Hoofdstuk 17, De gelukkige athe´st

Iets wat mij heeft beziggehouden tijdens het lezen van Ouweneels boek is de zaak dat hij een natuurwetenschapper is en ik een musicus, en dat hij telkens naar de muziek gaat als iets van groter waarde. Hij besluit er zelfs zijn boek mee. Ouweneel heeft maar ÚÚn werkelijk argument voor zijn verdediging van zijn geloof. De existentiŰle factor, dus het feit dat religie een mens diep raakt en iemands denkwereld en vandaaruit iemands gehele leven kan veranderen. Maar juist omdat ik als musicus de existentiŰle factor zo goed begrijp, weet ik des te beter wat er aan het christelijk geloof schort: het staat mijlenver beneden de hoogste voldoening van gevoelens die men via de allergrootste scheppingen in de muziek kan ervaren. Een Ballade in f of Nocturne in Des van Chopin, een Andante van Mozart of een Prelude en Fuga van Bach wordt nergens in de religie geŰvenaard. Ik noem deze voorbeelden omdat ik ze ook van binnenuit ken, dwz via het zelf spelen. Zulke muziek als de hierboven genoemde voorbeelden heb ik in mijn leven soms anderhalf jaar elke dag gespeeld om ze volledig te kunnen beheersen en om ze zo te kunnen spelen dat de vingers automatisch alle juiste bewegingen maken en je je daarom ten volle kan concentreren op de muzikale inhoud. En nooit gaan ze je vervelen, nooit zijn ze uitgeput en gaan ze je tegenstaan. Geen enkele zwakke schakel kun je in het weefsel ontdekken. Wanneer je ze speelt is de wereld perfect. De scheppers ervan zijn perfecte mensen geweest. Ouweneel noemt Jezus de nobelste, maar iemand die weet heeft van de wereld waarin Sjostakovitsj moest leven en dan het Andante van zijn tweede pianoconcert beluistert, ervaart hier iets veel subliemer en nobeler. Iemand die van absolute muziek weet heeft weet dat een schepper als Chopin veel nobeler was. In zijn muziek waar de wereld in iedere noot perfect is hoor je er niets van dat hij zijn hele leven stervende is van de tuberculose. Dßt is pas levensdienst! Zelfs waar hij boos is en oproept tot strijd tegen de Russen is het resultaat enkel een drama zoals een onweer, iets waar geen enkel kwaad aan verbonden is, zelfs al zou het je kwaad doen en de bliksem op je inslaan zou je het nog loven. Wie de prelude en fuga van Bach beluistert weet dat dit onovertrefbare nobelheid is.
Ik heb ze in mijn leven uitgebreid beiden beluisterd, en voor mij bestaat er geen twijfel meer over: een uitzonderlijke componist of begaafd uitvoerend musicus te zijn is in veel hogere mate beantwoorden aan de belichaming van God en het goddelijke dan een profeet of prediker van woorden te zijn. Ouweneel is iemand die duidelijk de kracht van de muziek kent in zijn leven. Hij beaamt mijn woorden dat de mooiste muziek diepere bevrediging van de gevoelens van de mens geeft dan religieuze woorden: "Aangrijpender dan welke preek het ook zou kunnen, heeft Mahler in muziek uitgedrukt wat de opstanding betekent." Hij doelt hierbij op de tweede symfonie van Mahler, hetgeen ook mijn favoriet is. Maar in plaats van dit tot een getuigenis voor de kracht van het christendom te maken zou Ouweneel moeten begrijpen dat het juist het getuigenis van de mens en het menselijke is, iets wat een musicus meteen begrijpt, omdat iedere musicus dezelfde kracht van de muziek heeft ervaren, en weet dat deze gevoelens onafhankelijk van religie bestaan, sterker nog, het veruit te boven gaan. De woorden van Arthur Rubinstein zeggen het beter dan welke andere woorden ook die ik zou kunnen gebruiken, en geef ik graag Ouweneel ter overdenking. In een radiointerview vroeg men Rubinstein: "Gelooft u in God?". Zijn antwoord was: "Nee, ziet u, ik geloof in iets veel groters". Men kan voor zoiets natuurlijk een nieuwe term gaan zoeken, het mystiek noemen of het kosmisch bewustzijn, maar centraal hierin staat het gegeven dat het op de ÚÚn of andere manier het onbegrensde van de menselijke geest aanduidt aanduidt en dit zoveel groter is dan wat ons in de bijbelse relige wordt aangeboden. Dit is niet in woorden uit te drukken, maar wel enigszins in muziek.

