is met een overstelpende hoeveelheid materiaal die de theorie ondersteunt, terwijl zij in werkelijkheid eerder een ideologische status heeft. Ik heb er zelf geen enkele moeite mee te erkennen dat evolutietheorie een ideologische kant heeft. Het hoofdstuk heeft me wat dat betreft dus niets te bieden. Uiteraard is het aan Ouweneel om aan te tonen dat "de overstelpende hoeveelheid materiaal die de theorie ondersteunt" ontbreekt, maar hij geeft in dit boek enkel de altijd weer gehoorde claim dat er geen voorbeelden van macro-evolutie zijn. Ik heb veelvuldig een evolutiebioloog het omgekeerde horen zeggen, zodat het me verder koud laat. Evolutie versus creationisme is wat mij betreft een ideologische strijd, en ik kies daarin de kant van het evolutionisme, omdat ik het idee van een persoonlijke God die ons mensen dit leven aanbiedt weerzinwekkend vind, en ik het bijbelse verslag en de bijbelse interpretatie van het leven nˇg weerzinwekkender vind. Zoals ik opmerkte in het vorige hoofdstuk kan ik onpersoonlijke krachten die het bestaan voor elkaar kregen gemakkelijk vergeven dat ze het niet wat beter konden, maar met een persoonlijke God staat alles er geheel anders voor. Dat Hij voor het merendeel maar hersenloos leven laat voortkruipen, en aan wat hersens heeft maar zo weinig ervan van gegeven heeft vind ik een bizarre grap dat tegen mijn goede smaak indruist. Iets bovendien nog in de soep laten lopen en dan met allerlei kwakzalveroplossingen en een gids uit de brons- en ijzertijd weer proberen op te lossen, is wat mij betreft al even onvergeeflijk. Een andere reden waarom ideologisch gezien het evolutionisme te prefereren valt is dat het de mens bescheiden maakt en een onderdeel laat zijn van de rest van de natuur. Creationisme aan de andere kant gaat hand in hand met menselijke trots en arrogantie en schept een kloof tussen de mens en de natuur. Om die redenen is het voor mij evolutie en geen creationisme. De enige goede dienst die het creationisme doet is de evolutionistische wetenschappers steeds te irriteren zodat men gedwongen wordt om steeds meer bewijsmateriaal naar voren te halen en niet in slaap te dommelen. Maar mocht het creationisme uiteindelijk toch gelijk hebben, dan bewijst het ons de dienst te laten zien dat we niet met een God te maken hebben, maar de Duivel inderdaad bestaat.


Ik vind het toch wel interessant om te lezen over evolutie, om iets te begrijpen van de processen hoe het in zijn werk gegaan is, en nog steeds verder gaat. Creationisme te bestuderen, aan de andere kant, is bijzonder saai, want dan ben je na ÚÚn zin al uitgepraat. "Hij sprak en het was." Je kunt het nog een paar keer herhalen natuurlijk om het gehele universum klaar te krijgen, en er nog bij opmerken dat het een paar keer avond en morgen geweest was, en Hij elke keer zeer met zichzelf in zijn schik was, maar dan heb je het toch wel gehad. Op creationisme volgt enkel een hoop theologie, slangen, vruchten van een boom, eeuwige straf enzovoort. Men noemt het tegenwoordig wel Intelligent Design, en niet meer creationisme, om de link met de bijbel te verbergen, maar er is natuurlijk geen mens die niet begrijpt dat je vervolgens bij de bijbel langs moet gaan en dan opgescheept wordt met al die dikke commentaren over allerlei bijbelboeken plus nog de 40.000 bladzijden van Ivan Panin met mathematische bijzonderheden over het goddelijk woord...oh, en vergeet niet het schitterende werk van Samuel Bochart, uitgegeven te Leiden in 1712, The Animals of Holy Scripture (eigenlijk nog imposanter: De Animalibus Sacrae Scripturae), met hoofdstuk 6 "Over de hebreeuwse benaming voor paard", hoofdstuk 7 "Over de kleuren van de zes paarden in Zacharia", hoofdstuk 8 "Over de paarden in het boek Job", hoofdstuk 9 "Over Salomo's paarden, en over de teksten waarin gesproken wordt over de edelheid van paarden", hoofdstuk 10 "Over de paarden die aan de zon zijn toegewijd", en alle overige van belang zijnde biologie: "Over de ezel van Bileam", "Over de duizend Filistijnen die door Simson met de kaak van een ezel verslagen werden", "Over de gouden kalveren van Ańron en Jerobeam", "Over het blaten, de melk, de wol, de uiterlijke en innerlijke delen van schapen, zoals de Schrift hierover spreekt", "Over belangwekkende zaken die de Schrift ons vertelt over leeuwen", "Over de duif van Noach en de duif die verscheen tijdens de doop van Jezus"...


