Hoofdstuk 15, De hoogste Godslastering

Ouweneel is in zijn betoog nu aangekomen op de persoon van Jezus. Hij begint met op te merken dat geen enkele thest om Jezus heen kan. Een kanjer van een bewering, maar het lukt hem het nog extremer te zeggen:


In feite geldt dat ook voor de athest, want de negatieve inhoud van diens theologie -'er is geen God'- betekent dat hij zich niet alleen over het thesme moet uitlaten, maar ook over de meest centrale figuur in de wereldgeschiedenis en in het wereldwijde thesme. Niemand kan er omheen, en niemand kan om Hem heen.


Ik zou hierop precies het tegenovergestelde redeneren: wanneer een thest met Jezus aankomt in een boek waarin het bestaan van God verdedigd moet worden, en Jezus tot spil van zijn thesme maakt, dan maakt deze gelovige het thesme alleen nog maar een graadje absurder. Het christendom -een geloof waar een mens tot God wordt uitgeroepen- staat gelijk aan het verkleinen van God, het omlaag halen van God, totdat Hij volledig mens is. Het christelijk bijgeloof laat het hele universum geschapen worden door een mens en ten behoeve van de mens. Wanneer deze gelovige het voor elkaar krijgt God mens te laten worden doet hij niets anders dan zichzelf verheffen tot het hoogste en het enige waar God mee bezig is. Christelijk geloof is God naar de pijpen van het menselijk hart laten draaien. Het christelijk geloof is de uitwerking van de hoogste vorm van arrogantie die de mensheid maar kan bedenken. Vandaar dat het ook de grootste religie werd. Niets werkt zo gemakkelijk in op de mens als een God die juist jou op het oog had en alles voor je doet. Christendom is ten diepste de aanbidding van het menszijn en men zou vanuit die optiek bezien kunnen stellen dat het de hoogste godslastering is, en men het daarom bij voorbaat al volledig links kan laten liggen, of men nu thest is of athest. In feite is dus het geloof in Jezus de kroon op de waan van de mens en een hoofdstuk over Jezus het laatste en grootste gat in de boot van het thesme, het gat dat de boot nu volledig doet zinken. Wanneer Jezus op de proppen komt hebben we het eenvoudig niet meer over thesme, maar spreken we enkel nog over tot welke absurditeit een mens bereid is te gaan in zijn religieuze waan.


Is Jezus de Zoon van God, de vleesgeworden God? Deze vraag lijkt wel de achilleshiel van van het christelijk thesme.


Zelfs de benaming "de Zoon van God" is al genoeg om te zien dat we het hier niet meer over God hebben. Jezus kan niet de incarnatie van God zijn, net zo min mijn zoon de incarnatie van mij is. De 'zoon van God' kan enkel worden verstaan als een metafoor: iemand die overeenkomstig de wil van God leeft, iemand die de hoogwaardigste mensheid belichaamt. Een christen ziet mijn hierboven uitgesproken woorden ook wel in, getuige de opmerking dat het allemaal hierom draait. Uiteraard draait voor mensen alles om de hoogste mensheid. Dt is religie. Het begrip 'God' is enkel de franje die de mens eraan gegeven heeft: de mens maakt er een 'oneindig grote' entiteit van om het indrukwekkender te maken en de idealen van zichzelf autoriteit te verschaffen. Maar zodra je om een invulling van het begrip God vraagt kom je altijd enkel op mistbanken uit en flarden van een schimmig fantoom. Maar Jezus is wat anders. Met Jezus hebben we een man van vlees en bloed die is wat jij zou willen zijn, een mens die voelt, spreekt, eet en drinkt zoals wij, maar het perfect doet, en vooral lijdt zoals de mens, maar erboven staat, het overwint; zoiets kun je begrijpen, zoiets kun je bewonderen en via zoiets kun je je eigen gevoelens tot God uitroepen. Ouweneel herhaalt nog een keer zijn in een eerder hoofdstuk uitgesproken stelling "dat het voor de hand ligt dat God Zich aan de gehele mensheid openbaart op een wijze die aannemelijk en eenduidig is voor alle mensen die ervoor open staan". Ach ja, je moet ervoor open staan, voor die arrogantie en domheid van de mens die uitspreekt dat het voor de hand ligt zichzelf te verheffen tot het hoogste wat er in het gehele universum rondloopt, die zijn gevoelens tot enige en hoogste graadmeter voor de waarheid laat zijn. Ouweneel noemt het "de meest directe, meest eenduidige, meest indrukwekkende, meest indringende manier voor God om zich te openbaren". Wat hij in werkelijkheid zegt is dat het de truc is die het beste werkt als het erom gaat de mens te verleiden: Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is het allermooiste in het hele land? Jij bent het, mens, jouw liefste gevoelens zijn het! Zelfs God ligt aan jouw voeten en lijdt en sterft voor jou en doet niets anders dan om jou heendraaien. Vraag Hem om iets en Hij zal het je geven, want Hij is jouw loopjongen. En geloof in iets, en Hij zal alle bergen voor je verzetten, want hij staat altijd tot jouw dienst. En blaat en mekker een beetje zielig dat je verdwaald bent en hulp nodig hebt, en Hij laat alles in de steek om jou te zoeken!"
Het is hierna alleen nog maar de kunst om het de schijn de geven dat het omgekeerd is. Jij moet er goed op oefenen om uit te spreken dat jij aan godsdienst doet, dat jij de nederigheid zelve bent, dat jij onvolkomen bent en eigenlijk helemaal niets verdient. Maar wat is er gemakkelijker voor de mens dan doen alsof en zelfs jezelf om de tuin te leiden en te denken dat je oprecht bent? Iedereen heeft als klein kind al geleerd hoe hij snoepjes kan krijgen. Je vouwt je handjes samen, je kijkt heel zielig naar de volwassene en zegt met vertederende, smekende stem, "please, ntje is al genoeg." Stapel zo veel mogelijk vleierij op de volwassene, zeg voortdurend dat je vader of moeder de allerliefste en allerbeste is, dan kun je hem/haar volledig om je vingers draaien, en wanneer je je snoepje krijgt dan zul je vast zeggen dat je het meende en je vader en moeder de allerliefste en allerbeste zijn. Tsja, er zijn natuurlijk ook van die situaties waarin het anders loopt. Je met naar school, en je met op tijd naar bed, en je mag een TV-programma niet kijken, en krijgt op school een dreun op je kop, je merkt er opeens niets meer van dat je zo belangrijk bent, je wordt maar van hot naar her gesleurd, en wordt gedwongen een toontje lager te piepen. Maar na even oefenen wordt het alleen maar ng mooier! Zo leer je te worstelen, dwz zo word je een held, zo leer je jezelf in ng mooiere en grootsere kleren uitgedost te zien. Wanneer je maar flink worstelt met God kun je als beloning het woord eerlijkheid op je lijf spelden. Tch blijven geloven, ondanks alles, dt is pas heldhaftig, diepzinnig en groots!