Hoe gemakkelijk is het voor een musicus om dit in te zien. Hoe gemakkelijk is het voor een musicus om het te hebben over God en het goddelijke. Het is zo'n beetje alles wat hij aanraakt, alles waar hij zich mee bezig houdt. En hoe gemakkelijk noemt hij alles wat hem tegenzit en afbreuk doet aan de perfectie de Duivel. Maar hoezeer weet hij ook dat God en Duivel enkel onderdeel zijn van het spel dat hij speelt, een spel in zijn hoofd, het spel van het menszijn dat zijn extremen kent in alle richtingen. Ouweneel zou bij enige navorsing gemakkelijk hebben kunnen inzien dat de zaken altijd zo anders liggen dan de mens die slechts naar de oppervlakte kijkt zou denken. Hij noemt Mahler een christen, terwijl Mahler in werkelijkheid in geen enkel vakje geplaatst kon worden, of het zou vrijdenker moeten zijn. Hij mocht zich dan wel op een gegeven moment bij een kerk aansluiten en zich laten dopen, maar dat was enkel en alleen omdat hij een jood was en dit de enige manier was om de belangrijke dirigentenpost te Wenen te kunnen krijgen. Er wordt van hem gezegd dat hij er grapjes over maakte tegen zijn joodse vrienden. Mahler was dus juist een slachtoffer van de boekgodsdienst. De wereld opgesplitst in joden en christenen deed er zijn uiterste best voor zijn mooie persoon van kinds af aan al te breken. Men vroeg hem ooit eens waarom hij geen Mis had geschreven. Zijn antwoord was dat hij nooit met enige artistieke of geestelijke integriteit het Credo zou kunnen componeren. Hij was iemand die eeuwig op een geestelijke reis was en wist nooit ergens aan te komen. Mahler was de agnost bij uitstek, de belichaming van de moderne mens. Een grote moderne kunstenaar zoals Mahler duikt telkens in een nieuwe omgeving van het menselijk denken. Hij maakt het zich voor een moment volledig eigen om alle menselijke gevoelens die daar aanwezig zijn muzikaal (of op andere kunstzinnige wijze) te kunnen uitbeelden. Maar hij weet maar al te goed dat het enkel menselijke gevoelens zijn. In de eerste symfonie van Mahler wordt de overweldigende belevenis van de ontwakende natuur in de vroege morgen uitgebeeld. In de derde symfonie is Mahler opeens een panthe´st; in zijn oorspronkelijke beschrijving gebruikte Mahler er de goden Pan en Bacchus voor om het eerste deel te beschrijven. In de vierde symfonie kruipt hij perfect in de huid van het kind. In de vijfde legt hij opeens alle ethische en metafysische zaken terzijde en concentreert hij zich puur op de techniek van het componeren. Als men er al een boodschap in wil lezen is het die van de tragische held. In de zesde is hij de mens in wanhoop die geen antwoorden heeft en eindigt in chaos en duisternis en angst voor de dood. In de zevende zoekt hij de diepste bodem op in de ziel, de nacht, de schim en schaduw. Zij is geschreven op het moment dat Mahler vol was van Nietzsches Also sprach Zarathustra de antibijbel. In de achtste komt hij uit op de hoogste triomf, een ode aan het menszijn, en in de negende komt hij aan op wat men het bovenzinnelijke noemt. Mengelberg noemde het een afscheid aan het leven, het afscheid aan alles wat de mens eens lief was. De mooiste klanken zijn erin te beluisteren, maar boven bepaalde gedeelten schreef Mahler ook "met woede" of zelfs "mit h÷chster Gewalt". In het Lied van de Aarde neemt hij een duik in de chinese denkwereld. In de onafgemaakte tiende is hij eenvoudig een slachtoffer van een liefde die opgedroogd was, iemand die zichzelf en het leven daarom niets meer waard vond, iemand die daarom liever weg wil uit het leven en boven een passage schrijft "O God waarom hebt u mij verlaten", maar even later weer uitroept: "Voor jou te leven! Voor jou te sterven! Almschi!" Juist in dit kameleon zijn, dit ervaren van alle menselijke gevoelens vindt een mens zijn hoogste menszijn, de hoogste uitdrukking van zichzelf. In dit alles spreekt enkel de mens, niet God.
Ouweneel noemt Brahms die ons in zijn Deutsches Requiem voorhoudt: "dass mein Leben ein Ziel hat" (dat mijn leven een doel moge hebben). Hij erkent dat noch Mahler noch Brahms iets over Jezus te vertellen hebben, maar noemt hen beiden toch christen, hetgeen beslist niet het geval was. Brahms stond zelfs bekend als een radikale vrijdenker. Hij schreef met betrekking tot zijn Requiem: "Wat betreft de tekst, ik beken dat ik het liefste het woordje Duits erbij zou willen weglaten en er liever het woord menselijk voor in de plaats zou willen zetten. Eveneens zou mijn beste kennis en wil het liefst teksten als Johannes 3:16 willen weglaten. Sommige zaken moest ik echter laten staan vanwege muzikale overwegingen, omdat ik ze nodig had, en ook omdat niets van wat mijn eerbiedwaardige tekstschrijvers hebben geschreven nou eenmaal uitgewist mag worden. Maar laat ik er maar over ophouden voordat ik m'n mond teveel opendoe."