Maar gelukkig staat er in dit hoofdstuk nog wat anders dan een aanval op evolutionisme en natuurwetenschappers. Ouweneel vangt het aan met een terugblik op zijn leven. Hij vertelt wat eigen wederwaardigheden en schetst de ontwikkeling van zijn eigen persoon. Dit vind ik ÚÚn van de leukste passages in het boek. Er is natuurlijk wat te zeggen voor het commentaar in ÚÚn recensie van Ouweneels boek in het Nederlands Dagblad van Henk Hoksbergen, die de volgende mening toegedaan is:


Ik vind het altijd zo fijn wanneer iemand tot grote intellectuele prestaties in staat blijkt zonder dat hij dat zelf vertelt. Ouweneel vertelt wel hoe hij al op jonge leeftijd in korte tijd een succesvolle brochure schreef die in vele talen werd vertaald en luid geprezen werd door een vermaard theoloog. Elders in het boek meldt hij dat hij de Bijbel in de grondtalen leest, elke perikoop van de Bijbel bestudeerd heeft en over elke bladzijde gepreekt. Onnodige zelfverheffing voor deze boodschap: al ben je nog zoveel met de Bijbel bezig, het Boek blijft je inspireren.


Het zal wel tot de deugden van een bepaald christendom behoren waartoe Henk behoort dat het zo gezegd moet worden, maar geef mij maar iemand die weet heeft van zijn eigenwaarde. Ouweneel heeft op vele dingen zijn best gedaan in zijn leven -hoewel dit boek er niet toe behoort, maar dat heb je wanneer je geroepen wordt door een God en niet zoals Mozes tegenstribbelt totdat Hij je bijna verteert van woede-, en over de dingen te horen waar hij zijn best voor gedaan heeft is voor de lezer slechts verhelderend. Het kan zijn dat zijn pochende opmerkingen nog verderop aan het woord komen, waarna mijn excuses aan Henk dan, maar hier schrijft hij op een manier zoals ieder mens zijn leven in plussen en minnen kan beschouwen. Ik vind het leuk mijn eigen leven zo met plussen en minnen te overdenken en het vermengd en in contrast te zien met dat van hem.


Allereerst vertelt hij de lezer dat hij nooit een athe´st geweest is. Ik zou bijna hetzelfde soort mens zijn, ware het niet dat ik in staat was het ondenkbare tˇch te doen een paar jaar geleden. Het ergste wat Ouweneel is overkomen was als zeer jong christen door een evolutionistisch dal te gaan voor een poosje. Zelfs dßt is mij als christen niet overkomen dank zij het boekje dat ik op een lezing van Ouweneel in Utrecht in mijn handen kreeg, het boekje waar hijzelf nu rode oortjes van krijgt:


Over een beperkt aantal jaren publiceerde ik verscheidene werken op biologisch-ethisch, technologisch en creationistisch gebied. Het eerste was een kleine brochure (1974), die ik schreef op verzoek van een jonge onderwijzer, die graag een boekje over het evolutieprobleem voor zijn scholieren wilde hebben. Ik had er niet veel zin in en raffelde het boekje dan ook in drie dagen af. Maar het is wel het geschrift geworden dat in tientallen talen vertaald is, tot Russisch en Arabisch aan toe, en in honderdduizenden exemplaren over de wereld is gegaan. Een goeie les; God heeft vaak andere prioriteiten dan ik.