Het staat de athest natuurlijk vrij om het idee van zo'n incarnatie belachelijk te vinden. Maar er zijn zoveel andere ideen in de geschiedenis van de mensheid geweest die sommigen belachelijk vonden, maar die een groot deel van de mensheid hebben veroverd. Het feit dat iemand een idee belachelijk vindt, zou wel eens minstens zoveel over die persoon als over dat idee kunnen zeggen.


Ik zou inderdaad hopen dat dit laatste waar is. Er zijn vele zaken in de wereld die ik belachelijk vind, terwijl ze door miljoenen in de wereld gevierd worden als mijlpalen en hoogste invullingen van het menselijk denken. Zoals dat koeien heilig zijn, er onaanraakbaren of door demonen bezeten mensen rondlopen, je een vrouw moet inpakken zodat je er niets meer van kan zien, dat je stukken van de genitalin moet afsnijden om er een God mee een plezier te doen, dat je honden niet mag aanraken, dat je geen ongelovigen tot vriend mag maken, dat er een hel bestaat, dat mensen het presteren naar de bioscoop te gaan om de jezusfilm van Mel Gibson te bekijken, dat mensen zelfs ter nagedachtenis het vlees eten en het bloed drinken van iemand die als offer voor God geslacht is, en ga zo maar door. En ik hoop inderdaad dat het wat van mij zegt als ik ze belachelijk en primitief vind.


Maar voordat men een idee als belachelijk terzijde schuift, moet men er toch minstens enige aandacht aan geschonken hebben. Mensen die zichzelf 'weldenkend' noemen en drom niet over het idee van een goddelijke incarnatie willen nadenken, spreken zichzelf tegen.


Het bevreemdt mij zeer dat Ouweneel keer op keer denkt dat athesten nooit denken, laat staan iets overdenken. Waar haalt hij toch dat rare idee vandaan?


Op z'n minst is het de moeite waard over de goddelijke incarnatie na te denken, omdat het idee van Jezus Christus als de Zoon van God vele eeuwen lang in het grootste deel van Europa en onder zijn grootste geesten vanzelfsprekend was.


Maar wanneer een athest dat doet, en hij juist daarom overweldigd wordt door de zware last van primitief menszijn, en het dan uitschreeuwt dat we geestelijk op moeten groeien en naar de rede moeten gaan luisteren, en het oude definitief achter ons moeten laten, dan wordt hij weer uitgemaakt voor athest met 'religieuze ijver', een onverdraagzaam mens, in strijd met hooggeloofde waarden zoals democratie en vrijheid, een mens die aan de weg timmert voor de onderdrukking van religie...


De allesovertreffende betekenis van Jezus Christus voor de westerse beschaving mag blijkbaar niet meer waar heten.


