Hoofdstuk 6, Wat je zegt ben je zelf



Projektie

In dit hoofdstuk gaat Ouweneel weer op de bekende wijze in de verdediging: hij probeert er een aanval van te maken. Boven het hoofdstuk staat: "psychologische Godsbewijzen". De titel van het hoofdstuk zou dus moeten waarmaken dat het vanuit de psychologie geredeneerd aannemelijker is dat er een God bestaat dan dat de mens God zou hebben gecreŰerd.


Het is bijzonder jammer dat Ouweneel de athe´sten niet in de eerste plaats laat spreken door de mond van Feuerbach, de man die in zijn Das wesen des Christentums de projektietheorie in alle details ontwikkelde en beargumenteerde. In plaats daarvan neemt Ouweneel Sigmund Freud als de speer waarmee de ongelovige het christendom bekritiseert. Ik las Freuds fantasievolle boekje Totem en taboe al eens als student, en stond er toen al verbaasd over dat hij zonder het minste bewijs te leveren een heel verhaal afsteekt over het grijze verleden van de mensheid, waarin de stamvader gedood wordt en de doders schuld ervaren enz. Ik heb zelfs geen behoefte aan discussie van zo'n theorie. Zo geheel anders en mijlenver erbovenuit stekend is dat unieke boek van Feuerbach. Een koele benadering, een vlijmscherp analyserend verstand, nergens fantastische claims, zich strikt bezig houdend met het grote geheel van de leer van de religie. Hij weet zijn theorie zonder enige gaten erin af te leveren. Hij staat er garant voor en was bereid zijn baan en universitaire carriŔre ervoor op te geven om deze zienswijze uit te kunnen spreken en uit te werken. Zijn boek is ÚÚn van de beste boeken aller tijden, wat de religie betreft eenzelfde soort mijlpaal als Darwins The Origin of Species. HÝer moet men zijn om de projektietheorie goed te kunnen begrijpen.


Het lezen van Feuerbachs boek is voor de mens die met de christelijke religie bekend is en in het zwemwater ervan heeft gezwommen een aardbeving, een landverschuiving. Het zet alles wat draait en zweeft en in de lucht vliegt stevig op de grond. Eindelijk zie je in hoe alles in elkaar zat, hoe alles niet alleen het product is van 's mensen behoeften, maar eenvoudig de afdruk is van de gehele menselijke psyche. Vandaar de contradicties, het extreme, het onmogelijke, het allesomvattende van religie. Feuerbach lezen is jezelf eindelijk leren kennen. De essentie van het christelijk geloof in te zien staat gelijk aan de essentie van je eigen persoon te doorgronden. Lees de aanvang van hoofdstuk twee in Feuerbachs boek: "Religie is het door de mens uiteen trekken van zichzelf." Wat een sublieme zin! Je kan er de hele dag over nadenken en de hele dag zul je het bevestigd zien. "Hij ziet God als een wezen dat de antithese is van zichzelf. God is dat wat de mens niet is. God is het onbegrensde, de mens het begrensde wezen. God is perfect, de mens is imperfect. God is eeuwig, de mens is tijdelijk. God is almachtig, de mens is zwak. God is heilig, de mens is zondig. God en de mens zijn extreme tegengestelden: God is het absoluut positieve, de som van alle werkelijkheden; de mens is het absoluut negatieve, alle negaties omvattend." Dßt is de kern van de psychologie van religie. Daarop is alle schuld en zonde en onnatuurlijkheid gebaseerd. Maar lees verder, wßt is de bron van het denkbeeld God?


Maar in religie beschouwt men zijn eigen latente natuur. Om dit aan te tonen moeten we laten zien dat deze antithese, de tegenstelling tussen God en de mens, hetgeen aan de basis van de religie staat, een tegenstelling is die de mens creŰert tot zijn eigen natuur. Dat het wel zo mˇet zijn is al meteen duidelijk uit het feit dat indien de goddelijke natuur -het object van de religie- werkelijk buiten de mens zelf bestond, een dergelijke splitsing van zijn natuur, een uiteentrekken van de mens zelf, niet zou kunnen bestaan. Indien God werkelijk een wezen is dat buiten mijzelf bestaat, waarom zou ik me dan druk maken over zijn perfectie? Scheiding bestaat slechts tussen wezens die verdeeld zijn, maar eigenlijk ÚÚn zouden moeten of kunnen zijn, die dus in wezen ÚÚn natuur hebben. Hieruit volgt dat de eigenschap waarmee men zich gescheiden voelt aangeboren aanwezig moet zijn en uit zichzelf opborrelt, maar tezelfdertijd neemt het een ander karakter aan dan de eigenschap of macht die hem het gevoel geeft, het bewustzijn, van verzoening, van eenheid met God, of, wat op hetzelfde neerkomt, van eenheid met zichzelf. Deze eigenschap is niets anders dan de intelligentie, de rede, oftewel het begrijpen. God als antithese van de mens, als een niet-menselijk wezen, dwz niet menselijk persoon, is equivalent aan de objectieve kant van het begrijpen. De pure, perfecte, goddelijke natuur is het zelfbewustzijn van de rede, het bewustzijn dat ons bevattingsvermogen geeft van de perfectie van zichzelf.


Lees weer die eenvoudige, maar dwingende redenatie: "Dat het wel zo mˇet zijn is al meteen duidelijk uit het feit dat indien de goddelijke natuur -het object van de religie- werkelijk buiten de mens zelf bestond, een dergelijke splitsing van zijn natuur, een uiteentrekken van de mens zelf, niet zou kunnen bestaan. Indien God werkelijk een wezen is dat buiten mijzelf bestaat, waarom zou ik me dan druk maken over zijn perfectie?" Feuerbach is als een granieten rots die opeens voor je geplaatst wordt. Je kunt erop klimmen en het uitzicht bewonderen, maar je kunt er niet omheen, noch eronderdoor, nog er brokstukken uit pikken met je pikhouweel.


Jarenlang zat ik met de vraag hoe of wat God nu eigenlijk is. Een theoloog komt altijd op hetzelfde eindpunt: je kunt nooit zeggen wat God wÚl is, maar uiteindelijk enkel wat Hij nÝet is, God is het ondoorgrondelijke, dat wat je niet bevatten kan, niet uitspreken kan, niet omschrijven kan. Men noemt dat de apofatische theologie, het omschrijven door middel van enkel ontkenningen. Hoe frustrerend! Datgene wat in het centrum van al je denken en handelen staat is als een fantoom, als iets volkomen ongrijpbaars....Maar lees dan Feuerbach verder:


God als God, dwz als onbegrensd wezen, als niet-menselijk, niet door de materie begrensd, niet als zintuiglijk waar te nemen verschijnsel, is slechts een object van de gedachte. Hij is niet-lichamelijk, vormloos, niet te bevatten - een abstract, negatief wezen: hij laat zich alleen kennen, dwz wordt alleen een object via abstractie en negatie (viÔ negationis). Waarom? Omdat hij niets anders is dan de objectieve natuur van het denkvermogen, of algemeen gesproken, van de mentale aktiviteit, men noeme het hoe men wil, door middel waarvan de mens zich van de rede bewust is, van het bewustzijn, van intelligentie. Er is geen andere geest, geen andere intelligentie waar de mens in kan geloven of die hij kan bevatten, dan de intelligentie die hij in zichzelf vindt, het denkvermogen, het verstand, dat aktief is in hemzelf. Hij kan niets anders doen dan deze intelligentie scheiden van de begrenzing van zijn eigen individualiteit. De 'onbegrensde geest' is in tegenstelling tot de begrensde, daarom niets anders dan het verstand dat zich ontdoet van de begrensdheid van individualiteit en lichamelijkheid (individualiteit en lichamelijkheid gaan altijd samen); 'onbegrensde geest' is intelligentie op zichzelf genomen...Wanneer een mens dus aan het begrip 'God' denkt, is hij in de eerste plaats bezig het verstand te doorgronden, hoewel hij met behulp hiervan God ook weer als gescheiden kan zien van zijn verstand. Want de mens is er aan gewend een denkbeeld altijd in de vorm van een object te denken. Dit kan hij ook met het verstand doen. Het verstand denkt hij zich in als een object in ruimte en tijd. God als een metafysische grootheid is het verstand dat met zichzelf tevreden is, van zichzelf verzadigd is, dat zichzelf als absoluut wezen kan denken. Alle predicaten die we aan God geven zijn slechts echte predicaten voor zover ze behoren tot het denken, de intelligentie, het verstand.


