Hoofdstuk 16, De religieuze kaars dooft uit

We naderen het einde van Ouweneels boek De God die is. Het laatste hoofdstuk in zijn boek is genaamd 'uitleiding'. In dit voorlaatste hoofdstuk zal het dus zeker de bedoeling zijn naar een climax toe te werken. De climax is zoals we al weten uit het vorige hoofdstuk Jezus, en het overweldigende van zijn persoon probeert Ouweneel te onderstrepen door twee hoofdstukken aan hem te wijden. Om zijn evangelische achterban ermee te imponeren heeft hij dit onderwerp voldoende geslaagd uiteengezet om handgeklap op te wekken. Aad Kamsteeg schrijft in zijn recensie: "Het hoofdstuk over Christus vormt naar mijn mening het hoogtepunt van Ouweneels boek." Blijkbaar bedoelt hij er het vorige hoofdstuk mee, waarin Ouweneel het incarnatie-idee geloofwaardig probeerde te maken en er een ophemeling van Jezus' karakter, leer en goddelijke aanspraken aan toevoegde. Zowel op het n als op het ander viel zoals we gelezen hebben nogal wat aan te merken. Dit tweede deel over Jezus behandelt de kern van het christelijk geloof, oftewel "het werk van Jezus". Hier bereikt de waan van de christen inderdaad zijn hoogtepunt, en het is dan ook op dit punt dat ik me het felst uitspreek als een antichrist.


Ouweneel komt eerst met de opmerking die je in ieder christelijk traktaat van de doorsnee straatevangelist kunt tegenkomen, namelijk dat Jezus zeer opmerkelijk "tientallen gedetailleerde voorzeggingen in het Oude Testament tot op de laatste bijzonderheid heeft vervuld." Ik heb deze claim al eens uitvoerig onder de loep genomen en geef als reactie dat iemand met zoveel intellect als Ouweneel zijn integerheid volledig overboord gooit wanneer hij na zo lang op de bijbel gestudeerd te hebben doodleuk met zo'n overstatement kan aankomen. Het is in andere woorden een schoolvoorbeeld van misleiding.
Hij gaat in dezelfde trant verder wanneer hij -alweer net als in de evangelisatietraktaten- stelt dat het opstandingverhaal van Jezus ons zogenaamde feiten geeft waar we niet omheen kunnen:


Bekende historici en juristen (zie de citaten boven dit hoofdstuk [Ouweneel doelt op figuren die respectievelijk 200 jaar en 100 jaar geleden geleefd hebben]), beiden getraind om historische en juridische bewijzen te onderzoeken en te toetsen, hebben boeken volgeschreven om te onderstrepen dat de opstanding van Jezus Christus op de derde dag na zijn kruisiging niet redelijkerwijs kan worden geloochend -tenzij men de feiten niet wil zien en zich terugtrekt in zijn eigen vooroordelen. Sommigen van die onderzoekers, zoals de journalist Frank Morison (1930), begonnen zelfs te schrijven met de bedoeling deze opstanding van de hand te wijzen. Ze moesten echter vervolgens erkennen dat Jezus' opstanding, mede gemeten naar de gevolgen ervan, het overtuigendste en belangrijkste feit uit de geschiedenis is.


Let op hoe slinks Ouweneel dit "overtuigendste en belangrijkste feit uit de geschiedenis" verwoordt: hij voegt er de woorden "mede gemeten naar de gevolgen ervan" aan toe. Het is duidelijk dat zijn woorden na deze toevoeging stand houden al zou het opstandingsverhaal de grootste leugen zijn die er in de geschiedenis van de mensheid maar te boek staat! Ik heb geen enkele waardering voor teksten waar men in iedere opleiding voor propagandisten een tien voor zou krijgen. Ik sta enkel paf dat iemand met een groot intellect zich zo totaal heeft uitgeleverd aan een ideologie dat hij zich volledig tevreden stelt met het overschrijven van woordjes die in ieder jehovagetuigetraktaat staan die iedere sobere denker meteen de prullenmand in gooit. Alle evangelin zijn tendensgeschriften geschreven door christenen n, twee of drie generaties n de gebeurtenissen die ze zogenaamd beschrijven. Om herop je onderzoek te baseren en te gaan kijken of het je overtuigt (zoals Frank Morison deed in het boek Who moved the Stone, dat christenen wel een miljoen keer op sites vermelden omdat ze niets beters kunnen bedenken) is hetzelfde als in Tolkiens The Lord of the Rings op zoek gaan naar het land van de Hobbits en concluderen dat het wel met bestaan, omdat alle kaarten en andere gegevens in het boek kloppen. Wat deze sectie betreft klaag ik het christelijk geloof aan als het moeten hebbend van retoriek en het misleiden van minder geschoolde mensen.