Ik heb er geen enkel probleem mee. Men hoeft slechts wat genuanceerder, wat rationeler te denken over Jezus. Voor zover we van de jezusmythe een persoon kunnen maken belichaamt hij bepaalde idealen in een mens. Er zijn een hoop geweldige zaken die via het verhaal van Jezus tot ons bewustzijn zijn gekomen, zoals "wie zonder zonden is gooie de eerste steen", en zijn gebaar de voeten van zijn discipelen te wassen. Zulke zaken zijn diep in ons bewustzijn gegraveerd, ik draag ze graag mee als athest. Maar een athest ziet ook de minder mooie zaken, iets wat voor een gelovige onmogelijk is, en is bovendien gestopt met de kinderachtige zaken in de jezusmythe, het bijgeloof. Er is niets kinderachtigers dan Jezus tot God maken, en zijn godheid aantonen met verhaaltjes als een maagdelijke geboorte, lopen op water, water in wijn doen veranderen, een blinde met een mengsel van zand en speeksel dat op de ogen gelegd wordt weer ziende maken, overal om ons heen engelen en demonen te verzinnen, of een opstanding uit de dood en hem naar boven zien op te stijgen. Om via wonderen een God te kunnen zijn had Jezus op z'n minst een tweede maan tevoorschijn moeten toveren, en op z'n minst moeten doen wat hij zei: spoedig terugkomen en op z'n minst bij zijn eerste komst al moeten doen wat aangaande z'n tweede komst wl wordt beloofd: zich aan ieder oog laten zien als de gencarneerde God.


Ouweneel is boos omdat een verwijzing naar het christendom geweerd werd uit de tekst van de nieuwe grondwet voor de EU, terwijl er wel een verwijzing naar de grieks-romeinse oudheid goedgekeurd werd, maar hij schijnt niet in te zien dat het christendom eenvoudig n van die producten van die grieks-romeinse oudheid is. Christendom is grieks-romeinse godsdienst met een laagje joods denken erop gesmeerd, een laagje dat z dun is dat er bijna geen jood aan mee wil doen (joden en islamieten hebben tenminste nog onthouden dat thesme iets met God te maken moet hebben). Het christelijk geloof met zijn mensgod is in de eerste plaats typisch hellenistisch heidendom. Het apart te vermelden is teveel van het goede, want de religie uit de oudheid, -het meergodendom, overal boze machten om je heen, het aardse leven als een wedstrijdje voor de latere hemel of hel te bezien, bijgelovig overal wonderen om je heen te zien-, praten tegen een imaginaire persoonlijke god enz enz is nu net n van die aspecten van de oudheid waar de moderne mens volledig uit weggegroeid is en niet meer met zich mee wil slepen, net zo goed als men niet op een verwijzing zit te wachten naar Wodan en Thor. Hoe het zit met het christelijk geloof is al meer dan twee eeuwen geleden in de meest heldere bewoordingen uiteengezet door Thomas Paine:


Het is echter niet moeilijk te verklaren hoe men ertoe kwam Jezus de Zoon van God te noemen. Hij werd namelijk geboren in een tijd dat de heidense mythologie nog steeds in de mode was en opgang deed, en deze mythologie had mensen voor zon verhaal opgeleid. Vrijwel alle mannen van naam in die heidense mythologie waren mensen waarvan gezegd werd dat ze de zonen van n van hun goden waren. Het was bepaald geen nieuwtje dat iemand een hemelse afkomst had. Gemeenschap van goden met mensen was in die tijd een doodnormale zaak. Hun Jupiter had met honderden geslapen. Het verhaal was dus noch nieuw, noch wonderlijk, zelfs niet obsceen. Het was eenvoudig overeenkomstig de gedeelde opinie onder de heidenen, en het waren dan ook slechts de heidenen die er geloof aan schonken. De joden, die heel streng in n God geloofden, en zich ver hielden van heidense mythologien, schonken nooit geloof aan dit verhaal.
Het is interessant op te merken hoe de theorie van wat men de christelijke kerk noemt uit de staart van de heidense mythologie sprong. Zoals we zagen werd de heidense mythologie al met huid en haar overgenomen door de zogenaamde stichter ervan een hemelse afkomst te laten hebben. De drie-eenheid die er weer uit voortvloeide was niets anders dan een reduceren van het meergodendom. Het beeld van Maria was de opvolger van de Diana van Efeze. De vergoddelijking van helden werd vervangen door het heilig verklaren van heiligen: De antieke religies hadden goden voor alles, het christendom had heiligen voor alles. De kerk werd zo versierd als het pantheon eens werd versierd, en Rome was op dezelfde plaats het centrum van beide religies. Het christelijk geloof is weinig anders dan het antieke heidendom en geschoeid op de leest van het verkrijgen van zoveel mogelijk macht en geld. Rest ons slechts de taak van rede en diepzinnig denken om verlost te worden van deze valsemunterij.


