5. Logische onzin

We hebben de 'existentiŽle Godsbewijzen' achter de rug. Ze hadden niets met 'bewijs' te maken, ze hadden niets met 'God' te maken (nog steeds geen idee wat er mee bedoeld wordt, als ik een Chinees was zou ik op dit punt van het boek zeggen: het schijnt een Hij te zijn en men kan het stuivertjewisselen met de naam Jezus), en 'existentieel' is eenvoudig het stopwoord van Ouweneel wat hij gebruikt in plaats van het woord 'levensbenauwdheid'.


Ouweneels boek vervolgt met 'logische Godsbewijzen'. Ik vraag me af hoelang we nog in dit puffende stoomtreintje voort moeten boemelen. Iedereen wťťt toch dat er geen logische Godsbewijzen bestaan? So, what's the point er een hoofdstuk aan te wijden in een boek "Waarom ik geen atheÔst ben"? We kunnen er natuurlijk weer een keer over nakaarten, maar de uitslag staat al vast: de theÔst verliest het debat. Waarom dan tůch weer datzelfde middeleeuwse spoor bij langs? Ik begin weer met het citaat van een beroemdheid dat boven het hoofdstuk geplaatst is:


Godsbewijzen hebben tegenwoordig veel aan overtuiging maar weinig aan fascinatie ingeboet. Ze oefenen nog altijd een stille, geheime aantrekkingskracht uit op denkende mensen...Het kan zijn, dat godsbewijzen tegenwoordig als bewijzen gefaald hebben, en dood zijn. Maar nog als schipbreukelingen en doden dwingen ze de nabestaanden respect af. (Hans KŁng in zijn boek Bestaat God?)


Ouweneel voegt er even later in een voetnoot aan toe: "Let op het prachtige 'desondanks' in Hans KŁngs beschrijving van de Godsbewijzen: streng logisch gesproken gaan ze niet op, maar desondanks blijven ze je aanspreken." Aangezien KŁng zelf een schipbreukeling van het religieus geloof is, probeert hij uiteraard zo vriendelijk mogelijk om te gaan met zijn eigen leven. Maar indien zijn uitspraak niet duidelijk genoeg is kan ik eraan toevoegen dat ik iemand ken die zijn godsgeloof definitief verloor na het lezen van KŁngs boek. Toegegeven, wat deze man over de streep trok was een concert in een Finse kerk toen hij het boek net uit had. Hij staarde een concert lang naar de tekst op de muur van de kerk: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad... opdat eenieder die in Hem gelooft niet verdrinke, maar behouden worde" (in het Fins is 'verloren gaan' en 'verdrinken' hetzelfde woord), en hoorde de volgende morgen dat op hetzelfde moment als hij naar die woorden staarde en KŁng (onder begeleiding van het ultieme Godsbewijs Bach) overdacht, de Estonia met honderden slachtoffers op de oostzee verging en iedereen verdronk. De ironie van deze samenloop van omstandigheden was nou voor hem een "existentieel bewijs voor atheÔsme". Maar het boek van KŁng was volgens deze boekenwurm het beste boek wat hij in 10 jaar gelezen had. Het mocht echter niet baten, want twee jaar later deed deze man zelfmoord. Een pikant detail voor de opvolger van Ironside om in zijn evangelisatietent te vermelden als zoveelste bewijs voor de krachteloosheid van het atheÔsme op zich, en een pluim op de hoed van Ouweneel (hij vroeg zich af of atheÔsten met die waarheid kunnen leven), maar juich niet te vroeg: de man liet een dik boek met zijn memoires achter, eindigend in de zin: "Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?" Zoals gezegd is geloof de kruk voor een mens die niet bij machte is de verantwoordelijkheid van zijn bestaan op zijn eigen schouders te nemen. Misschien moet ik Ouweneels methode maar eens gebruiken: de man was nooit een echte atheÔst geweest; hij was tot het eind ten diepste een godgelover...


Indien er geen logische Godsbewijzen bestaan, is dit hoofdstuk dan bedoeld als een soort nostalgie? Is het bedoeld als een verontschuldiging voor de evangelische christen: 'Ons geloof is weliswaar volledig uit de lucht gegrepen, maar je kan je toch troosten met het feit dat sommige grote denkers het ook omarmden'? Blijkbaar. Is het misschien bovendien nog een poging om tussen de regels door stiekem tůch de schijn op te houden dat de logische Godsbewijzen wel degelijk bewijskracht hebben? Blijkbaar ook, want Ouweneel besluit zijn hoofdstuk met te stellen dat het laatste logische Godsbewijs, dat van Intelligent Ontwerp, nog steeds van kracht is. Een vreemde tegenstrijdigheid: eerst meerdere malen opmerken en toegeven dat er geen logische Godsbewijzen bestaan, maar op het eind, wanneer alles gezegd is, toch blijven volhouden "Er is geen informatie zonder intelligentie" en een beroep doen op het beruchte argument van creationisten op 'onherleidbare complexiteit'.