De zaak van het waarom van Jezus' dood en opstanding en het daarmee samenhangende waarom van het christelijk geloof heb ik uitvoerig behandeld in mijn artikel Waarom ik geen christen ben, waarmee ik ook dit boek besluit. Ik volsta hier een korte opsomming te geven van de punten die daar uitgebreider aan bod komen:
1. Het christelijk geloof gaat uit van een God die vertoornd is op de mensheid. Dit is m.i. zowel een bizar denkbeeld als een godslasterend denkbeeld.
2. Het christelijk geloof stelt dat verzoening met God gebeurt (en enkel mogelijk is) via een Hem aangeboden bloedoffer. Dit is m.i. een bijzonder primitief denkbeeld.
3. Het christelijk geloof stelt dat het mogelijk is voor zonden genoegdoening te verschaffen via plaatsvervangend lijden en plaatsvervangend straf ondergaan. Thomas Paine wees er al op dat dit een denkbeeld is dat komt uit de wereld van de financin en het nogal komisch is zoiets op de moraal toegepast te zien worden.
4. Het christelijk geloof stelt dat Jezus' lijden en dood door God gewild was, maar dat hij tevens door de mens vermoord werd. Dit laatste is weer van groot belang om er de mens mee te kunnen beschuldigen van verdorvenheid. Ik vertik het me hiervoor schuldig te voelen, en beschuldig de fanatieke boekgodsdienst ervan zelf de oorzaak te zijn voor Jezus' dood. Het denkbeeld dat de mens in de kern van zijn wezen verdorven is, druist in tegen alle redelijkheid en alles wat ik weet over mezelf en iedereen om mij heen en zie ik eveneens als godslasterend en mensonterend.
5. Jezus kan men in het christelijk denken naar believen dan weer als mens neerzetten dan weer als God. Voorzover men het lijden en zijn dood wil zien als het lijden en sterven van God zelf is het christelijk geloof een onmogelijk denkbeeld, en kan het enkel gezien worden als de fantasie van de menselijke geest, geboren uit menselijke behoeften, anders gezegd: het christelijk denken is de aanbidding van menselijke gevoelens.

Al deze zaken zijn niet alleen uiterst vreemd en godslasterend, ze zijn ook menslasterend, of anders gezegd een kniebuiging voor de mens uit lang vervlogen en primitieve tijden, de mens gefixeerd op angst, boze machten en het zien van bloed als antwoord daarop, en het volledig gefixeerd zijn op de hopeloze verdorvenheid van de mens. Christelijk geloof staat gelijk aan het jezelf overgeven aan de grootst denkbare negativiteit aangaande de mens en het aardse leven. Het is de overgave aan gevoelens van onvrede, lijden, depressiviteit en innerlijke pijn. Dat het christelijk geloof in moderne maatschappijen ondanks deze negatieve en primitieve basis nog steeds voor sommigen een optie is, is verbijsterend. Een reden hiervoor is dat de moderne gelover zich meestens richt op andere zaken als de hierboven uiteengezette kern van het christelijk geloof. Men beseft de godslasterende en mensonterende basis van het christelijk geloof niet. In plaats daarvan is men enkel bezig met het oppeppen van zijn eigen depressieve gevoel. Christelijk geloof is het gekrenkte gevoel van de mens schadevergoeding, beloning en het omgekeerde van de realiteit van het bestaan op te laten eisen. Dit is de kern van iedere bekering. Men heeft er hierbij geen moeite mee zichzelf ook in de goot te schoppen, want men komt juist tot bekering door zich eerst te zien als zo'n brok ellende, verdorvenheid en hopeloosheid. In plaats van zichzelf met hardheid aan te pakken en zichzelf tot geestelijke gezondheid aan te sporen, kiest de depressieve mens de gemakkelijker weg van geloof in de waan, waarna er geen echte consequenties van het handelen en denken meer bestaan. Tezelfdertijd krijgt men voldoening uit het feit ieder ander mens neer te kunnen zetten als dezelfde smerige of krachteloze verschijning als men zelf is. Op die manier hoeft men zich niet voor de persoon die men is te schamen.