Miljoenen mensen zijn bezig met het probleem 'evolutie versus schepping'. Bibliotheken kan men vullen met boeken erover. Maar lees dan eens de atoombom van Feuerbach, iets wat je nergens aantreft in al die boeken over natuurlijke selectie, irreducable complexity en allerlei ander speelgoed waarmee de vechtjassen spelen:


De leer van de Schepping is ontsprongen aan het Juda´sme, het is zelfs de meest karakteristieke, de meest fundamentele leer van het Joodse geloof. Het principe dat aan de basis van deze opvatting ligt is niet zozeer het subjectieve, maar het ego´sme van de mens. De leer van de Schepping en de betekenis ervan ontstaat slechts daar waar de mens de Natuur louter beziet als ondergeschikt aan de menselijke wil en behoeften. Vandaaruit gaat de mens verder door het ook in gedachten tot een machine te degraderen, tot een produkt van de wil. Nu wordt het bestaan ervan begrijpelijk voor hem, want hij legt het vanuit zichzelf uit, vanuit zijn eigen gevoelens en inzichten. De vraag 'Waarvandaan komt de Natuur of de Wereld?' veronderstelt de verbazing erover dßt het bestaat, oftewel de vraag 'Waarom bestaat het?'. Maar deze verwondering, deze vraagstelling komt slechts daar op waar de mens zich als gescheiden ziet van de Natuur, en het slechts als een produkt van de wil opvat. De schrijver van het Boek der Wijsheid zegt geheel juist over de heidenen dat "alhoewel ze de wereld bewonderden en de schoonheid ervan inzagen, ze niet op het idee kwamen er de hand van de Schepper in te zien". De mens die de Natuur beschouwt als 'schitterend', beschouwt het als iets wat geen uitleg behoeft, als iets dat het waarom ervan in zichzelf bergt; het waarom ervan komt niet bij hem op. De Natuur en God zijn identiek aan elkaar in zijn bewustzijn, zijn kijk op de wereld. De Natuur zoals die zich voordoet heeft inderdaad een oorsprong, is het resultaat van oorzaak en gevolg, maar niet geschapen in de religieuze zin, niet geschapen als een willekeurig produkt. En in het ontstaan ervan ziet men in het geheel geen kwade machten. Het ontstaan ervan houdt ook niet iets onvolmaakts, iets ongoddelijks in. Hij stelt het zich zo voor dat ook de goden een oorsprong hadden. De oerkracht is de kracht die genereert, die voortbrengt, verwekt. Aan de basis van alles staat volgens hem dus een Natuurkracht, een werkelijke, aanwezige, zichtbare aktieve kracht. Dus daar waar de mens de wereld esthetisch of theoretisch beziet (esthetiek was de oervorm van filosofie, het theoretische), daar is de wereld gelijk aan de kosmos, aan het majesteitelijke, aan de godheid zelf. Alleen daar waar men fundamenteel zˇ tegen de wereld aankeek kon een gedachte ontstaan en uitgesproken worden als die van Anaxagoras: "De mens wordt geboren om de wereld te aanschouwen." (letterlijk "om de zon, de maan en de hemelen te aanschouwen"). In deze zienswijze staat de harmonie van het geheel centraal. Het subjectieve, de speelruimte waarin de mens zich ziet als wezen van vrije wil, is hier slechts de zinsbegoocheling van de verbeelding. Hij is hiermee tevreden en laat de Natuur voor wat het is, hij richt zich op het bouwen van luchtkastelen, op zijn dichterlijke hemelse machten, allemaal gebouwd met natuurlijke materialen.
Maar wanneer men op het tegendeel uitkomt, wanneer de mens alles beziet vanuit een standpunt van nut voor zichzelf, en zelfs het theoretische daaraan ondergeschikt maakt, daar ontstaat een kloof tussen de mens en de Natuur. Hij maakt van de Natuur dan een dienaar van zijn zelfzuchtige belangen, zijn ego´sme dat de praktijk van zijn leven dient. De theoretische aankleding van dit ego´stische, de praktijk dienende denken stelt dat de Natuur op zich niets is: de Natuur oftwel de wereld is gemaakt, geschapen, het produkt van een bevel. God zei Er zij licht, en meteen liet de wereld zich zien op zijn bevel.
Het utilisme (nuttigheidsgeloof) is de kern van het Joodse theoretische denken. Het geloof in speciale goddelijke voorzienigheid de in het oog springende uiting ervan. Het geloof in de voorzienigheid staat gelijk aan het geloof in het wonder. Maar geloof in wonder bestaat slechts daar waar men de Natuur slechts als een willekeurig object beschouwt, een object voor het ego´sme, dat de Natuur kan zien als een instrument ten dienste van de menselijke wil en zijn welzijn. Water scheidt zich of trekt zich samen alsof het een vaste stof is, stof kan veranderen in ongedierte, een staf kan veranderen in een slang, rivieren in bloed, uit een rots kan op bevel een fontein ontstaan, op dezelfde plaats kan het tegelijkertijd licht en donker zijn, de zon kan dan weer eens stilstaan, dan weer eens terugdraaien. Al die onmogelijkheden in de Natuur geschieden ten bate van het welzijn van Israel, geheel als gevolg van het bevel van Jahweh, de God die zich nergens anders mee bezig houdt dan met zijn volk IsraŰl, de God die niets anders is dan de personificatie van de zelfzuchtigheid van de IsraŰlieten, een zelfzucht die alle andere volken uitsluit, -absolute onverdraagzaamheid is de geheime essentie van het monothe´sme.
De Grieken hadden grote interesse voor het theoretisch begrijpen van de Natuur. Zij hoorden hemelse muziek in de harmonische bewegingen van de sterren. Zij zagen de Natuur ontstaan uit het schuim van de oeroceaan en gaven het de naam Venus Anadyomene. Maar de IsraŰlieten waren in de Natuur ge´nteresseerd voorzover het hun buik een dienst bewees.


Hoe anders ziet de wereld er opeens uit wanneer je deze woorden begrijpt. Hoe verbleken al die discussies over evolutie en creationisme tot nietige kanttekeningen in vergelijking tot deze gedachten, de diepste gronden van ons denken! Iemand die zijn Feuerbach kent heeft zijn bewustzijn exponentieel vergroot.