Ik zie Anselmus en Aquino voor de zoveelste maal weer eens in hun klamme monnikencel zitten. Alleen het hoogstirritante deuntje van de sterreclame heb ik vaker aangehoord. Ik zie mezelf in langvervlogen tijden als 19-jarige zitten in mijn slaapkamer om de cursus van 'Campus Crusade for Christ' onder de knie te krijgen; even later leg ik de nog jongere tieners in een bijbelstudie alles uit en kijken ze verbaasd op naar mij vanwege zoveel kennis. Wanneer je zulke geleerde woorden als ontologisch en teleologisch in je vocabulair hebt moet je haast wel gelijk hebben. Alle argumenten voor het bestaan van God waren zelfs geÔllustreerd... Ouweneel kon toen hij zijn boek schreef bovendien niet weten dat Richard Dawkins op hetzelfde moment als hij ůůk net aan z'n computer zat om de teksten van The God Delusion te schrijven, en zich op dat moment ůůk al bezighield met de beroemde middeleeuwers, waarvan de eerste leefde op het moment dat de middeleeuwen op z'n allerdonkerst waren (1033-1109). Ouweneel legt het beroemde 'ontologische Godsbewijs' van Anselmus als volgt uit:


Uit het begrip God als het volmaakste en algemeenste Wezen leidde hij het bestaan van God af, want als dit Wezen de eigenschap van 'er zijn' miste, zou het niet volmaakt zijn. Anders gezegd: men kan zich niet een wezen denken dat allervolmaakst is en tevens niet bestaat, aangezien dit een innerlijke tegenspraak zou zijn. Immers, in dat geval zou men zich een nůg volmaakter wezen kunnen denken, namelijk dat dezelfde eigenschappen bezit en bovendien bestaat.


Richard Dawkins geeft als reactie in zijn boek dat men deze infantiele argumentering regelmatig bij spelende kinderen in de zandbak kan tegenkomen. Het is in andere woorden een smakeloos woordspelletje waarvoor ieder opgegroeid mens zich zou moeten schamen. Indien men nog zit te dubben of het argument waar zou kunnen zijn bied ik het omgekeerde aan (men vertelt mij dat het de voortreffelijke Kant was die inzag dat bestaan niet volmaakter is dan niet-bestaan, maar iedere tiener kan op hetzelfde idee komen): zonder enige twijfel is niet-bestaan volmaakter dan bestaan. Op iets wat niet bestaat kan men namelijk geen enkele kritiek van onvolmaaktheid leveren, aan iets wat niet bestaat kan men zelfs geen enkele gedachte van onvolmaaktheid verbinden.
Dawkins geeft als grap nog het 'ontologisch bewijs voor atheÔsme' dat iemand uitgedacht heeft: De schepping van het universum is het geweldigste waar een intelligentie maar toe in staat zou kunnen zijn. De mate van verdienste van zo'n geweldige zaak hangt echter niet alleen af van de kwaliteit van het product, maar ook van de mate van kunnen van de Schepper. Hoe meer de Schepper gehandicapt is, des te geweldiger is zijn verdienste! De grootste handicap die de Schepper zou kunnen hebben is dat Hij niet bestaat. Een schepping die bestaat desondanks dat de Schepper niet bestaat is een grotere uitmuntendheid dan een schepping die bestaat via een bestaande Schepper. Een God die niet bestaat is daarom groter dan een God die wťl bestaat. Ergo: God bestaat niet (en let op het prachtige 'desondanks', zo'n bewijs blijft je aanspreken!).


De vijf beroemde bewijzen voor Gods bestaan die Thomas van Aquino anderhalve eeuw later verzon zijn precies dezelfde woordspelletjes en gatenkaas. De onzin is zelfs zo groot dat de drie eerste bewijzen precies hetzelfde zeggen, en er dus zelfs geen sprake is van vijf Godsbewijzen, maar enkel drie. Het argument van een eerste oorzaak poneert God, maar laat voor het gemak het probleem van de oorzaak van God weg. Het vierde argument poneert een noodzakelijk maximum oftewel staat gelijk aan de onzin van Anselmus. En tenslotte het vijfde argument van intelligent ontwerp, het enige argument dat in een moderne discussie nog een rol speelt.