Het boekje heette "Vraag het de aarde eens". Via het internet is het nu verkrijgbaar bij antiquariaten voor ÚÚn euro. De ondertitel heet "Heimwee naar een verloren gegane natuur", hetgeen je meteen laat weten waar je aan toe bent: een God die deze wereld wel geschapen heeft, maar er eigenlijk niets van wil weten en steeds wat anders op het oog heeft... Ik had het boekje nog steeds in mijn boekenkast staan toen ik dertig jaar later twijfels kreeg over het christelijk geloof. Ik las het op een middag weer eens door en schaamde me in al die na´eve zaken ooit geloofd te hebben! Terwijl ik het als ouder mens door zat te lezen wekte het een weerzin op tegen de onvergeeflijke simpliciteit en absurditeit van het christelijk geloof. Dit even ter aanvulling over de lange termijn gevolgen van waar Gods prioriteiten liggen. Hier nog een aanvullende bespiegeling over deze eerste pennenvrucht van Ouweneel, een deel uit een uitstekende recensie van een ID-boek, geschreven door Willem Bouwman:


Is er een alternatief voor de oerknal en de evolutie? Orthodoxe christenen hielden altijd vast aan de schepping van de wereld, zoals verteld in de eerste hoofdstukken van Genesis. Ze waren geneigd die tekst letterlijk te lezen. De aarde zou enkele duizenden jaren geleden in zes dagen geschapen zijn. Voor een allegorische uitleg bestond weinig ruimte, zoals de gereformeerde dominee J.G. Geelkerken in 1926 ondervond. Toen de gereformeerde synode hem veroordeelde, schreef het christelijke gereformeerde weekblad De Wekker dat de synode niet ver genoeg was gegaan. Zij moest alle gereformeerde theologen veroordelen die geloofden dat de scheppingsdagen wellicht langer dan een etmaal uur hadden geduurd.
Deze inzichten sloten aan bij het creationisme, dat in de jaren zeventig door de EO werd uitgedragen. Het creationisme probeerde wetenschappelijk aannemelijk te maken dat de aarde zesduizend jaar geleden in zes dagen van 24 uur geschapen was. Creationisten gingen uit van letterlijke waarheid van de Bijbel en meenden dat het scheppingsverhaal een feitelijke weergave was van het ontstaan van de aarde. Ook geloofden ze in een zondvloed die de hele aarde had bedekt. Bekende creationisten waren W.J. Ouweneel, auteur van De ark in de branding en Vraag het de aarde eens, en A.M. Rehwinkel, auteur van De zondvloed. Hun boeken vonden een goed onthaal in christelijke kring.

Om redenen die niet meteen duidelijk zijn, heeft het creationisme in Nederland zijn beste tijd gehad. De boeken van Ouweneel en Rehwinkel worden niet meer herdrukt en een verwijzing ernaar is zeldzaam geworden. Geelkerken is alleen historisch nog interessant; een oprechte verdediging van zijn veroordeling hoort men zelden meer.


De ark in de branding en het boek van Rehwinkel herinner ik me ook nog goed. Pas later in mijn leven leerde ik dat het gewoon tot het evangelische christendom behoort om van tijd tot tijd weer opnieuw met de kop 'De ark van Noach gevonden?' aan te komen, net zoals ze van tijd tot tijd met het volgende boek moeten aankomen dat de wederkomst van Jezus voor de deur staat. Het is de draaiorgelmuziek in het carrousel waar ze in zitten; ze kunnen die muziek niet stopzetten.


Ouweneel vertelt dat hij uit zijn diepe evolutionistische dal werd getrokken door het standaardwerk van Henry M. Morris en John C. Whitcomb The Genesis Flood. In mijn eigen leven kwam ik wat later ook Henry Morris tegen. Ik studeerde vanaf 1978 theologie in Londen en was erbij toen ergens in het centrum een stichting Bible and Creation (of zoiets) werd opgericht. Ik ontving daarna jarenlang dat engelse tijdschrift, van een stuk mindere kwaliteit overigens als het ge´llustreerde tijdschrift van Ouweneel Bijbel & Wetenschap dat ik vanaf het eerste nummer jarenlang ontving en aandachtig doorlas. Op de boekentafel die ik in een pauze van die seminar-dag in Londen bezocht lag ook een dik boek van Henry Morris, The Genesis Record. Het was voor een arme student een duur boek, maar ik kon het niet laten de beroemdheid te kopen. Ik begon in m'n leven wel drie of vier keer aan dat boek, maar ben nooit verder gekomen dan de paar hoofdstukken van het begin. Het was allemaal zo naief dat boek Genesis, ik heb er eigenlijk nooit wat mee gekund, of men mij nu een fundamentalistisch of vrijzinnig commentaar erop geeft. Maar ik bleef wel braaf creationist en christen. Hoe het in zijn werk gaat is iets waar menig ex-christen zich nog jarenlang over kan verbazen, maar moeilijk of niet kan uitleggen. Wellicht heeft het er mee te maken dat je dan opeens weer zo'n juweel van een verhaal als dat van Jozef tegenkomt, nota bene in datzelfde boek, dan vergeet je alle ellende en onzin weer.