Hoezeer Ouweneel nog in dit mythisch wereldbeeld stammend uit de heidense oudheid vast zit laten deze woorden op een kostelijke wijze zien:


Als in de persoon van Jezus Christus de Schepper-God komt participeren in zijn eigen schepping, om haar te verlossen van alle kwaad en leed dat haar aankleeft, dan is te verwachten dat alle machten van het kwaad zich onmiddellijk tegen Hem verheffen.


In onze tijd is deze zin eenvoudig van begin tot eind onzinnig. Een bizar opgemaakt verhaal dat in alle serieusheid de werkelijkheid waarin we leven denkt te beschrijven. Een godmens die neergezet wordt als de schepper van het heelal, die in zijn eigen schepping komt 'participeren' (deelnemen), om haar te verlossen van alle kwaad en leed... -wacht eens even: het was toch zijn eigen schepping? Hoezo is het allemaal kwaad en leed? En om te verlossen van alle kwaad en leed? In de dromen van de gelovige dan zeker? Want we kijken ons heen en het maakt echt niet uit of je nu naar vr of n Christus kijkt, er is weinig of niets veranderd aan kwaad en leed. Wat er aan leed verminderd is -toch wel een hoop wanneer je er over nadenkt-, is allemaal te danken aan de voortschrijdende techniek van de laatste paar eeuwen. En wat moet een modern mens nu met 'de machten' van het kwaad? Wat met een modern mens met zo'n mythe die geen enkel raakpunt heeft met de wetenschappelijke realiteit van het bestaan en echt nergens op slaat?


Er steekt in Jezus' executie iets zeer geheimzinnigs. Hoe konden de Joodse leiders van die tijd Jezus veroordelen op basis van hun Torah -het ontzagwekkendste geschrift dat de mensheid toendertijd ooit gezien had- terwijl Jezus de meest getrouwe Torah-onderhouder en -verkondiger was die men zich kon voorstellen?


Wel, niets is gemakkelijker om te ontzenuwen. Er was hier niets geheimzinnigs aan het werk. Slechts de werking die alle boekgodsdienst altijd heeft: fanatisme! Hetzelfde geheimenis is hier altijd aan de gang, vanaf de joodse Maccabeen tot aan de Twin Towers. Terwijl Jezus een prediker van geweldloosheid was, werd later in naam van het christendom meer geweld gepleegd dan in alle andere godsdiensten tesamen. Hetzelfde fanatisme aangaande rechtzinnigheid zien we in het lot van Jezus. De overpriester scheurde zijn ongetwijfeld dure kleren toen hij Jezus zijn godslastering hoorde uitspreken. Boekgeloof en fanatisme, het is net geen equivalent van elkaar, maar ver mis zit je ook niet wanneer je ze gelijk stelt. Ouweneel zelf zegt dat hij maar n verklaring kent voor de "verbijsterende terechtstelling" van Jezus:


Er was iets met Jezus, dat maakte dat alle neutraliteit of objectiviteit tegenover Hem onmogelijk was. Je kon Hem alleen maar liefhebben en je aan Hem onderwerpen -of Hem zo hartgrondig haten dat je Hem alleen maar dood kon wensen.


Alweer, dit gaat enkel op in de verhitte sfeer van een maatschappij die tot in de puntjes onder het juk leeft van boekgodsdienst. Het is de sfeer van zo'n godsdienstfanatisme dat de gemoederen zo ophitst. Zo'n opmerking van Ouweneel is enkel het product van de boekgodsdienst, iets wat ze week in week uit tegen de gemeenteleden predikt. Ouweneel hoor je het even later wr herhalen:


Uiteindelijk zijn er niet zoveel andere mogelijkheden dan f je zover mogelijk van het boek vandaan te houden in zelfingebeelde neutraliteit, f je in walging en haat van het Nieuwe Testament af te keren, f je neer te buigen voor de gestorven, en opgestane en ten hemel gevaren Heer die in dat boek wordt gepresenteerd.


Hierop zou ik Ouweneel willen antwoorden dat voor zover deze afkeer, haat en walging al in athesten te bespeuren zijn, zij het gevolg zijn van de altoos en eeuwige aanslag die gelovigen plegen op alle ongelovigen: het tot treurens toe willen evangeliseren van anderen en hen bij voorbaat al als dwalenden en vijanden van God te beschouwen; het gaat niet om de 'zelf-ingebeelde neutraliteit' van de athest, maar om de creatie van de vijand waar de boekgelovigen zelf verantwoordelijk voor zijn.
Maar laat je een modern mens aan zichzelf over dan zal men opmerken dat die persoon geestelijk opgegroeid is; hij/zij kan iemands leringen en persoon best liefhebben, maar de hele gedachte van 'je onderwerpen' komt eenvoudig niet op. Het behoort eenvoudig niet meer tot onze cultuur. Hij/zij zal het op bepaalde punten eenvoudig oneens zijn met de ander, en daarmee is voor zo'n persoon de kous in de regel af.