Lees verder, volg de ontwikkeling van de religie tot het christelijke geloof:


Het christelijk geloof is de joodse religie ontdaan van het ego´sme van nationalisme. En toch is christelijk geloof ook iets nieuws, een nieuwe religie, want in religie, waar de meest triviale zaken als belangrijk worden gezien, is iedere reformatie, iedere purificatie, wezenlijke verandering. Voor de Jood was de IsraŰliet de middelaar en het teken van het verbond tussen God en mens. Zijn relatie tot God was identiek aan zijn relatie tot het karakter van de IsraŰliet. Jahweh was niets anders dan het zelfbewustzijn van IsraŰl dat als een objectief wezen werd opgevat. Jahweh was identiek aan het nationale geweten, aan universele wet, aan de spil van het politieke systeem.
Wanneer we de begrenzing van het nationale weglaten, houden we geen IsraŰliet over, maar de mens. Zoals Jahweh de personificatie is van het nationale karakter van de IsraŰliet, zo is God voor de christen de personificatie van de subjectieve menselijke natuur, ontdaan van zijn nationalistische begrenzing. IsraŰl maakte van haar nationale behoeften de goddelijke wet van de wereld, zij vergoddelijkte zelfs haar behoefte aan politieke vergelding. Op dezelfde manier maakten de christenen van de eisen die het gevoel stelt absolute machten en wereldwetten. De wonderen van het christelijke geloof, voor haar net zo essentieel als de wonderen van het oude joodse geloof voor dÝe godsdienst, hebben niet het welzijn van de natie op het oog, maar het welzijn van de mens, dwz de mens die men christelijk kan beschouwen, want het christendom is nog niet toe aan het werkelijk universele menselijke hart. Het christelijk geloof erkent de mens slechts onder voorwaarde dat hij geloof in Christus heeft. Dit is een fatale begrenzing, waarover later meer. Het christelijk geloof heeft het Juda´sme vergeestelijkt, dwz het richt zich volkomen op het subjectieve. Net als in het nationalistische bewustzijn is ook in dit individueel-subjectieve slechts de stem van het ego´sme aan het woord. De wens van aardse welvaart -de kern van het joodse geloof- wordt veranderd in een verlangen naar hemelse zaligheid, de kern van het christelijk geloof.


In het christelijke geloof is het subjectieve gevoel, slechts de stem van het ego´sme aan het woord! Wat eeen eye-opener voor iemand die niets anders heeft leren kennen in zijn leven als preken die over nederigheid gaan, jezelf opofferen, naastenliefde, medelijden en honderd andere termen van het gevoel! Wat een diepe bron om absolute eerlijkheid in je leven naar boven te halen!


God is de Liefde die al onze wensen vervult, onze emotionele behoeften bevredigt. Hijzelf is de realisatie van de hartewens, de wens die de zekerheid van haar vervulling opeist, de zekerheid van haar werkelijk bestaan. De wens eist ontwijfelbare zekerheid, zekerheid waar geen enkele tegenstrijdigheid meer vat op heeft, geen enkele ervaring van de externe wereld nog tegen kan spreken. Zekerheid is de hoogste macht van de mens. Dat wat voor hem zeker is, is het essentiŰle, het goddelijke. De meest verheven uitdrukking van het christendom is de frase "God is liefde". Deze frase heeft als geen ander doel dan de zekerheid uit te drukken waarmee een mens zijn eigen gevoel poneert.


Lees het nog eens, leer het uit je hoofd: "Zekerheid is de hoogste macht van de mens." Dßt is de kern van al het geloofsfanatisme. Hoe duidelijk is alles opeens nu, hoe verbazingwekkend dat al deze dingen zo finaal voorbij de gedachtenhorizon van iedere gelovige lag! Hoe kinderachtig zijn wij gelovigen altijd beziggeweest!


Men zegt ook dat gebed slechts helpt indien men erop vertrouwt, indien het uit het hart komt, en vurig is. Maar deze 'hulp' die komt ligt in het gebed zelf. Zoals in alle onderdelen van de religie is het subjectieve het belangrijkste, de oorzaak van alles, het subjectieve is het objectieve feit. Dus in gebed zijn deze subjectieve gevoelens identiek aan de objectieve werking van gebed. Zo kan gebed in groepsverband nog sterker werken dan gebed in afzondering, omdat gemeenschap de kracht van de emotie versterkt en het vertrouwen groter maakt.
Het is zeer oppervlakkig gebed uit te leggen als een uiting van afhankelijkheid. Natuurlijk is het ook daarvan een uiting, maar men dient in te zien dat het afhankelijkheid is van de mens van zijn eigen hart, van zijn eigen gevoel. Hij die zich slechts afhankelijk voelt hoeft zijn mond nog niet open te doen om te bidden. Afhankelijkheid geeft hem het gevoel behoeften te hebben en wanneer hij zich daarvan bewust wordt kan het ook tot gevolg hebben dat hij de moed verliest ze uit te spreken, of het verlangen uitdooft. De wortel van het gebed is in het onvoorwaardelijk vertrouwen van het eigen hart, het hart dat zich totaal niet druk maakt om obsessieve drang, dat zich eenvoudig gelijk maakt aan de gedachte dat het Absolute Wezen, de almachtige, oneindige natuur van de Vader des mensen, gunstig gestemd is, ontfermend en liefdevol is, en dat de heilige gevoelens van de mens goddelijke realiteiten zijn.


Hoezeer weet iedere gelovige die de moed heeft eerlijk te zijn dat dÝt de waarheid is! Elke uitgesproken redenering van Feuerbach is een mokerslag:


Liefde werkt met magnetisme, despotisme slechts met mechanische bewegingen. Daarom is de intiemste benaming voor God in gebed "Vader", want het is de uitdrukking waarin de garantie ligt dat mijn wensen vervuld zullen worden, de garantie voor mijn behoud. De almacht waartoe een mens zich richt is niets anders dan de almacht van het Goede, de almacht die het onmogelijke mogelijk maakt, in andere woorden, het is niets anders dan het laten zegevieren van de almacht van ons hart, ons gevoel, dat alle beperkingen aan de kant zet, en zelfs boven de Natuur kan vliegen. In gebed wil de mens dat er niets anders bestaat dan gevoel, niets mag bestaan dat het hart tegenspreekt.


Gebed tot 'de Vader' is het laten zegenvieren van de almacht van ons hart, ons gevoel! Wat een subliem inzicht!
Lees weer verder:


