Hoofdstuk 13, Een zaak van het hart

Ouweneel komt in zijn boek De God die is nu op het punt dat hij moet zeggen dat alle tot nu toe aangedragen argumenten voor het the´sme ontoereikend zijn om er Godsgeloof op te baseren.


Het the´sme zou niet veel voorstellen als het uitsluitend afhankelijk was van logische argumenten voor het bestaan van God en van getuigenissen van mensen die claimen God 'ervaren' te hebben...Nee, het the´sme heeft meer nodig. Het Godsgeloof kan niet uitsluitend van menselijke redeneringen en/of ervaringen afhankelijk zijn. Wezenlijk voor alle vormen van the´sme is de overtuiging dat God zichzelf aan de mens heeft bekendgemaakt (geopenbaard) op een wijze die voor een groot aantal mensen acceptabel is.


Dat men met gebruik van de rede nooit op een God zoals Hij in de bijbel afgeschilderd wordt terecht komt was ieder mens allang duidelijk, maar de verdienste van Ouweneels boek is dat hij nu de perfecte illustratie en bevestiging ervan gegeven heeft. Met de laatste opmerking begaat hij vervolgens een volgende fatale denkfout. Indien God zich zou willen bekendmaken aan de mens, dan zou Hij dat ongetwijfeld moeten doen in de vorm van een openbaring die voor alle mensen acceptabel is. Nu echter zitten we met het dilemma dat Thomas Paine al eens in zeer eenvoudige, maar niet om te kegelen bewoordingen heeft duidelijk gemaakt:


Aangezien het noodzakelijk is aan termen de juiste gedachten te verbinden zal ik eerst enige opmerkingen maken over wat men verstaat onder openbaring. Openbaring, in godsdienstige zin, betekent iets dat door God direct aan de mens gecommuniceerd wordt.
Niemand zal ontkennen dat God hiertoe in staat zou zijn, indien Hij dit zou willen. Maar laten we dit ten behoeve van het argument toegeven, dan is iets geopenbaard aan een bepaald persoon toch een openbaring voor hem alleen, en geen openbaring aan welk ander mens dan ook. Indien hij aan een ander verhaalt van deze openbaring, een tweede weer aan een derde, een derde weer aan een vierde, enzovoort, dan houdt het op een openbaring aan al die anderen te zijn. Het is slechts een openbaring aan die ene persoon zelf, en iets van-horen-zeggen voor alle anderen. Al die anderen zijn bijgevolg niet verplicht geloof te schenken aan de openbaring.
Het is een contradictio in terminis om dat wat ons uit tweede hand is overgeleverd een openbaring te noemen, of het ons nu verteld wordt of dat we erover lezen. En hoewel de ontvanger van de openbaring zich genoodzaakt moge zien het te geloven, kan het op geen enkele manier mij verplichten er op dezelfde manier in te geloven. Want het was geen openbaring aan mij, ik heb slechts zijn woord dat het aan hem geopenbaard werd. Een openbaring zoals de tien geboden dragen in zichzelf op geen enkele manier het stempel van God. Ze bevatten enkele goede morele voorschriften, voorschriften die elke gekwalificeerde wetgever zou kunnen produceren zonder oog in oog te staan met een bovennatuurlijke macht. (Ik moet natuurlijk uitzondering maken voor de uitspraak dat God de zonden van de vaders op de kinderen tot in het derde geslacht wreekt. Zoiets druist in tegen elk principe van morele rechtvaardigheid.)

Wanneer men mij vertelt dat de Koran in de hemel geschreven werd en aan Mohammed gegeven werd via een engel, komt het neer op hetzelfde: van-horen-zeggen en overleveringen uit tweede hand. Ik heb de engel niet gezien en hoef er dus geen geloof aan te schenken.

Wanneer mij ook nog verteld wordt dat een vrouw genaamd Maria zwanger werd zonder met een man geweest te zijn, en dat haar man via een engel te weten kwam dat dit echt zo was, heb ik het recht zoiets niet te geloven. Geloof hieraan te schenken vereist een veel sterker bewijs dan slechts hun woord ervoor. Maar we zijn zelfs niet in het bezit hiervan, want noch Maria, noch Jozef heeft ook maar iets zelf opgeschreven. Het wordt ons slechts verteld dat zij dit zeiden ľhet is dus van-horen-zeggen op van-horen-zeggen, en ik verkies het om aan dit bewijsmateriaal geen waarde te hechten.