Het is trouwens een zeer geforceerde opvatting die Ouweneel oplepelt, dat Jezus de meest getrouwe Torah-onderhouder en -verkondiger was die men zich kon voorstellen. Als ik in de tijd van Jezus als jood geleefd zou hebben zou ik zeker een Sadduceer zijn en mijn wenkbrauwen fronsen en zeggen: "Waar haalt die gast het lef vandaan zichzelf later op een hemelse troon te zien zitten, te denken dat hij later op een rechterstoel zit en schapen van bokken gaat scheiden, de eersten naar een eeuwig leven stuurt en de tweeden naar een gehenna dat brand van vuur en waar mensen knarsetandend in moeten lijden. Niets hiervan staat in de Torah, niets over eeuwig leven, niets over hemel en hel en niets over een laatste oordeel. Dat er mensen zijn die beweren dat Jezus de Torah onderhoudt is eenvoudig een grote leugen. Hij werkt bijvoorbeeld op de sabbat en verklaart al het voedsel rein. Jezus God? Welaan, als het waar is dan is de Torah niet waar en hebben we nooit eerder wat van God begrepen noch gehoord."
Ik zou me ook kunnen voorstellen dat ik een geletterde hellenistische jood geweest had kunnen zijn, die vanwege zijn ontwikkeldheid wel wat zag in Jezus omdat hij met de oude wet de vloer aanveegde en iets beters op het oog had. Maar 'me onderwerpen' was ook in die tijd voor ontwikkelde personen niet iets wat opkwam. Het hele gnostische christendom is er het bewijs van dat alle wonderverhalen latere verzinsels waren. Duizenden christenen hadden eenvoudig geen weet van en geen behoefte aan een wonderwerker, maar zagen Christus als een innerlijk principe dat in ieder mens tot bloei kan komen; dit zou onmogelijk te verklaren zijn indien er een echt historisch persoon had rondgelopen die al deze dingen letterlijk gedaan had, en het christendom oorspronkelijk drop gebaseerd was. Ook het feit dat er geen enkele bronnen zijn die in de tijd dat Jezus optrad geschreven zijn laat zien dat het eenvoudig fabels zijn. Indien er echt zo'n fabuleuze unieke wonderwerker en -in Ouweneels woorden- "grootste prediker van wijsheid, vrede, gerechtigheid en verlossing die de mensheid ooit heeft gezien"- had rondgelopen zou dit door anderen beschreven zijn op het moment dat deze dingen allemaal plaatsvonden. Indien hij de incarnatie van God was en een universele goddelijke boodschap had die tenminste tweeduizend jaar lang mee moest en de hele wereld door gepredikt zou moeten worden is bovendien het minste wat we van hem zouden kunnen verwachten dat hijzelf die leer op papier zou hebben gezet en dat God ervoor zou hebben gezorgd dat het origineel bewaard zou blijven. In plaats daarvan hebben we niets over Jezus dan ettelijke verhalen van-horen-zeggen van n of twee of drie generaties later en oudste manuscripten die van eeuwen later dateren en allemaal copien van copien van copien zijn. Slechts enkele versies over Jezus zijn in overeenstemming met elkaar te brengen (en bepaald niet op bevredigende wijze) en tot heilige boeken verheven. De anderen zijn voor het gemak maar doodgezwegen of zelfs vernietigd.


Allerlei auteurs hebben er in het verleden op gewezen dat je in feite slechts de keuze hebt uit vier houdingen tegenover Jezus: He is a legend, a lunatic, a liar, or Lord....
En optie heb je redelijkerwijs in ieder geval niet: je kunt niet zeggen dat er zoveel boeiende, belangrijke en behartigenswaardige elementen in de leer van Jezus schuilen, ja, dat Hij n van de grootste leraars van de mensheid is geweest, maar dat hij 'natuurlijk' niet de Zoon van God c.q. de incarnatie van God was. Die optie heb je niet omdat Jezus zelf claimde de Zoon van God te zijn.