Waar geloof heeft bovendien geen last van twijfel. Twijfel komt pas op wanneer ik mijn eigen persoonlijkheid te buiten ga, en ik aan de werkelijkheid een recht van bestaan geef dat onafhankelijk is van mijzelf. Maar in geloof wordt het hele begrip twijfel van tafel geveegd, want in geloof staat het subjectieve gelijk aan het objectieve, zelfs aan het absolute. Geloof is niets anders dan geloof in de absolute werkelijkheid van subjectiviteit. Luther schrijft: "Geloof is de moed in het hart dat al het goede van God komt. Zulk een geloof waarin het hart slechts op God vertrouwt, wordt ons door het eerste gebod bevolen, het gebod dat zegt Ik ben de Here uw God...dwz Ik alleen zal uw God zijn; Gij zult geen andere God aanbidden; Ik zal u uit al uw benauwenis redden. Gij zult niet denken dat Ik uw vijand ben en u niet kom helpen, want wanneer u zo zou denken zou u Mij tot een andere God maken. Neem dus voor zeker aan dat ik u genadig zal zijn." - "Zoals u doet, zal God doen. Indien u denkt dat God vertoornd is zal Hij vertoornd zijn; indien u denkt dat Hij ongenadig is en u zal verdoemen naar de hel, dan zal Hij dat doen. Zoals u in God gelooft, zo zal Hij voor u zijn." - "Indien u het gelooft, dan heeft u het; indien u niet gelooft, dan heeft u niets van het geloof." - "Daarom, zoals wij geloven, zo zal het ons geschieden. Indien wij Hem beschouwen als onze God zal Hij niet onze duivel zijn. Maar als we Hem niet als onze God beschouwen, zal Hij waarlijk niet onze God wezen, maar een verterend vuur voor ons zijn." - "Door ongeloof maken wij van God een duivel." We zien uit deze uitspraken dat indien ik in een God geloof, ik een God geschonken krijg, dwz geloof in God is de God van de mens. God is precies wat ik ervan maak, dus de natuur van God, het karakter van God is niets anders dan het karakter van het geloof. Is het mogelijk voor u in een God te geloven die u gunstig gezind is, indien u zelf wanhoopt aan de mens, indien Hij niets voor u te betekenen heeft? Wat anders is God dus dan de mens zelf, de onvoorwaardelijke zelf-liefde van de mens? Indien u gelooft dat God voor u is, gelooft u dat niets tegen u is of tegen u kßn zijn, en dat niets in tegenstrijd tot u is. Maar in dat geval gelooft u eigenlijk dat u zelf God bent! Dat we God als een ander wezen beschouwen is slechts illusie, slechts verbeelding. Door te verklaren dat God voor u is, doet u niets anders dan te verklaren dat hij uw eigen persoon is. Geloof is dus niets anders dan de oneindige zelfbevestiging van de mens, de volledige zekerheid dat iemands subjectieve bestaan de objectieve werkelijkheid is, een absoluut bestaan is, het bestaan is waarboven niets bestaat.


Herhaal het weer eens en denk erover na: "Geloof is dus niets anders dan de oneindige zelfbevestiging van de mens." Hoe hard komt dit aan voor iedere gelovige! En hoe wijs wordt deze gelovige indien hij/zij de moed heeft zo eerlijk te worden de opgemerkte werking in zijn eigen leven waar te nemen! Feuerbach is de grootste opvoeder die een gelovige in zijn leven ooit kan tegenkomen, naast Nietzsche de grootste ontmaskeraar van het christelijke geloof. Iedere christen zou hem van begin tot eind gelezen moeten hebben en er op z'n minst mee bezig moeten zijn hem een eerlijk weerwoord te geven. In plaats daarvan heeft de christelijke wereld hem tot een voetnoot gemaakt, een terloopse opmerking. Ouweneel schrijft:


De projektietheorie van Sigmund Freud - die overigens al teruggaat op Ludwig Feuerbach en Karl Marx - is altijd een welkome speer geweest in de strijd van het athe´sme tegen het the´sme. Het argument is als volgt: in het the´sme worden gevoelens en verlangens 'geprojekteerd', dat wil zeggen vanuit de eigen psyche toegekend aan een letterlijk object buiten de mens, en wel eerst aan de vader, en vervolgens aan een denkbeeldige vaderfiguur, die God wordt genoemd. God is niets anders dan een onbewuste wensdroom: net zoals een kind verlangt naar een liefdevolle vader, zo verlangt de gelovige naar een liefdevolle God. Klaar is Kees: het the´sme is genoegzaam wegverklaard als een vorm van 'projectie'. God is een God van ons eigen maaksel, - geschapen naar ons eigen beeld - met een levenspatroon dat ons het prettigst is.


Zelfs in de kanttekening moet Feuerbach nog de eer delen met Karl Marx! Ik zou durven te wedden dat Ouweneel nooit Feuerbach aandachtig en in zijn geheel gelezen heeft. Iemand die zoiets gedaan heeft zou namelijk nooit zo'n verhaaltje over de projektietheorie gaan schrijven en na twee (!) volzinnen schrijven: "Klaar is Kees!" Wat een schandaal! En dan nog te vervolgen met een denigrerende opmerking naar ÚÚn van de erudietste mensen die Nederland rijk is!


Deze theorie is met zoveel problemen bevangen dat het eigenlijk verwonderlijk is dat bijvoorbeeld Herman Philipse haar in zijn Athe´stisch manifest nog verdedigt.


Verwonderlijk? Laat ik nu durven wedden dat Herman Philipse zijn Feuerbach wÚl gelezen heeft, waarschijnlijk tenminste twee keer!


Ouweneel geeft drie redenen om de projektietheorie omver te gooien:
1. De projektietheorie moet worden kunnen bewezen, maar Freud doet dit nergens. "Hij heeft nooit de moeite gedaan aannemelijk te maken dat religie inderdaad met behulp van de projektietheorie verklaard kan worden." Waarom zou hij? Dat werk had Feuerbach al gedaan, en zo grondig en definitief dat niemand er meer iets aan zou hoeven toe te voegen, laat staan opnieuw beginnen en hetzelfde in andere bewoordingen op tafel te leggen. "In de vele casussen die Freud beschrijft, is nergens een hint te vinden dat religie bij zijn patiŰnten inderdaad als een wensdroom fungeert." Uiteraard niet, omdat die mensen dan geen patiŰnten van hem zouden zijn! Maar kijk eens naar de doorsnee gelovige die je om je heen hebt. Onlangs was ik met ÚÚn in gesprek op een forum. Hij werd geconfronteerd met de projektietheorie, waarop zijn antwoord was:


Een God dus die niet zomaar een projectie is om de behoefte te bevredigen tot het verklaren van dingen die niet zo helder liggen. Zo werkt mijn geloof ook helemaal niet. Geloven betekent in mijn optiek ook helemaal niet dat ik daarmee dus bevrediging vind om de dingen om me heen en de dingen die in de wereld gebeuren te begrijpen. Die zijn voor mij waarschijnlijk even raadselachtig als bij ongelovigen het geval is. Het verschil is waarschijnlijk dat gelovigen vertrouwen in God stellen wat betreft de afloop. Maar het hoe en waarom van de dingen worden mij in het geloof ook niet op een presenteerblaadje aangeboden.


Hoe interessant! Zo'n denkende gelovige doet zijn uiterste best om te laten zien dat zijn geloof geen wensvervulling is, geen bevrediging van emotionele behoeften of existentiŰle benauwdheid. Hij denkt dat bewijs voor de dag te kunnen toveren door ruiterlijk toe te geven dat hij allemaal problemen heeft met de interpretatie van de bijbel en de redenaties van de religie, in een wereld waar alles de religie tegenspreekt. Maar in ÚÚn adem voegt hij eraan toe -zonder dat hij er erg in heeft dat het hem volledig ontmaskert!- "Gelovigen stellen vertrouwen in God wat betreft de afloop." Wat is een beter bewijs voor het feit dat het dus precies om wensvervulling draait, zelfbevrediging van diepst-gevoelde emotionele behoeften, existentiŰle stress! Er is volstrekt niets rationeels wat er aanleiding toe geeft om dit religieuze geloof te onderhouden, integendeel de gelovige geeft toe dat alles tegenspreekt; de enige beweegreden voor geloof in de goede afloop is dus de bevrediging van eigen emotionele/existentiŰle behoeften.
Dat religie fungeert als wensdroom is overigens eenvoudig een klein onderdeel van het geheel. Religie funktioneert op zoveel manieren, onder andere op allerlei perverse manieren, bijvoorbeeld door de angsten van de mens uit te buiten en het schuldgevoel van de mens zo groot mogelijk te maken.