Het is opmerkelijk dat Ouweneel met zo'n vreemde uitspraak komt dat het "wezenlijk tot de overtuiging van de the´st behoort" dat een Godsopenbaring op een manier gegeven zou moeten worden die het voor een groot aantal mensen acceptabel maakt. Want iedereen weet toch dat dat zoiets niet genoeg is, er zijn een hoop rivaliserende schriftelijke goddelijke openbaringen die voor een groot aantal mensen acceptabel zijn als godsopenbaringen. Het behoort dus eerder noodgedwongen tot het the´sme, omdat zij niets beters heeft wat ze de wereld kan aanbieden. En de methode van schriftelijke godsopenbaring had niet slechter kunnen zijn, want het is overbekend dat er altijd een groot aantal mensen bij de neus genomen kan worden voor welke idiotie dan ook. Ik hoorde gisteren net dat er uit Nigeria van tijd tot tijd spam in de e-mail inbox van bijna iedereen komt, waarin de ontvanger van de e-mail schriftelijk wordt bekend gemaakt dat hij/zij de lotto gewonnen heeft. Om het enorme bedrag te ontvangen moet men dan wat geld overmaken voor de administratieve onkosten ofzo. Toen de verslaggever vroeg hoe het mogelijk is dat er zoveel mensen in zo'n overduidelijke val lopen, was het antwoord: "Zo zijn wij mensen nu eenmaal; het zijn er overigens niet een paar die erin lopen, het is wereldwijd een miljardenbusiness!" En of het nog niet genoeg is met zo'n onnadenkende redenering aan te komen laat Ouweneel er even later nog een sneer naar Harry Kuitert op volgen:


De theologie en de the´stische godsdienstfilosofie zagen zich meer en meer genoodzaakt zich over het begrip openbaring te verantwoorden. En dat kan geen kwaad. Zelfs voor sommige theologen was het begrip openbaring geen vanzelfsprekendheid meer. Harry M. Kuitert maakt zich van het hele begrip af op de goedkoopst denkbare wijze. Volgens hem is het nutteloos het begrip openbaring te gebruiken, ten eerste omdat allerlei elkaar uitsluitende religies zich op openbaringen beroepen, en ten tweede omdat wij dit begrip niet op exclusieve wijze kunnen gebruiken in onze dialoog met andere religies, want dit zou de dialoog bij voorbaat onmogelijk maken. Voor mij is dit ongeveer net zo'n drogredenering als te beweren dat wij ons niet mogen beroepen op de logica, omdat afwijkende standpunten zich ook op de logica beroepen.


Waar Ouweneel fout gaat is dit. The´sme moet zichzelf op elk punt wat ze naar voren schuift aannemelijker dan het tegendeel maken. Openbaring moet dus in de eerste plaats duidelijk een goddelijke werkwijze kunnen zijn. De opmerkingen van Paine en Kuitert maken echter meteen duidelijk dat dit niet mogelijk is. Er is volstrekt niets goedkoops aan hun redeneringen, maar ze zijn sluitend. De kwestie van goddelijke openbaring via heilige geschriften is daarmee definitief afgehandeld. Natuurlijk weet Ouweneel dit drommels goed, om dßßr vanaf te komen heeft hij dan ook jarenlang wetenschapstheorie gestudeerd: hij trakteert ons vervolgens weer op ettelijke bladzijden waarin hij zijn vele malen gehoorde verhaal weer afsteekt dat alle weten een "existentiŰle overtuiging van het hart" is. De gelover is door de goddelijke boodschap aangeraakt en aangesproken. Ouweneel maakt vervolgens een kleine kniebuiging voor het rationele, maar let op hoe:


...rationele argumenten spelen in dit conflict wel degelijk een grote rol,... maar of die argumenten nu sterk of zwak zijn, de rede speelt in elk geval niet de hoofdrol. Die is weggelegd voor wat ik bij gebrek aan een betere term het hart noem.


Deze woorden van Ouweneel zijn een weerkerend refrein in zijn boek. Zijn boek zou dan ook niet beter hebben kunnen laten zien dat het the´sme niet deugt dan op deze manier het religieuze geloof in elk hoofdstuk te verdedigen. Het is in intellectuele vorm exact hetzelfde wat iedere christen of moslim spammer altijd op een discussieforum naar voren brengt: "Mijn geloof is juist, omdat ik in mijn hart weet dat ik gelijk heb." Ouweneel houdt telkens de schijn op dat er ook zeer belangrijke rationele redenen zijn, maar ze zijn in het hele boek in geen velden of wegen te zien. Iedere keer als hij zich even een klein beetje inspant om wat rationele argumenten op tafel te leggen, schuift hij ze zelf meteen weer aan de kant met de erkenning dat ze maar nepargumenten zijn, en begint hij zijn verhaal weer over de existentiŰle keus waar alles om draait. Hij geeft zich dus opnieuw en opnieuw telkens bij voorbaat al over aan het hart. Het vreemde is dat hij nooit inziet dat de gezonde conclusie getrokken moet worden dat hij op een heilloze weg wandelt met zijn the´sme, maar integendeel, op het omgekeerde uitkomt: telkens zichzelf te kunnen feliciteren zo wijs te zijn om in te zien dat men de rationele factor niet zo serieus hoeft te nemen:


Daarom moeten the´sten noch athe´sten zichzelf of anderen willen wijsmaken dat hun overtuiging betreffende een goddelijke openbaring puur het resultaat van logische redenatie is. Wie dat denkt, lijkt nog steeds uit te gaan van de hopeloos verouderde mensvisie die de mens ziet als een brein op benen. Het is een belangrijk punt in mijn verhaal, dat er geen logische redenering is zonder bovenlogische, existentiŰle premissen.