De logische Godsbewijzen zijn van zulke komische kwaliteiten dat het internet ze aangevuld heeft met honderden meer, allemaal van tijd tot tijd opgelepeld door de religieuze mens. Het is een heerlijk onderwerp van vermaak geworden. Ik ga ze weer eens lezen en vind er een argument van verborgen gedachten waarmee ik Tertullianus (de man van het "credo quia ineptum est", "ik geloof omdat het dwaas is"), die door Ouweneel aangevoerd wordt om een goed woordje voor het godsgeloof te doen, meteen weer afvoer:
ARGUMENT FROM HIDDEN LOGIC
(1) Intellectually, I know that the existence of God is impossible, or vastly improbable.
(2) But I must put on the appearance of being cool and intellectual in front of my Christian apologist peers.
(3) Therefore, I must pretend that (1) is false.
(4) Therefore, God exists.
Ouweneel noemt het argument van Tertullianus "boeiend" en "niet dwaas in puur intellectuele zin, maar dwaas in existentiŽle zin". Ik ook, Tertullianus had de dwaasheid van christelijk geloof, en de verborgen behoeften niet beter uit de doeken kunnen doen. Ouweneel legt het zelf uit: "We horen het graag, want het is door die 'dwaasheid' dat wij zingeving en verlossing hebben gevonden. Die 'dwaasheid' zet zelfs de 'wijsheid' (filosofie, wetenschap) van de wereld beschaamd, want die kan die zingeving en verlossing niet bieden, maar laat je in je lijden of op je sterfbed in de kou staan." Dat iemand zo onbeschaamd waarheid en eerlijkheid van denken opzij zet uit eigenbelang, uit zucht naar innerlijke behaaglijkheid, is voor ieder mens een schande, maar voor een wetenschapper bovendien een onvergeeflijke zonde.


Wat is nu pathetischer dan in een boek "Waarom ik geen atheÔst ben" een heel hoofdstuk te wijden aan iets wat in de aanhef door KŁng wordt aangeduid met woorden als gefaald, dode lijken en schipbreukelingen? Ouweneel moet dit herhaaldelijk beamen:


-We kunnen het zo niet meer nazeggen.

-Het argument van Anselmus is niet zozeer een bewijs als wel een uitdrukking van vertrouwend geloof.

-Inderdaad, het kan niet strikt bewezen worden, of zelfs maar aannemelijk gemaakt worden.

-Je zou kunnen zeggen: vijf argumenten die kunnen helpen de intellectuele twijfelaar die op weg is naar de ontmoeting met de levende God over de streep te trekken. Dat was nobel bedoeld. Maar of die 'vijf wegen' zelfs dŠŠrtoe erg dienstig zijn, kun je betwijfelen. Die hele kwestie van de 'natuurlijke theologie' deugt eigenlijk niet erg.


Hij dikt het nog aan door te vervolgen met een uitwijding over Romeinen 1, waarin hij betoogt dat Paulus niet zozeer suggereert dat God Zich openbaart in de natuur, maar in de eerste plaats naar voren wil brengen dat het menselijk gemoed verdorven is en de mens bedorven inzicht heeft, een rot hart heeft, hetgeen doorwerkt in zijn redeneren en geloven. Ouweneel legt er dus nog een schepje bovenop: rationeel denken en een rot hart levert sowieso al afval op! Hoe vreemd weer, want wat geeft ons dan de zekerheid dat christelijk geloof niet een onderdeel is van dit verrotte hart en verdorven gemoed? DŠt is nu juist de stelling van iemand als Nietzsche! Nietzsche is het dus geheel eens met Ouweneel, maar zag iets wat voor de hand ligt met absolute eerlijkheid van geest onder ogen: je moet ermee consequent tot het eindpunt gaan. Ouweneel zelf wenst liever zijn ogen te sluiten voor zo'n waarheid. Het enige wat hij hier tegenin kan brengen is slogans:


Anselmus kende God in de eerste plaats als de God die men moet ontmoeten, ervaren, geloven. God is volgens hem het Zijn Zelf.