2. "Karl Popper heeft marxisme, freudianisme en darwinisme slechte wetenschappelijke theorieŰn genoemd omdat ze niet falsifieerbaar zijn. Er zijn geen riskante voorspellingen denkbaar die op deze theorieŰn gebaseerd zijn en die eventueel gefalcifieerd zouden kunnen worden, zodat daarmee de theorie in kwestie weerlegd zou zijn." Om me maar te beperken tot Feuerbach: ieder objectief teken van een immanente God in de wereld zou zijn theorie dat God een illusie is weerleggen. En deze objectieve tekenen zijn er eenvoudig niet, zelfs niet nadat christenen er 150 jaar hun best voor hebben kunnen doen om het tegendeel aannemelijk te maken. Integendeel, het gekrakeel over wonderen is eerder telkens een ondersteuning voor Feuerbachs theorie: "Geloof in de kracht van het gebed -N.B slechts waar men het over een echte, objectieve kracht heeft is gebed nog een religieuze waarheid- staat gelijk aan geloof in wonderen. Geloof in wonderen is identiek aan de essentie van het geloof in het algemeen." De geschiedenis heeft laten zien dat waar wonderen uitsterven het religieus geloof uitsterft.
Wat de falsificatie van Feuerbach betreft geeft ik Ouweneel nog een paar laatste woorden van Feuerbach om te overdenken.


Geloof in openbaring is een kinderlijk geloof, en is slechts te respecteren zolang het geloof kinderlijk is. Maar het kind wordt van buitenaf bepaald, en de openbaring heeft als doel het met Gods hulp bereiken van wat men niet alleen bereiken kan. Vandaar dat men openbaring ook wel de opvoeding van de mensheid heeft genoemd. Dit is inderdaad een correcte analyse. Maar openbaring moet men echter niet zien alsof het buiten de menselijke natuur ligt. Binnen in de mens is een innerlijke noodzaak die de mens ertoe dwingt morele en leerstellige zaken in de vorm van verhalen en fabels te gieten, en een daarbijbehorende noodzaak deze impuls als een openbaring te zien...Maar op dezelfde manier zoals de natuur 'onbewust resultaten produceert die zich voordoen alsof ze bewust geproduceerd werden', resulteert openbaring ook in morele handelingen die niet ontspringen aan de moraal in de mens. Dus morele handelingen, maar geen morele dispositie. Moraal die men gehoorzaamt, maar die niet uit het hart van de mens zelf komen. Moraal die gezien wordt als opgelegd door een externe wetgever, behorend tot de categorie willekeurige wetten en door de politie verdedigde inzettingen. Wat men dan doet is niet goed omdat het juist is, maar omdat het door God bevolen wordt. De inherente kwaliteit van de handeling doet er niet toe, waar het om gaat is dat het door God geboden wordt, want een gebod van God is goed. Zolang als deze geboden samenvallen met wat de rede en de ethiek beveelt is er geen probleem...Een openbaring op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd moet op schrift gesteld worden zodat haar zegeningen onverminderd voort kunnen duren. Dus voor de volgende generatie en alle tijden erna staat openbaring gelijk aan geloof in een historisch boek. Maar een noodzakelijk gevolg van een geloof in een historisch boek -onderhevig aan alle omstandigheden van tijdelijk en niet-definitieve produktie- is bijgeloof en sofisterij (aanwenden van drogreden; vindingrijk maar vals en bedrieglijk redeneren). Geloof in een opgeschreven openbaring is alleen echt, zonder huicheling en wat dat betreft te respecteren, indien men de gehele openbaring als betekenisvol, waar, heilig en goddelijk beschouwt. Maar daar waar men een onderscheid gaat maken tussen het menselijke en het goddelijke, het betrekkelijk ware en het absoluut ware, het tijdelijk ware en het permanent ware, daar waar men dus van mening is dat het geopenbaarde niet zonder uitzondering onvoorwaardelijk waar is, daar is het ongeloof in de Bijbel als goddelijk boek al ingetreden, daar ontkent men indirekt, dwz op een slinkse, oneerlijke wijze, het goddelijk karakter van de openbaring. .. Een waarlijk goddelijk boek bevat niet koren en kaf, iets voor alle tijden en iets tijdelijks, maar moet in zijn geheel eeuwig, waar en goed zijn...Indien God de haren op het hoofd van de mens geteld heeft, indien er geen musje van het dak valt zonder zijn wil, hoe zou God zijn Woord -het Woord waar de eeuwige behoudenis van afhangt- kunnen laten overlaten aan de stommiteiten en grillen van op schrift stellers. Waarom zou hij niet eerder zijn gedachten direct dicteren, en zijn gedachten direct aan hun pen opleggen om de mogelijkheid van vergissingen te vermijden? 'Maar indien de mens slechts een passief instrument van de Heilige Geest was, zou menselijke vrijheid afgeschaft zijn!', hoort men hierop zeggen. Ach, wat een zielig argument! Is de menselijke vrijheid soms van groter belang dan de goddelijke waarheid? Of betekent menselijke vrijheid slechts het verdraaien van goddelijke waarheid? ..De rede staat daarom op volkomen valse grond, op een grond die regelrecht tegen haar ware natuur indruist. Het begrip moet zich er tevreden mee stellen dat het hier geheel onverschillig staat ten opzichte van de waarheid, zich niet inlaat door zelf een oordeel te vellen over waarheid en leugen. Het mag niet onafhankelijk optreden, want wat er ook in de openbaring staat, het zal allemaal waar mˇeten wezen, zelfs wanneer het strijdt met de rede. Het begrip is hulpeloos overgeleverd aan het toeval van wat schandelijk empirisme het maar voorschoteld: wat ik ook maar tegenkom in de openbaring, ik zal er in moeten geloven; indien noodzakelijk zal ik mijn rede moeten aanwenden om het goed te praten. Mijn rede is de wachthond van de openbaring. Het moet alles wat de openbaring schenkt als waarheid ontvangen en het ÚÚn wel en het ander niet als openbaring ter beschouwen zou twijfelachtig, zelfs een misdaad zijn. Bijgevolg blijft er voor de rede niets anders over dan onverschilligheid, dwz een een slappe en slome manier van denken, vol drogredenen, uitvluchten, jongleurstechnieken en zand in de ogen gooien.
Maar hoe langer de mens in de loop van de tijd van openbaring vervreemdt, in andere woorden, hoe meer de mens zich rijpt naar onafhankelijkheid, des te schreeuwender, grover de tegenstrijdigheid tussen het verstand en het geloof in openbaring wordt. De gelovige kan dan de openbaring alleen nog maar bewijzen door van de tegenstrijdigheid geheel zichzelf de schuld te geven of de waarheid met voeten te treden. Dit laatste is zo schandelijk dat men hieraan de naam zonde tegen de Heilige Geest zou moeten geven.


De tijd dat deze voorspelling -die ik hierboven gecursiveerd heb- uitkomt is nu gekomen, en iedere volwassen christen in de westerse wereld van de 21ste eeuw die met het christelijk geloof verdergaat begaat deze zonde tegen de Heilige Geest.