De afwezigheid van achtergrondkennis is bijzonder storend in dit laatste hoofdstuk. Ouweneel begaat de ene blunder na de andere. Hij laat "mijn geliefde Gustav Mahler" zelf de woorden van de opstandingssymfonie dichten. In werkelijkheid kwamen de woorden voor de tweede symfonie uit een bundel met naieve volksdichtkunst Des Knaben Wunderhorn. Het deel Urlicht bevat de meest naieve tekst die men zich maar kan voorstellen, alsof het een gedicht van een tienjarige betreft. Teksten uit dezelfde bundel gebruikte hij ook in de vierde 'kinderlijke' symfonie. Men heeft Mahler soms verweten dat hij zulke naieve teksten gebruikte in muziek dat juist tot het allergrootste en diepzinnigste wil behoren, maar iedere musicus begrijpt dat hij zoiets juist met opzet deed, omdat het juist niet gaat om het bestaan van de metafysische zaken die bezongen worden, maar enkel en alleen om de gevoelens van de mens, gevoelens die men eigenlijk niet anders dan als kinderlijk moet omschrijven, maar je als musicus en psycholoog wÚl serieus mag en moet nemen.
De tekst van het laatste deel dat de opstanding bezingt is niet van Mahler, maar van Klopstock. En de oorspronkelijke woorden waren christelijk, maar Mahler knipte de laatste vier regels van het gedicht waar de christelijke woorden stonden er juist uit, en schreef er eigenhandig 'dionysische' woorden voor in de plaats! De woorden laten overigens ook zien dat Mahler in werkelijkheid helemaal niet in het Laatste Oordeel geloofde, maar als men dan zo nodig in een opstanding wil geloven liever het tegendeel ervoor in de plaats wilde zetten: er is helemaal geen oordeel, geen straf en geen beloning. In plaats daarvan enkel een overweldigende openbaring van de liefde. Hoezeer overtreft dit de christelijke boodschap als je dan per sÚ in iets wil geloven als motto voor je leven! Een musicus begrijpt ook dat de woorden van de achtste symfonie, uit het Veni Creator Spiritus, niets met het christelijk geloof te maken hebben, maar de universele belevenis van het scheppend bezig zijn van de mens verwoorden en vieren. Het is in Mahlers eigen woorden "een geschenk aan de gehele mensheid, muziek waarin het gehele universum in klank uitgebeeld is." Dat het hier niet gaat om het christelijk geloof laat ook het vervolgdeel zien. Het tweede deel is gewijd aan woorden uit Goethe's Faust. Zij eindigt met woorden die men Chorus Mysticus noemt en de diepste boodschap van Mahler geven: "Slechts een voorbijgaande schaduw is alles wat is, het leven hier onvolmaakt"