Lees de woorden nog eens goed! Anselmus -die leefde ten tijde van de eerste kruistocht en in tegenstelling tot wat soms geopperd wordt niet bekend staat als profetische stem die er ernstig tegen waarschuwde-, kent God, Anselmus ervaart God, Anselmus heeft een ontmoeting met God, Anselmus gelooft in God. Allemaal slogans die iedere gelovige kan napraten, maar op geen enkele absoluut eerlijke manier kan onderhouden in het leven. De zin erachteraan is enkel komisch: "God is het Zijn Zelf". De zin is zoals Ouweneel al eerder over de pantheÔsten uitlegde letterlijk nietszeggend.


De christen heeft heel andere, namelijk bovenrationele (existentiŽle) 'gronden' om in God te geloven.


Alweer enkel een slogan. Ouweneel heeft nu zelf opgemerkt dat die existentiŽle of bovenrationele reden die ieder mens heeft dat verrotte hart is dat de mens heeft, dat verdorven gemoed, oftewel de existentiŽle benauwdheid waarin hij leeft, de psychisch bepaalde wil. De conclusie moet dus luiden: een mens is klaarblijkelijk existentieel ziek, psychisch gestoord, en daarom verzint hij zich een God en luistert hij niet of slechts met een half oor naar de rede. Wat een christen doet is fantasie, behoeften en benauwdheid aankleden met leugenwoorden zoals 'kennen van God', 'relatie', 'ervaren', 'ontmoeten', 'bovenrationeel', 'mystiek', 'verlicht door het Woord van God', 'verlost', 'ogen door het geloof geopend', 'weten van Gods bestaan'.


Een christen doet dit alemaal omdat zijn persoon in de grond van de zaak nihilistisch is. In plaats dŪt te onderkennen heeft zo'n christen het lef om alle niet-christenen uit te maken voor 'afgodendienaars', 'verrot van hart en geest', 'degeneratie', 'idolatrie' (waaronder de ideologie), 'mistasten', 'aanbidding van imitaties', 'leven in een waan van grandeur wat betreft zijn denken' en is in staat van zichzelf en zijn religie te denken dat ze niets van dit alles bevatten. Hoe in vredesnaam kan men zo naief zijn? DŠt is iets wat mij nu ten ene male te boven gaat en pertinent niet door de beugel van mijn eerlijkheid kan gaan.


Afgezien van wat ik zelf als oorzaak kan bedenken, zaken als hopeloos opgesloten zitten in een verroest wereldbeeld dat je van kindsbeen af hebt meegekregen, of aan betreurenswaardige arrogantie in het denken lijden kenmerkend voor de religieuze mens (zichzelf tot het hoogste inzicht en tot centrum van Gods belangstelling maken), schrijft Ouweneel er zelf ook iets over om deze onbegrijpelijk blindheid te kunnen doorgronden:


Denk nŠ, mens, net als al die miljoenen andere weldenkende mensen, voor wie het plausibeler was aan te nemen dat mensen als Augustinus, Luther, Pascal en Kierkegaard echt God ontmoet hebben dan aan te nemen dat zij aan een illusie ten prooi zijn gevallen!


Maar nadenken is juist wat ik deed en wat mij tot het atheÔsme leidde. Ik hoef niet naar Augustinus, Luther, Pascal en Kierkegaard te kijken om over de zaak na te denken: ik heb dezelfde ervaring, ontmoetingen, kennen van God etc. gehad in mijn leven als zij. Ik heb ze kunnen ontmaskeren als mijn illusies. Miljoenen hebben deze zaken ontmaskerd als hun eens onderhouden illusies, net zoals alle ervaringen met Apollo, Isis, Mitras en honderden andere goden ontmaskerd zijn als illusies. Juist met nadenken komt men tot de eerlijke conclusie dat iedere religie de uiting is van die existentiŽle benauwdheid en het psychisch ziekzijn van de mens. Maar mooie jongens trommelt Ouweneel hier overigens op: wat is overduidelijker en gemakkelijk aan te tonen in hun leven dan de gigantische psychische problemen waarmee juist deze figuren te kampen hadden.
Op dit punt aangekomen vervolgt Ouweneel door op te merken dat men dan te ver gaat:


We hebben veel kennis van mensen die aan wanen lijden; onze psychiatrische inrichtingen zijn er vol van. Maar het moet toch redelijkerwijs mogelijk zijn te onderscheiden tussen patiŽnten die in inrichtingen thuishoren, en grote geesten die met hun Godsgeloof de wereldgeschiedenis beslissend beÔnvloed hebben? Die onderscheiding is in elk geval voor velen aannemelijker dan de poging alle Godsontmoetingen onder de wanen te rangschikken...Het kan best zijn dat iemand als Kierkegaard ernstige psychische problemen heeft gehad, maar de vraag is of zijn Godsgeloof daartoe herleid kan worden, of dat hij zijn Godsgeloof had ondanks zijn psychische problemen. In ieder geval is het hebben van een Godsgeloof nog geen reden om mensen zoals Kierkegaard in psychiatrische inrichtingen op te sluiten.