3. Paul Vitz, hoogleraar psychologie, heeft betoogd dat het juist athe´sme is dat op projektie berust. "Het is het verlangen van het kind om de vader te doden teneinde zijn autonomie te kunnen verwerkelijken. De mens wil zelfstandig zijn en is van nature geneigd om ieder gezag te ontvluchten. Atheisme is dus een vorm van natuurlijk vluchtgedrag, de wens dat God niet bestaat", aldus Ouweneel.
Ik vind in bovenstaande echter weinig wat niet in het straatje van de athe´st past. Het hoeft slechts ontdaan te worden van extreme taal om dienst te kunnen doen als reclamespot voor de athe´stische visie. Athe´sme is inderdaad een produkt van het opgroeien van de mens. Het heeft niets met opstand en bewust omdraaien van de werkelijkheid te maken, maar is eenvoudig de noodzakelijke en natuurlijke gang van zaken in het menselijk bewustzijn het kinderlijke af te leggen en volwassen te worden. 'Doden' van de vader klinkt nogal dramatisch. In een gezond geval gaat men eenvoudig de deur uit, en keuvelt men nog wel eens met de vader. De vader sterft uiteindelijk uit zichzelf af. Ook heeft het athe´sme volstrekt niets met vluchten te maken, maar inderdaad alles met autonoom worden. Athe´sme is de geestelijke ontwikkeling bereiken waarin men ziet geen vader meer nodig te hebben, maar geheel op eigen benen van denken gaat staan en verantwoordelijkheid neemt voor eigen leven. De mens dient van nature juist uit te groeien tot zo'n geest die zelf tot een autoriteit geworden is. Athe´sme is dus een vorm van geestelijk gerijpt zijn. De wens dat de vader niet bestaat komt slechts voor in het geval de vader het vertikt de vrijheid te schenken, en zelfs wanneer de athe´st allang de deur uit is, hem het leven zuur blijft maken met doodsbedreigingen, vermaningen terug te komen, minachting voor het huis dat hij opbouwt, geboden en verboden geeft wat hij wel of niet moet doen enz. Het argument van Vitz heeft weinig met apologie voor het christendom te maken, maar doet eerder goed uit de doeken wat er aan christelijk geloof scheelt en waarom het agressieve antithe´sten opwekt: het is een kinderlijke staat van zijn, en een denksysteem dat deze infantiliteit van de mens zolang mogelijk rekt en voedt. Uiteraard heeft Vitz gelijk dat het uiteindelijk een kwestie is van de wil van de mens. Maar hij gaat volledig overboord wanneer hij claimt dat "het moderne athe´sme ontstond uit de irrationele, vaak neurotische en psychologische behoeften van een kleine groep invloedrijke denkers. De oorzaak van deze behoeften ligt blijkens een psychologische analyse aan de afwezigheid van een goede vader in hun leven." Ouweneel voegt eraan toe dat "vrijwel alle belangrijkste athe´sten in onze westerse cultuur inderdaad een afwezige of tekortschietende vader hadden" en concludeert:


Paul Vitz stelt dat de athe´st het negatieve beeld dat door de ernstig falende of afwezige vader ontstaan is, op God geprojekteerd heeft. Wat Vitz laat zien in zijn boek, is dat de projektietheorie juist een veel betere verklaringsmethode is voor het ontstaan van het athe´sme dan van het the´sme.


Nietzsches vader stierf toen hij pas vijf jaar oud was, en hij werd boos op God, hiephiep hoera, het bewijs! Hoe mensen al zo naief kunnen opgaan in een spelletje spelen met zulke argumenten is voor mij een raadsel. Religieus geloof (en de projektietheorie) te reduceren tot een kwestie die om het vaderbegrip cirkelt is een naieve vereenvoudiging van de theorie. Dat God Vader genoemd wordt is eerder een detail in de religie dan de spil waar alles om draait; en een detail dat in moderne tijden meer en meer naar de achtergrond geduwd wordt. God als zorgzame vader zoals de christenen God willen zien is tegenwoordig een volledig uit de lucht gegrepen begrip dat elke dag tegengesproken wordt door vele miljarden onverhoorde gebeden en een lange geschiedenis waarin de vader stokdoof bleek te zijn. Ik herinner me nog hoe ik toevallig in Nederland was toen de Tsunami toesloeg. Ik zat na kerst een krantenartikel te lezen waarin de religieuze mensen weer braaf oplepelden: ôGods oordelen zijn rechtvaardigö, zelfs de uitdrukking ôstraf voor de goddeloosheid van de mensö durfden sommigen uit te spreken. Maar een paar uur later, verschenen de televisiebeelden van een kerk in Sri Lanka. De Tsunami had toegeslagen op tweede kerstdag!, tijdens de kerkdienst!, en alle gelovigen in de tjokvolle kerk waren omgekomen en de kerk weggevaagd! Mooie vader heeft de christen! David Hume zei het al 250 jaar geleden: "Er is geen enkele reden om uit het menselijk bestaan en de toestand waarin hij zich bevindt af te leiden dat God een moreel wezen is, of die ons rechtvaardigt de conclusie te trekken dat God goed is, en oneindige macht en wijsheid heeft." Een denkbeeld van God als vader kan men slechts in blind of heel bijziend geloof geloven. Dat dÝt wensdromen is staat voor mij buiten twijfel, en bijna geen christen durft er dan ook meer aan mee te doen. Maar als een kind dat een sinterklaascadeau krijgt staat Ouweneel met 'empirisch bewijs' van een onderzoek van Vitz in zijn handen en glundert hij te kunnen zeggen dat Freud zich niet op zoiets kan beroemen. De implicatie van deze onbezonnen redenering is overigens dat men met gemak een onderzoek zou moeten kunnen uitvoeren dat zou opleveren dat de the´stische gelovigen allemaal een geweldige vader hebben gehad waar ze o zo tevreden mee zijn! Hoe anders en hoe gecompliceerd is de werkelijkheid! De doorsnee mens in elke cultuur wordt in zijn eerste levensjaren al tot een vat van psychische problemen gemaakt. Iemand die de Emotional Life of Nations leest van Lloyd deMausse zal volkomen ontnuchterd zijn en beduust een toontje lager gaan zingen. Hij zal zich schamen voor al zijn simplistische verdediging van een God hier en een God daar. Antithe´sme is vast ook een uiting van de psychische tragiek van de mens, niets is gemakkelijker voor mij om toe te geven. Maar met geen mogelijkheid kan men uit de psychische toestand van de mens een 'levende God' tevoorschijn toveren. Alleen al het feit dat Ouweneel als een stopwoord de uitdrukking levende God steeds gebruikt laat al zien dat God aan een beademingsapparaat ligt.


Het verlangen van de hele mensheid - elke samenleving op aarde en door de gehele geschiedenis heen -naar zin en waarde in het leven, en zelfs nß dit leven wijst niet op projectie. Het is aannemelijker ons aangeboren verlangen naar het transcendente te verklaren uit een God die dit geloof en dit verlangen in ons plantte dan het te verklaren uit hetzij evolutionair ontstane collectieve frustratie, hetzij als een grote vergissing: 'er is geen zin en waarde'.


Waarom zou men het op frustratie of vergissing moeten gooien om het uit te leggen? Wat is eenvoudiger en duidelijk dan het antwoord dat Feuerbach gaf: het is eenvoudig de natuurlijke werking van ons verstand. Hoe absurd hier God neer te zetten als de aannemelijkste bron voor het verlangen naar zin en waarde! Ouweneel vervolgt met die onbegrijpelijke christelijke denktrant waar een niet-christen enkel paf van kan staan:


Er valt niet te leven met de idee dat de liefde niets anders is dan een biochemische reactie. Als er ware liefde is, dan is er ook zin en waarde, en dus is er het transcendente, en dus God."