De verhaaltjes die Ouweneel vertelt over de laatste wil en woorden van vrijdenkers en athe´sten die op hun doodsbed liggen zijn beschamend. In de voetnoot verwijst hij naar een christelijk evangelisatietractaatje als bron voor deze wetenswaardigheden! Iedereen die de zaak bestudeerd heeft weet dat dit de meest zielige fabels zijn die christenen maar hebben kunnen bedenken om tegenstanders van het geloof toch nog te slim af te zijn, en dat het welhaast een christelijke traditie is geworden dit soort verhaaltjes de wereld in te bazuinen. Een artikel in het tijdschrift The New Humanist laat weten dat deze beschamende fabels al een lange geschiedenis achter de rug hebben. Blijkbaar kunnen sommige christenen er niet tegen dat er een athe´st gewoon tevreden en verzadigd van het leven doodgaat. Ingersoll schreef al in 1881 een artikel waarin hij fabels over zeven grote mannen rechtzette (zogenaamde doodsbedbekeringen van keizer Julianus, Giordano Bruno, Voltaire, Diderot, David Hume, Benedict Spinoza, and Thomas Paine). Ingersoll kreeg zelfs een krant op de voeten uiteindelijk een correctie in druk te moeten publiceren: "Thomas Paine died a blaspheming Infidel". G.W.Foote geeft nog een lange aanvulling hierop tot aan de vader van Bertrand Russell en Thomas Woolston toe (die een Betoog aangaande Wonderen had geschreven dat als godslasterend werd beschouwd). Deze beschamende methode schijnt inderdaad goed te werken. Onlangs kwam Richard Dawkins nog een dame in het publiek tegen die hem voor de voeten wierp dat Darwin 'al zijn leugens had ingetrokken en tot bekering was gekomen op zijn doodsbed'. Ze wist dat het waar was omdat ze het had gelezen! Fabricages van doodsbedbekeringen zijn zo algemeen dat de filosoof Santayana, die tegen de tijd dat hij zou sterven omringd was door nonnen die allemaal graag zouden willen dat hij naar de hemel zou gaan, expliciet liet weten dat "indien hij tijdens het sterven per ongeluk knikt alsof het een teken is dat hij de laatste riten zou willen ondergaan, dit geenszins het geval is, maar juist betekent dat de nonnen moeten ophouden met hem te molesteren en niemand op het idee moet komen dat hij zich zou bekeerd hebben." Op de Freethinkersite worden meerdere beweringen van Ouweneel ontzenuwd. De dood van David Hume wordt hier uitvoerig rechtgezet.