Wat jammer dat Ouweneels hele boek, zijn gehele geloof aan dit scharnier draait van schoppen tegen het rationalisme. Hoe eenvoudig is het voor een gezond denkend mens in te zien dat rationalisme inderdaad niet tot het volle 100% haar claims kan waarmaken, maar men dan heel eenvoudig een klein stapje terugneemt en erkent dat overtuigingen ook met het hart te maken hebben. Maar dat is toch iets volkomen anders dan zeggen dat het hart het leeuwendeel moet innemen of inneemt bij onze positiebepaling! Het hart van de mens is namelijk tot alle denkbare capriolen, prutserijen en doorzichtige valsheid in staat. Wanneer men aan het hart is overgeleverd komt dan ook gemakkelijk de ÚÚn na de andere slogan ten gehore:


Volgens christenen kan het inzicht dat de Bijbel Godsopenbaring is alleen vrucht zijn van de Heilige Geest in het hart van de gelovige. Wie bereid is zich volkomen aan de inwerking van die Geest open te stellen, gaat het zien, zo geloven christenen.


Hoe bedroevend kan men stellingen oplepelen vanuit het hart. Men mßg eenvoudig niet een Heilige Geest als een Deus ex machina tevoorschijn toveren. Het gaat hier eenvoudig om een wet in de menselijke psyche waar iedereen bekend mee is: stel je open voor wat dan ook en die deur zal voor je open gaan. Wat heeft zoiets met een geest van God te maken? Wat anders is deze praat dan eenvoudig arrogantie om het eigen product maar voor het beste uit te roepen?


Het inzicht dat de Bijbel Gods Woord is gaat alle logische redenaties te boven. Ze is een zaak van een wedergeboren hart, en van daaruit doortrekt ze heel ons logisch redeneren. En de opvatting dat God ons in de Bijbel niet aanspreekt, of dat er geen God is die ons door de Bijbel zou kunnen aanspreken, is een zaak van het hart dat voor deze God en zijn openbaring niet wil buigen.


Wat Ouweneel hier in feite doet is alle rationaliteit weg te wuiven, rationaliteit waar wij Europeanen vijfhonderd jaar naar gezocht hebben om tot betere inzichten te komen, van tafel vegen als inferieur. Hij laat ons achter in een wereld waarin niemand een redelijk antwoord zou kunnen hebben op een volgeling van de islam:


Het inzicht dat de Koran het Woord van Allah is gaat alle logische redenaties te boven. Ze is een zaak van een wedergeboren hart, en van daaruit doortrekt ze heel ons logisch redeneren. En de opvatting dat Allah ons in de Koran niet aanspreekt, of dat er geen God is die ons door de Koran zou kunnen aanspreken, is een zaak van het hart dat voor Allah en zijn openbaring niet wil buigen.


Of een volgeling van Joseph Smith:


Het inzicht dat het Boek van Mormon Gods Woord is gaat alle logische redenaties te boven. Ze is een zaak van een wedergeboren hart, en van daaruit doortrekt ze heel ons logisch redeneren. En de opvatting dat God ons in het Boek van Mormon niet aanspreekt, of dat er geen God is die ons door het Boek van Mormon zou kunnen aanspreken, is een zaak van het hart dat voor deze God en zijn openbaring niet wil buigen.


Dat de opmerking eenvoudig onwaar is, en religieus geloof logische redenaties niet 'te boven gaat' maar eenvoudig de rede minacht en er doof voor is, wordt door alle honderden boeken met rationele kritiek op die zogenaamde Godsopenbaringen ondersteund. Het wordt ook tegengesproken door iemand als ik, die tientallen jaren vanwege het hart boog voor de openbaring van God, maar het toch ontmaskerde met de rede.
Antwoorden op Ouweneel is een eenvoudige zaak: indien u het hart wil laten winnen, welaan, u krijgt uw zin, maar dan zal het hart dat wint uiteindelijk toch het hart zijn dat bovenal de rede liefheeft, niet uw bijbel en uw God. Dßt zal de 21ste eeuw laten zien. De moslims die met hun gehele hart hebben gekozen voor hun geloof zullen het de wereld voorgoed laten zien hoe zo'n mens die met zijn hart buigt voor een God van een boek eruit ziet.