Maar wie zegt nou dat 'ware liefde' enkel een biochemische reaktie is? Wie luistert er nu naar een symfonie en zegt na afloop dat het enkel geluidsgolven zijn? Iemand kan zoiets hoogstens als een vloek, een ogenblik van frustratie en boosheid of als een grap wel eens uitspreken, maar het volgende moment weet hij weer drommels goed dat de uitingen van menselijk leven uiteraard veel complexer zijn. De woordjes 'dus' kloppen eenvoudig niet. Iets wat al opgemaakt kan worden uit het vorige hoofdstuk waarin 'logische Godsbewijzen' geleverd werden, en dit bewijs volledig ontbrak. De woordjes 'dus' zitten enkel in het brein van iemand die per sÚ christen wil zijn en niets anders kan bedenken.


Wat je zegt ben je zelf gaat niet op. Ook niet wanneer je kijkt naar de moeilijke weg van de ontmanteling van het religieuze geloof die menige gelovige ervaren heeft, die onze hele cultuur al 250 jaar ervaren heeft. Veelal is athe´sme de geestelijk opgegroeide mens die gedwongen werd in de oceaan te zwemmen, in het donker te gaan lopen. Iemand op een discussieforum schrijft: "Atheisme een vorm van natuurlijk vluchtgedrag, de wens dat God niet bestaat? Hoezo zou ik me geen vaderfiguur wensen? Toen ik nog christen was, had ik totaal geen probleem met God. Toen ik het geloof kwijtraakte, had ik daar wÚl een groot probleem mee. Ik wilde juist graag dat er een God was, en deed m'n best om te blijven geloven." Athe´sme is de weg van de mens die na eeuwenlang kennis op te doen uit absolute intellecuele eerlijkheid genoodzaakt wordt het lot van de mensheid, en zelfs van de gehele wereld, geheel in de handen van de mens te leggen. Het is beslist niet wat wij mensen wensten. Het is de zwaarste taak die ooit op de mens werd gelegd.


Ik ga nu naar de uitspraak van Thomas Nagel die Ouweneel als kopje boven zijn hoofdstuk zette om aan te tonen dat de athe´st een existentiŰle keus gemaakt heeft en in hetzelfde bootje zit als de christen:


Ik wil dat het athe´sme waar is en word ongemakkelijk gemaakt door het feit dat sommigen van de intelligentste en best ge´nformeerde mensen die ik ken religieuze gelovigen zijn. Het is niet alleen dat ik niet in God geloof en natuurlijk hoop dat ik het bij het juiste eind heb. Het is dat ik hoop dat er geen God is! Ik wil niet dat er een God is. Ik wil niet dat het heelal zo is.


Ik bedank Nagel voor zijn stellingname en zou de woorden als motto boven mijn denken kunnen zetten! Dit denken is weer een stap verder dan het denken van de mens die dubt of hij nu in een God wil en kan geloven of niet. Het is het denken van de mens die de stap naar athe´sme allang achter de rug heeft en een stuk heeft moeten roeien op eigen kracht. Natuurlijk maakt de mens een existentiŰle keus wanneer hij voor het athe´sme kiest. Maar verre van irrationeel te zijn is deze gedachte in de eerste plaats rationeel: Deze mens begrijpt hoe primitief het allemaal was, hoe schadelijk het religieuze denken is voor de mensheid, hoe het de ontwikkeling van de mensheid belemmert. Religie maakt een mens huiveringwekkend arrogant, doet een mens dom inslapen, verkleint gevaarlijk het verantwoordelijkheidsgevoel voor zijn denken en daden op aarde. Wat doet een atoomoorlog ertoe? Het hoort allemaal tot het goddelijke plan en er zal een duizendjarig rijk van zegen en voorspoed op volgen. Wat doet een Tsunami ertoe? De christenen die omkwamen zijn nu allemaal bij God. De athe´st weet maar al te goed hoe de eeuwenlange religieuze wereld van grillige wonderen en machten en machteloze mensen eruit zag, en rilt van weerzin. Deze athe´st heeft veelal ervaren hoe de religie emotionele beschadiging oplevert. Hij stemt in met de uitspraak van Albert Ellis dat "vanuit het standpunt van geestelijke gezondheid bezien Voltaire's beroemde uitspraak omgekeerd dient te worden, oftewel: Indien er een god zou zijn, zou het noodzakelijk zijn hem ongedaan te maken."



Cognitieve dissonantie

Ouweneel snijdt vervolgens de kwestie van 'cognitieve dissonantie' aan. Hoe dit een 'psychologisch Godsbewijs' kan opleveren is mij een raadsel, maar al gauw wordt hier duidelijk dat Ouweneel enkel in gesprek met Herman Philipse wil zijn die in zijn boek opperde dat de zendingsdrang van de discipelen van Jezus te verklaren zou zijn via het begrip 'cognitieve dissonantie'. Ouweneel bestrijdt dit en ik ben het deze keer met hem eens. Maar wat Ouweneel ontgaat en mij als ex-christen bepaald niet, is dat de kwestie cognitieve dissonantie niet maar een onderonsje met Philipse is aangaande een mythisch verhaal, maar centraal staat in de kwestie christen of athe´st. Er is geen betere omschrijving van een modern christen dan de diagnose cognitieve dissonantie.


Ouweneel legt cognitieve dissonantie uit als een disharmonie tussen iemands overtuigingen en daden enerzijds, en de werkelijkheid en de overtuigingen van medemensen anderzijds; een disharmonie van zo'n grote aard dat men ze een wanverhouding kan noemen. Cognitieve dissonantie is dus onophoudelijk gewikkeld zijn in een geestelijk spagaat, een zeer pijnlijke en uitputtende situatie. Dit nu is de moderne christengelovige bij uitstek. Iedere christen die zijn geloof uiteindelijk opgeeft heeft verhalen hoe innerlijk gespleten men was als gelovige en hoe opgelucht men nu eindelijk is ervan verlost te zijn. Voorbeelden zijn legio. Hierboven noemde ik al het probleem in een hemelse Vader te moeten geloven die oostindisch doof is. In een ander hoofdstuk kwamen we al een God tegen die een wonder kan doen, terwijl Hij het tientallen jaren naliet. Zo kunnen we doorgaan: de gelovige ziet om zich heen moreel oprechte ongelovigen, maar moet geloven dat ze naar de hel gaan. Hij ziet een pacifistische hindoe, maar moet hem uitmaken voor iemand die 'in duisternis' leeft. Hij ziet nergens wonderen om zich heen, maar in de kerk moet hij erin geloven. Hij moet telkens bidden om zus en zo, maar weet dat God geen gebeden verhoort. Hij moet zichzelf altijd als zondig beschouwen, maar kent zichzelf enkel als oprecht mens. Hij lacht om de Griekse mythen en sagen, maar moet in alle serieusheid lezen hoe Simson kracht van God krijgt. Hij weet dat vrouwen net zoveel intelligentie hebben als mannen, maar moet ze laten zwijgen in de kerkdienst, hij weet dat homo's geen enkel kwaad bedrijven, maar moet homofilie een gruwel noemen. Hij weet zich een seksueel wezen, maar moet zijn seksuele gevoelens altijd onderdrukken. Hij scheidt net zoveel als de ongelovige, maar moet er kwaad over spreken. Hij slikt hoofdpijnpillen, laat zich inenten en vertrouwt op de dokter, maar moet zogenaamd vertrouwen op God. Hij weet dat de koning een despoot is, maar moet hem laten regeren 'bij de gratie Gods', hij predikt de liefde, maar moet telkens met alle ketters ruzie maken. Hij is net zo rijk als de ongelovigen, maar moet in de leer geloven dat je alles moet weggeven. Hij is net zo blij in een vrije moderne maatschappij te leven als de ongelovigen, maar moet er kwaad over spreken dat iedereen maar zijn eigen weg gaat. Hij houdt het net zo min als wie dan ook vol om altijd maar te evangeliseren, maar moet in Openbaring lezen hoe Jezus hem uitspuwt vanwege zijn lauwheid. Hij heeft weet van alle gruwelijkheden die de kerk van vroeger eeuwen heeft uitgevoerd, maar moet de kerk toch zien als een gebouw dat de Heilige Geest heeft opgetrokken. Hij weet dat er geen demonen en satan bestaan, maar moet ze toch overal opmerken. Hij weet dat er oneindig veel kennis in de wereld is bijgekomen sinds zijn bijbel geschreven werd, maar moet zijn bijbel als de hoogste bron voor kennis beschouwen. Hij weet dat er dingen niet kloppen in de bijbel, maar moet het desondanks toch als het onfeilbare woord van God beschouwen. Hij weet dat er allemaal christenen rondlopen die zich niet schamen om 'God heeft mij zus en zo verteld' uit te kramen, maar mag er geen kwaad over spreken. Hij weet dat er geen rechtvaardiging voor de holocaust bestaat, maar mˇet uitspreken dat God voor zijn niet-ingrijpen er wel een bedoeling mee gehad moet hebben. Hij leest een verhaal over de christen Macarius die een mummie uit de dood doet opstaan, maar heeft niet de moed en eerlijkheid dit een onzinverhaal te noemen. Enzovoort, enzovoort. Honderd maal enzovoort.