Het christelijk denken laat hier volop zien hoe klein en hopeloos beperkt het uitzicht op zaken is. Natuurlijk heb ik die optie wel. Ik voor mij kies voor de optie dat Jezus geheel of voor het grootste gedeelte de uitwerking van een mythe is. Voor het eerste verwijs ik naar het boek van Earl Doherty, The Jesus Puzzle om daar meer over te horen, en voor een iets minder radikale positie boeken van bijvoorbeeld Burton Mack, Who Wrote the New Testament - The Making of the Christian Myth, of George Albert Wells Cutting Jesus Down to Size of Robert M. Price The Incredible Shrinking Son of Man. Ik heb dus weinig te maken met wat Jezus zogenaamd claimde omdat hij wat mij betreft nooit zulke dingen geclaimd heeft en voor het merendeel een gefabriceerde personage is. Ik zit enkel met ideen die bepaalde mensen op het eind van de eerste eeuw -opgegroeid in een joods-heidens klimaat en voorwetenschappelijke periode- hebben opgeschreven. Sommige ethische zaken vind ik zo gek nog niet en spreken mij wel aan, andere ethische zaken zie ik als niet goed genoeg of zelfs ronduit vals of schadelijk (zie deze kritiek). Sommige zaken zijn vanuit ons moderne perspectief kinderachtig, zoals beloning in een hemel, geloof in magische wonderen, of het eschatologische einde wat voor de deur staat, of een persoonlijke God tegen wie je kan praten en die je steeds maar zegeningen van boven schenkt, andere zaken stuitend, zoals je omgeving bevolkt te zien door demonen, of de mensheid in tween in te delen, in zij die behouden worden en zij die verloren gaan, sommige zaken begrijpelijk en andere zaken totaal onbegrijpelijk. Maar ik zie volstrekt geen reden om het evangelie ook maar n moment serieus te nemen als een godsopenbaring. Geen modern mens die niet als kind al is gendoctrineerd met het evangelie kan de verhalen over Jezus serieus nemen als iets dat de waarheid vertelt over een God die zich incarneert. Maar al zou ik me serieus afvragen of het een godsopenbaring zou kunnen zijn, dan nog is er niets dat mij overtuigt erin te gaan geloven, maar word ik terwijl ik nog in de startblokken sta al tot de omgekeerde conclusie gedwongen. De incarnatie van een God is namelijk volkomen in strijd met het meest fundamentele dogma in het oorspronkelijke joodse geloof, dat God niet in een beeld uit te drukken is en men zich daarom geen beeld van God mag maken. Wat anders is de incarnatie dan een menselijk beeld van God maken? Ook die eerste gelovigen die het Nieuwe Testament schreven waren er zo onduidelijk en tweestrijdig over dat het wel vierhonderd jaar duurde en geloofsvervolgingen waren uitgebroken voordat de drie-eenheid eindelijk op papier stond en als een feit werd beschouwd. Het Johannesevangelie mag Thomas dan laten uitroepen "Mijn Heer en mijn God!", maar dit is in volledige tegenspraak met de synoptische evangelin, waar we niets van deze gelijkstelling kunnen lezen. En wat mij betreft zou de uitroep van Thomas het eerste eeuwse equivalent kunnen zijn van het "Oh my God!" wat men dagelijks in Amerika moet aanhoren wanneer iemands mond van verbazing open gaat.



Boswachtervervolg

Ik word nu opeens geconfronteerd met een vervolgverhaal van Ouweneels "de Boswachter en de spin". Laten we eens zien hoe hij zijn verhaal nu verder laat gaan:


Stel dat de Boswachter erachter komt dat er plannen bestaan het hele bos met de grond gelijk te maken. Uiteraard kunnen de vogels en reptielen en zoogdieren wel ergens anders naartoe gaan, maar hoe zit het dan met die kleine beestjes? De Boswachter zou natuurlijk zijn spinnen met een spinnentoeter allemaal kunnen waarschuwen. Maar sommige spinnen hebben al zoveel toeters gehoord en storen zich er niet aan. Hij kan ze natuurlijk weer een boekje geven, maar wellicht luistert het merendeel er niet naar vanwege die ametsvaristen die er steeds maar rondlopen en altijd pientere tegenwerpingen weten te geven die de zaak twijfelachtig maken. Maar stel nou dat hij zielsveel van spinnen houdt! Wat is dan de meest directe, meest eenduidige, meest indrukwekkende, meest indringende manier om hen te bereiken? Dat is zelf een spin worden, onder hen een tijdlang te verkeren en hun persoonlijk, als spin onder de spinnen, uit te leggen hoe zij aan de dreigende ondergang kunnen ontkomen. Hij zou dan in de eerste plaats een geloofwaardige incarnatie moeten zijn. Het moet dus een Spin met een hoofdletter zijn die dan rondloopt, een Spin die zo totaal anders is, niet als een psychopaat uiteraard, maar als een Spin die hoog boven alle andere verheven is. Maar zoiets is ng niet genoeg, want we hebben geweldige spinnen zoals Spin-oza die toch maar gewoon als spinnen te herkennen zijn en nooit wat anders van zichzelf beweerd hebben. Hij zou dus met een claim moeten komen dat Hij de Boswachter is! En dit is nu net wat Jezus voortdurend doet.