Let er eerst op dat Ouweneel tussen de regels met een argument komt dat regelrecht aan de illustere verzameling van nepargumenten toegevoegd kan worden:
BEWIJS VIA GROTE GEESTEN
(1) Grote geesten die de wereldgeschiedenis beslissend beÔnvloed hebben geloofden in God.
(2) Ze zijn redelijkerwijs geen psychisch gestoorde patiŽnten en horen niet thuis in een inrichting.
(3) Het is aannemelijker hun Godservaringen niet te herleiden tot psychische problemen.
(4) Daarom bestaat God.
Ouweneel gaat uiteraard veel te kort door de bocht. Het gaat in deze kwestie namelijk niet tussen twee keuzes: ofwel psychisch ziek, ofwel de Godsontmoeting moet echt zijn. Deze simpele tweedeling komt enkel op bij iemand die teveel C.S.Lewis heeft gelezen. Ouweneel heeft nu 100 maal geschreven dat de beslissing om te geloven een existentiŽle beslissing is, en ik beaam het voor de 100ste maal. Waar het nu om gaat is in te zien dat men aan het feit dat de mens zijn beslissing om te geloven niet op rationele gronden maakt, maar op existentiŽle gronden, de conclusie moet verbinden dat geloof dus uit psychische problemen, psychische ongezondheid voortkomt, uit nihilisme. En men vervolgt dan met op te merken dat mensen uiteraard in verschillende mate aan deze ongezondheid lijden. Men kan iedere dag een kopje koffie drinken, af en toe een borreltje drinken, ůf men kan alcoholist zijn, drugverslaafde of kettingroker. Het gaat in de menselijke conditie dus om een verschil tussen gezond ongezond en niet te redden ongezond. Verre van mij om Godsgeloof an sich gelijk te stellen aan waanzin of rijp voor inrichting. Ik heb mijn gehele leven met Godsgeloof rondgelopen, en het lukte me op dezelfde manier als Kierkegaard (die op vele manieren te bewonderen is) er wel iets eerlijks en oprecht menselijks van te maken. Half rechtop lopen is iets geheel anders als in de goot liggen. Strompelen is ook een stuk beter dan bedlegerig zijn. Godsgeloof is beter dan zelfmoord doen. Achteraf bezien zou ik mijn Godsgeloof neurotisch kunnen noemen, ongezond, kinderachtig, overgevoelig, mooie dromen, een vorm van verslaving, het bewust sluiten van de ogen om mijn psyche te beschermen enz enz. Maar tezelfdertijd beschikte ik over bepaalde rationele vermogens die me ervoor behoedden geheel overboord te gaan; ik kon op veel beslissende punten mijn ogen toch wel openhouden, af en toe de illusies zelfs moedig wat toegeven. En nu ik van Godsgeloof af ben ben ik gezonder en sterker, maar ik ben nog steeds bereid om me een lid van de psychisch gestoorde mensheid te beschouwen, op dezelfde manier als iemand die met roken stopt weliswaar gezonder is, maar hierdoor niet opeens in een persoon zonder defecten is veranderd. Er is eenvoudig altijd ruimte om geestelijk gezonder en volwassener te worden. Nietzsche noemde zoiets de groei naar de Bovenmens, het verlangen naar de grote gezondheid.
Maar moet je nu eens kijken naar hoe die genoemde voormannen van het christelijk geloof inelkaar zaten. Moet je Augustinus horen praten over seks! (allemaal zonde behalve indien het gedaan wordt vanwege de voortplanting!), moet je Luther horen razen en tieren tegen de Joden, moet je Pascal zijn hoge intelligentie zien verkrachten tot de armetierige "Weddenschap van Pascal". Sla de combinatie 'Kierkegaard neurotic' in op google en je krijgt 21000 sites om erover te lezen; een man die deze uitspraak kon doen: "Indien na het laatste oordeel er slechts ťťn zondaar in de hel blijft, en ik ben die zondaar, dan zal ik vanuit de afgrond nog de Rechtvaardigheid van God loven". (Kierkegaard betekent dan ook passend Kerkhof!) DŠt is wat religie met mensen doet: zieke mensen nůg zieker maken.