Ouweneel vervolgt zijn betoog met te stellen dat Jezus ook het grote voorbeeld is voor christenen, maar de werkelijkheid over het geloof is exact het omgekeerde: het niet lijken op Jezus is voor de christen juist de gemakkelijkste zaak van de wereld, omdat Jezus tot God is uitgeroepen, terwijl de mens door het christendom als totaal verdorven wordt neergezet. Niets is daarom acceptabeler dan het falen van de mens, want daarom heeft men Jezus toch juist nodig en Jezus juist gekregen. Men leeft van de vergeving, wat Nietzsche noemt het 'erbarmelijk gevoel van welbehagen'. De gelovige wordt door Jezus opgeroepen tot het weggeven van al zijn bezit, maar ligt er geen nacht van wakker dat hij hiertoe nooit in staat is: Jezus is enkel het goddelijke voorbeeld. Van jezelf te denken dat je tot dezelfde grootsheid in staat zou zijn als Hij, zou gelijk staan aan jezelf arrogant te verheffen. Jezus roept op tot zondeloosheid, maar een christen piekert er niet over tot zoiets in staat te zijn, godbetere zich zoiets in te beelden. De oproep wordt bijgevolg enkel een holle frase. Jezus roept op tot passiviteit tegen het kwaad, maar er is geen christen die eenzelfde extreme opvatting kan huldigen. Het is enkel een holle frase waarin de christen het ideaal ziet, maar waartoe hij nooit in staat zal zijn. Hetzelfde zien we daar waar christelijke leringen tegen elkaar botsen. Jezus predikt bijvoorbeeld de liefde, maar een christen zal zich laten zien als de meest liefdeloze mens wanneer het homofilie betreft, vanwege een ander gebod dat zogenaamd uit de mond van God komt. Dit laat zien hoe christelijk geloof de neiging heeft om als een jas te worden aangetrokken maar de liefde het hart van de mens niet bereikt. De liefdeloosheid wordt bijna door het christelijk geloof onderhouden doordat het gebaseerd is op het mechanisme dat men geen waarlijk goed mens heft te zijn. Telkens zegt de christen doodleuk: het heft ook niet, Jezus heeft alles volbracht. Wij hoeven niet meer dan lipservice te doen aan onze idealen (uiteraard gebruik ik dat woord, de gelovige heeft er natuurlijk een ander woord voor: geloof). Dat onze praktijk zo totaal anders is dan het grote voorbeeld wat Jezus ons gaf, is enkel wat te verwachten was, dat met ook, waar zouden we anders Jezus voor nodig hebben. De gelovige luistert zelfs graag naar een bulderaar op de kansel die oproept tot daadwerkelijk zoals Christus te zijn, zonder dat hij er ook maar enige consequenties uit trekt. Daar wordt zijn geloof zoveel dieper door, de onmogelijkheid om geloof en realiteit van zijn eigen leven tot overeenstemming te brengen mondt uit in worsteling met het geloof. Worsteling is het lievelingswoord van de christen, het geeft ons leven precies de glans waar we zo naar smachten: het diepzinnige, de bevestiging dat we de wijste mensen zijn die zichzelf niet sparen maar zich manmoedig met kritiek op onze persoon om de oren laten slaan. Er schuilt vaak iets van sadomasochisme in, want tezelfdertijd ziet men de gelovige vaak gebukt gaan onder schuldgevoelens en een nieuwe uit het geloof geboren depressiviteit, ontstaan uit het niet beantwoorden aan de eisen van het geloof.


In het christelijk geloof zit, dit alles overziend, bovenal de vereeuwiging van het menszijn dat achter ons ligt ingebakken. Het is als kleren en schoenen die knellen en ons op alle mogelijke manieren beletten uit te groeien en volwassener te worden. Christelijk geloof heeft zijn basis in de miezerigheid, krachteloosheid en depressiviteit van de mens en bovenal zijn zucht tot gemakkelijke oplossingen, en wanneer je je eraan hebt overgegeven werkt het als een eeuwige rem op het geestelijk volwassen worden, het verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven, maar laat het je gezapig sudderen in zelfingenomenheid. Niets heeft mij zoveel gestoord in mijn vroeger leven als christen als dit feit. En niets doet mij meteen begrip krijgen voor een christen dan wanneer ik er n tegenkom die zijn eigen geloof soms kan aanklagen en er soms boven durft te staan. Iedere christen die hiertoe niet in staat is is geen denker, maar slechts een slaaf van een ideologie. De apotheose van Ouweneel staat daarom voor mij gelijk aan het branden van een kaars in een kleine luchtdicht afgesloten ruimte: wanneer de zuurstof opgebrand is (wanneer de geestelijk onvolwassen mens opgroeit) dooft de kaars uit. Men zou het ook zo kunnen zeggen: wanneer van buitenaf frisse wind van de rede en zoveel weidsere landschappen komt dooft de kaars van de boekgodsdienst uit.


De enige echte religieuze mens is altijd de grootste ketter. Ouweneel is niet in staat geweest ook maar n los draadje zien hangen aan zijn geloof en zijn God. Daarom zijn al zijn argumenten hol en zijn religieuze geloof zonder waarde. Waardevolle religie is niet terugkijken naar een lang vervlogen verleden en altijd maar opnieuw bevestigen wat God ooit eens deed aan bijzondere zaken, op je knien gaan voor een mens en hem uitroepen tot een God, ideen over schuld, straf en verzoening via bloedvloeiing altoos maar meeslepen de geschiedenis door, maar jezelf opzwepen tot iets wat de wereld nog nooit eerder heeft gezien, de creatie van een hoogwaardige vorm van het menszijn dat nog nooit of nauwelijks tot het bewustzijn van de mens is doorgedrongen en er zelf de belichaming van zijn. Hiertoe is slechts athesme in staat, een wereldbeeld dat de mens neerzet als geheel alleen in de oneindige nacht van het heelal. Pas wanneer je zo hard en eerlijk bent tegen jezelf kun je misschien enige wijsheid opdoen in het leven.