Tot zover het vervolg van Ouweneels spinnenvergelijking. Laten we het verhaal weer eens analyseren. Ten eerste: waarom zou de Boswachter horen dat er plannen bestaan het hele bos met de grond gelijk te maken? In Ouweneels optiek staat er niets en niemand boven de Boswachter. Het is dus volkomen ondenkbaar, tenzij hij een nepboswachter is. Hier gaat zijn verhaal op onbegrijpelijke wijze uit als een nachtkaars, en met dat verhaal ook het christendom, dat inderdaad ook op zo'n wereldwet boven God gebaseerd is (bijvoorbeeld dat God niet om niet kan vergeven, maar zijn rechtvaardigheid een offer vereist). Ten tweede boort Ouweneel het profetische getuigenis (de toeters van God) en de schriftelijke openbaring zelf al de grond in als ontoereikende middelen van openbaring.


Laten we nu noodgedwongen zijn verhaal eens aanpassen op de manier waarop het christelijke denken het ook doet: de spinnen van de Boswachter ontwikkelen zich tot termieten en knagen alle bomen langzamerhand kapot, iets wat allemaal hun schuld is. Dt zou inderdaad voor de Boswachter een reden zijn om er wat aan te doen. Maar alweer, dan rijst de vraag: indien de Boswachter de schepper van zijn bos is, dus zeg maar zelf de juiste spinnen er in uit heeft gezet, waarom knagen die spinnen opeens alsof ze iets anders zijn dan spinnen? Van mensen wordt gezegd dat ze geschapen zijn naar het evenbeeld van God. We moeten dus verwachten dat de Boswachter spinnen in zijn bos heeft neergezet die precies de webben spinnen die Hij voorzien heeft en op het oog heeft. Indien niet, dan is het weer een klungel van een Boswachter, en had hij een beter spinnenboek uit de bibliotheek moeten halen om kennis over de juiste diersoorten die Hij in zijn bos wil laten rondlopen op te doen. Maar goed, we weten dat de christenen op dit punt een zondeval inlassen, een hopeloos en wetenschappelijk op geen enkele manier te verantwoorden denkbeeld. Maar zelfs wanneer ze termieten worden en het bos door hun eigen schuld vergaat, dan vergaan de mislukte spinnen toch en is de Boswachter toch af van zijn probleem? En uit een paar zaadjes van de bomen van het bos zal uiteindelijk weer een nieuw bos groeien. Waar maakt die Boswachter zich dus druk over? En zelfs als zouden er geen zaadjes van bomen overblijven, met het oog op het uitgestrekte heelal is een aarde meer of minder ook niet iets om je zeer druk om te maken. Zelfs al zou die aarde uniek zijn in het universum is er nog geen man overboord. De omvang van de catastrofe van het verdwijnen en mislukken ervan voor een God kan men meten aan de vergelijking dat een Boswachter zou opmerken dat zijn mobiele telefoon uit zijn zak gevallen is, terwijl hij over de macht bezit met een knip van zijn goddelijke vingers weer een gloednieuwe in zijn handen terug te krijgen. We zien dus dat een God die "zielsveel van spinnen houdt" sowieso een onmogelijk denkbeeld is voor een God. Er is eenvoudig niets waar Hij zuinig op zou moeten wezen, wat uniek zou zijn voor Hem, nog afgezien van het feit dat Hij sowieso al perfect is en dus berhaupt geen behoefte aan liefde kan hebben.
Maar goed, laten we weer meegaan met Ouweneel en stellen dat om de n of andere reden de Boswachter toch zielsveel van zijn spinnen -die zich altijd en overal en zonder uitzondering als termieten gedragen- houdt. Wat een vreemde zaak in dat geval, want dan hij houdt Hij dus van iets wat helemaal niet bestaat, maar Hij op het oog heeft en in de eerste plaats al had moeten scheppen! Maar laten we voor de zoveelste maal dan weer een absurditeit voorbijgaan. Dan rijst vervolgens de vraag: Waarom geeft Hij om tot een oplossing te komen de termieten niet de rede -anders gezegd: het goddelijk bewustzijn van de Boswachter? Dan zouden ze zich gedragen als behoorlijke spinnen. Indien het niet n, twee, drie lukt ze dit te geven, waarom laat Hij ze niet ontwikkelen tot termieten die telescooplenzen uitvinden, vleugels, zodat ze opeens begrijpen wat ze fout doen en met het knagen van bomen ophouden? En let nu op: dat is juist wat is gebeurd in de laatste eeuwen. Spinnen die langzaamaan opgroeien tot Bovenspinnen en het bos waarin ze wonen kunnen overzien en plannen. Maar de Boswachtergod van Ouweneel heeft geen andere werkmethode dan het beschuldigen van spinnen, het aanwakkeren van hun angsten en het uitbuiten van hun emoties, hetgeen altijd uitloopt op fanatisme en krampachtigheid. Er is nooit iets echt moois aan christelijk geloof. Iets wat honderd procent eerlijk is, stralend, onschuldig als een kind, vrij dartelend en rondvliegend. Wanneer je de zaken goed overdenkt kom je gemakkelijk op het volgende uit, en ik nodig de lezer uit om dit eens lang te overdenken: athesme is het volwassen worden van de mens, dwz het steeds meer groeien van de mens in de richting van wat hij vroeger God noemde. En thesme is eenvoudig de poging de mens zo'n klein kind als mogelijk te houden. Als men een beetje gemeen zou willen zijn zou men het tegenwoordig de werking van waar men vroeger de benaming 'de duivel' voor had, kunnen noemen. Gelukkig voor gelovigen zijn de meeste athesten echt volwassen, en staan ze kinderen die moord en brand schreeuwen, klagen en hardnekkig niet willen luisteren in de regel als onderwijzers met de autoriteit van rust en rede te woord