Ouweneel vervolgt met te verhalen van zijn honderden lezingen die hij overal in het land, en ook daarbuiten, hield over creationisme, "tot het me de neus uitkwam" (vanwege de eindeloze herhalingen). Dat kan ik me goed voorstellen; ik heb kinderen 17 jaar lang toonladders en FŘr Elise geleerd te spelen, tegenwoordig probeer ik ze al negen jaar lang aan hun verstand te brengen dat ze a en the voor zelfstandige naamwoorden moeten zeggen in het engels (bijna onmogelijk voor Finnen die in hun eigen taal geen lidwoorden kennen). Je vraagt je in het leven op een gegeven moment altijd af wat in vredesnaam die Hij-God-Boswachter toch bezielt op dit alles maar van eeuw tot eeuw "vertederd, vriendelijk en medelijdend" toezicht te houden! Ouweneel verhaalt dat er soms wel 1000 mensen naar hem kwamen luisteren. Ik zat er ook meerdere malen bij, en inderdaad, in ÚÚn van die bijeenkomsten ergens in Utrecht waren honderden mensen; de zaal zat stampvol. Er waren een hoop van die mannen van dertig met lange baarden en geitenwollensokken of geen baard maar kort haar, brilletje en een stropdas, die na de lezing een kritische vraag hadden. Zou dit alles tot een uitstorting van de Heilige Geest hebben behoord?


Ouweneel noemt als serieus werk over het creationisme Operatie Supermens, dat in 1975 uitkwam. De beschrijving in een notendop van dit boek is: "Een Bijbelsbiologische blik op de toekomst". Ouweneel laat niet weten hoe het boek er in het licht van die toekomst 30 jaar later uitziet, maar het internet laat niet veel meer weten dan dat het in het antiquariaat voor vier euro te koop is. Het is dus inderdaad een belangwekkender uitgave dan Vraag het de aarde eens. Ouweneel laat weten dat een oude theoloog prof. dr. W.H. Gispen opgemerkt moet hebben dat dit boek "de suprematie van het evolutiegeloof onder de christenen in ons land gebroken heeft", en dat is natuurlijk aardig, maar het stilzwijgen van wetenschappers op het internet over dit boek geeft me toch enige vraagtekens.


Na 1976 heeft Ouweneel volgens zijn eigen zeggen geen eigen research meer uitgevoerd, maar ging hij zich steeds meer toeleggen op filosofie, in het bijzonder wetenschapstheorie. Het resultaat wordt ons duidelijk voorgeschoteld in dit boek: zowel religieus geloof als wetenschap is volgens hem minstens evenveel, of liever nog veel meer, gebaseerd op existentiŰle keuzes dan op feiten. En dan voegt Ouweneel er keer op keer aan toe dat het the´sme wel waar moet zijn omdat je met een athe´stische visie echt niet kunt leven:


Inderdaad: met het athe´stisch naturalisme valt niet te leven - en er valt nog minder mee te sterven.


Volgens mij is het de derde keer dat hij het schrijft, en ik begrijp nog steeds niet waarom hij het de athe´sten niet zelf laat uitmaken of ze er mee kunnen leven en sterven. Hij laat ons steeds enkel zien dat hij er niet mee kan leven en daarom aan zijn geloof vasthoudt. Het doet me overpeinzen of de uiteindelijke opbrengst van een leven inderdaad maar zˇ klein is. Of heeft Ouweneel niet genoeg van zichzelf geŰist? Het antwoord op eigen leven moet ieder mens natuurlijk altijd zelf geven, maar ik houd van Nietzsches uitspraak: "Van al het geschrevene heb ik enkel lief wat iemand schrijft met zijn bloed. Schrijf met bloed en je zult ervaren dat bloed geest is." Wie het vatten kan, vatte het.