"De athe´stische filosoof" Jean-Paul Sartre schijnt als laatste woorden te hebben uitgesproken dat hij gefaald heeft. Moet dat een getuigenis tegen het athe´sme en voor het christelijk geloof voorstellen? Hetzelfde zei het grootste genie dat Europa gekend heeft, Leonardo da Vinci, volgens het praatje dat rondgaat: "Ik heb God en het mensdom beledigd omdat mijn werk niet de kwaliteit had die het zou moeten hebben." Hoezeer is zo'n uitspraak te prefereren boven de christen die in Hitlers leger als Kolonel en Hoofd van de militaire inlichtingendienst in het westen meedeed, en pas op het eind inzag dat het nazidom een bedreiging was voor christelijke waarden. De laatste opgeschreven woorden van Freiherr von R÷nne worden door Ouweneel aangehaald: "In enkele minuten ga ik naar huis bij mijn Heer en Heiland. Hij staat mij terzijde en geeft mij de zekerheid van mijn heil." Moet zo'n getuigenis uit een tijd en cultuur waarin men Heil en Herr brult een getuigenis zijn voor het christelijk geloof? Geef mij maar honderd maal liever een doodeerlijke athe´st zoals Bertrand Russell die op zijn doodsbed enkel "de nacht van het niets" om zich heen ziet en als vooruitzicht heeft, en terugkijkend op zijn leven enkel triviale zaken ziet. Dat Ouweneel zelfs dit moet vermelden en ertegenover zetten dat voor de christen niets triviaal is, maar een gelovige kan uitroepen "U hebt mij verlost, o Heer, God der waarheid" (Luther op z'n doodsbed) maakt het voor mij wel overduidelijk waar ik moet gaan lezen om iemand tegen te komen die zijn intelligentie ten volle gebruikt heeft en karakter toont.


Ouweneel illustreert het hoogmoedige gemoed van de christen perfect wanneer hij als laatste argument om mensen aan te sporen tot geloof komt met een vergelijking dat ongelovig blijven, het christelijk geloof afwijzen of er geen belangstelling voor te hebben gelijk staat aan iemand die geen enkele reden ziet om zich ooit te wassen. Hoe kan men verstrikt raken in zo'n onovertrefbare arrogantie? Hoe presteert men het zich hiervan niet eens bewust te zijn? Deze vergelijking maakt het beter dan ooit duidelijk voor me dat indien ik ooit al een weldadig bad genomen heb in mijn leven en schoongewassen werd, het wel die keer was dat ik het christelijk geloof van me afwaste en een aaneenrijging aan valse pretenties weg zag spoelen. Het was mijn derde doop. En ditmaal kwam er geen water bij te pas. Ik werd gedoopt met vuur en kreeg vleugels.


...Ik ben een Fin, ik weet maar al te goed welk een afgelegen leven ik leid. "Over land noch zee zul je de weg naar Finland vinden" -zoveel wist Pindarus al te zeggen over mij...ik heb zoals alle Finnen mijn eigen geluk moeten ontdekken; ik ken de weg in het noorden. Ik heb ook de weg uit het labyrint van woestijnleugens dat millennia lang heeft standgehouden zelf moeten vinden. Wie anders dan iemand met vikingenbloed in zijn aderen kan die weg vinden. De noorderling geeft niet om zijn leven, hij spaart zichzelf nooit. Finland is een uitstekende school van het leven. Het heeft me geleerd me zover mogelijk te houden van mensen die zichzelf niet kunnen gehoorzamen, van het geluk van existentieel behoeftigen, van zoekers naar zalige overgave en broeierige geesten. Geef mij maar eenzaamheid, onweer, vorst en een frisse boslucht, en oneindige SISU. Formule voor mijn geluk: een ja, een nee, een rechte lijn.
En kan ik er mee leven en sterven? Streef ik dan naar geluk? Wat is er aan mijn geluk gelegen! Geluk komt op mijn weg als een verdwaalde zonnige en warme dag in Finland. Ik streef naar mijn werk en ben mijn eigen zon. Sinds ik athe´st ben merk ik het pas hoeveel zon ik ben. Voor een christen is het bijna ondenkbaar de zon en eindeloze kracht in je eigen hart te vinden, zoals het voor hen ondenkbaar is dat de moraal op jezelf kan berusten. Maar het behoort tot de aangenaamste zaken in mijn leven de zon te vinden in mijn eigen persoon. Athe´sme is misschien niet zozeer meer geluk, maar wel een hoop meer zelfrespect. Een gezonde zelfliefde, alsook een gezonde liefde voor het aardse leven, en het verdwijnen van allerlei zware wolken.





Albert Vollbehr, 7 april 2008





Bart Klinks commentaar op de appendix van Ouweneels boek