Laat deze athest-onderwijzer zijn les eens af maken: gelovige jongens en meisjes, in een verhaal waarin de Boswachter spin wordt is echt niets wat klopt. Hoe totaal anders de Spin ook zou zijn aan zijn soortgenoten en hoezeer hij ook boven de andere spinnen uit zou steken, hij zou de Boswachter niet kunnen belichamen. Hij zou niets kunnen uitleggen van Staatsbosbeheer, van hoe en waarom het geweer werkt, waar men het hout van bomen voor kan gebruiken, hoe de hond in elkaar zit, hoe Hij 's avonds aan z'n computer zit, of aan de TV gekluisterd zit, een roman leest, van Bourgogne en de Turangalila symfonie van Messiaen houdt enzovoort. Als hij spin moet zijn dan is het uitgesloten dat hij ook maar iets bekend zou kunnen maken van de gedachten en handelingen van de Boswachter, want het zou eenvoudig abracadabra zijn voor spinnen. Men moet zich een God als wezen ng groter indenken dan een Boswachter is voor spinnen. De vergelijking van mij met een bacterie komt er al wat dichter in de buurt. Als ik me opeens zou moeten incarneren tot een bacterie in mijn eigen buik, en dan alle bacterin in mijn buik duidelijk moet maken wie Ik ben, dan is dat eenvoudig niet mogelijk omdat de bacterin tegen wie ik moet spreken geen hersens genoeg hebben om er iets van te verstaan. Zij kunnen enkel denken op het niveau van een bacterie. Zij kunnen zich niet eens de meest elementaire voorstelling maken van een Mens. Ik zou ze niet eens duidelijk kunnen maken dat een mens een oog heeft, laat staan ze iets kunnen vertellen over menselijke moraal. Anderzijds, hoe zou ik mijn Menszijn kunnen behouden in de vorm van een bacterie? Mijn Menselijk bewustzijn zou met geen mogelijkheid passen in hun organisme, en wanneer ik tot bacterie geperst wordt is er er vrijwel niets meer over wat ik Menselijk zou kunnen noemen. En deze vergelijking gaat nog steeds mank: hoeveel groter nog is het verschil tussen een denkbeeldige God die het universum geschapen heeft en de mens? De goddelijkheid van een Wezen dat Ouweneel op het oog heeft zou Zijn goddelijkheid met geen mogelijkheid kunnen persen in de hersens van een mens.
Het enige waar iemand die met incarnatiedenkbeelden mee speelt is het menszijn. Lees weer die woorden van Feuerbach: "Maar in religie beschouwt men zijn eigen latente natuur." Over de incarnatie schrijft Feuerbach oa dit:


Het is het bewustzijn van liefde waarmee de mens zichzelf verzoent met God, oftewel met zijn eigen natuur die hij in de vorm van een morele wet neerzet. Het bewustzijn van goddelijke liefde, of wat op hetzelfde neerkomt, de overdenking van God als menselijk, is het mysterie van de Incarnatie. De Incarnatie is niets anders dan de praktische, stoffelijke manifestatie van de menselijke natuur van God. God werd geen mens ten behoeve van zichzelf; de behoefte van de mens -een behoefte die men nog steeds aantreft in het religieuze gevoel- was de oorzaak voor de Incarnatie. God werd mens uit genade. Bijgevolg was hij in zichzelf al een menselijke God voordat hij een bepaald mens werd. Want menselijke behoefte, menselijke ellende greep zijn hart aan. De Incarnatie was een traan van goddelijke ontferming. De Incarnatie was dus bijgevolg de zichtbare komst van een Wezen dat menselijk gevoel had en daarom in wezen menselijk is.
Indien onze gedachten bij de Incarnatie stoppen bij het feit dat God mens werd, is het inderdaad een verrassend, onverklaarbaar en prachtige gebeurtenis. Maar de gencarneerde God is slechts de verschijning van de vergoddelijkte mens. Het neerdalen van God tot het menselijke gaat tegelijkertijd met het opstijgen van de mens tot God. De mens was al in God, was in feite al God zelf, vrdat God mens werd, vrdat hij zichzelf toonde als mens. Hoe anders zou God een mens kunnen worden? De oude waarheid dat uit niets niets kan ontstaan (ex nihilo nihil fit) gaat ook hier op.