Cognitieve dissonantie gaat zo in zijn werk dat de mens zoveel mogelijk streeft naar opheffing van zijn spagaat, maar dit doet met zoveel mogelijk behoud van de eigen opvattingen, oftewel op de meest comfortabele wijze. De werkelijkheid wordt dan ofwel genegeerd, ofwel men draait zich in allerlei bochten en kronkels om de cognitieve dissonantie op te heffen. Niets is kenmerkender voor de christengelovige dan dit. Vandaar dat de niet-gelovige vaak volslagen perplext staat bij de redenaties en antwoorden van christenen. Ze zijn soms zo ongelooflijk dat verdere discussie onmogelijk toeschijnt. Ik klik maar ÚÚn christelijke site aan, en kom een voorbeeldige christen tegen:
-"Altijd de weg des geloofs voor ogen houden en veel bidden dat je bij God mag blijven, maar dat is wel zwaar hoor af en toe... Maar God zal niemand boven zijn kracht beproeven staat er geschreven."
Een onmogelijk spagaat - de gelovige beseft het -, maar krampachtig vasthouden aan een zin die in de bijbel staat om de moed erin te houden, - hij moet wel.

-"Wie echt geraakt is door God, in vuur en vlam staat voor Hem, wie ooit iets geproefd heeft van de genade die God met ons zondaren heeft... die wordt gewoon niet afvallig snap je... Niets kan ons scheiden van de liefde van God. De afvalligen die hebben niet echt zo geloofd. In de bijbel staat dat de uitverkorenen niet verleid kunnen worden, hoezeer de antichristen ook tekeer gaan."
Hoe comfortabel kan een mens het zichzelf maken door zich op te sluiten in de wereld van enkel zijn gelijk! Realiteit? De bijbel zegt zus en zo, dus is het zo!

- "Wat voor mensen dwaas is, is wijsheid bij God! Je moet niet je verstand eren, maar God!"
Kunnen onmogelijke problemen nog eenvoudiger en zieliger opgelost worden?

-"Athe´sme een vorm van geestelijk gerijpt zijn? Nee, het is de hoogmoed van de goddeloze die erop uit is om zoveel mogelijk anderen mee te slepen in zijn val."
De vijandige gedachte kan niet onder ogen gezien en doordacht worden, maar moet bij voorbaat met een klap bedolven worden.

- "Je hebt gelijk dat mijn uitspraken absoluut zijn. Zulke uitspraken kan ik doen omdat ik spreek vanuit mijn geloof in God. Dit geloof in God wordt niet gesteund door bewijzen, maar dat is geen bezwaar hoor. Ik geloof ook dat het axioma 1=1 klopt, wat een van de fundamenten van de wiskunde vormt. Bewijzen kan ik het niet. Toch kan ik, daarvan uitgaande, absolute uitspraken doen zoals: 1+2=3."
Ziezo, klaar is Kees!

-"Dreigen? De bijbel maakt heel duidelijk dat het leven los van God een verschrikking is waar je je geen voorstelling van kunt maken. Ik zeg het dus niet om te dreigen, maar om te waarschuwen!"

-"Christenen omgekomen tijdens de Tsunami een probleem? Waarom? De omgekomen gelovigen hebben het in de hemel een stuk beter toch?"

- "Waarom Hij geeft om de mens? Geen idee. Maar waarom ook niet? God heeft de mens lief."

-"Wat ik van God voel, kan ik hier niet op jullie overbrengen. Jullie zouden het toch wegpsychologiseren."

-"Waarom de wereld vol ellende is en oorlog en honger en aardbevingen dat weet ik ook niet. Maar je mag er wel op vertrouwen dat God het in de hand heeft."

-"Sommige mensen verdienen wel straf hoor, en je weet ook niet precies hoe het in de hel is. Misschien zijn er wel verschillende gradaties in de hel, waarbij het voor de een minder erg is dan voor de ander. Dat heeft God ons niet laten weten, maar je mag erop vertrouwen dat Hij het wel goed zal regelen, beter dan wij het zouden kunnen."

-"Dat het voor jou belachelijk klinkt is jammer. Maar er is nog wel meer in het geloof hoor... heb je het Johannusevangelie wel eens gelezen?"


En hier wat uitspraken van een ex-christen:
-"Misschien heb ik het wat moeilijker gehad met "geloven" omdat ik het gevoel had intelectueel een stap lager te moeten gaan om de, toch een beetje 'simpel bedacht' klinkende wonderen te kunnen geloven en te vertalen naar deze tijd en algemene gedachtengang. Ik kon me zo voorstellen dat de middeleeuwsen een simpeler taal nodig hadden om het geloof te vatten. Affijn, ik draaide mij in alle soorten gedachtenkronkels om het "geloof" te behouden.

-"Ik vond het evangelie daarom helemaal niet verlossend! Leugenaars. Eerst dat liefdevol "kloppen aan de deur van je hart" die je alleen maar kon opendoen met de klink aan de binnenkant. Wat een onzin! Ik ervaarde juist, (nu we toch in "beelden" spreken) dat ik ergens naar binnen was gegaan, puur op de "gelovige gok" in een "luchtledig gewrocht" waar ik nooit meer uit kwam omdat er nu juist een klink aan de buitenkant bleek te zitten."

-"Ik leerde pas op 26 jarige leeftijd aan het begin van mijn "gelovig leven" dat eigenlijk bijna alles wel ôzondeö is. Tot aan de muziek in je eigen huiskamer toe. En o.a. mijn hele Zappa collectie is gerecycled tot, weet ik veel ů"

-"Het "nieuwe lichaam" ... (wat is dat eigenlijk? want ik was gewoon een soort zombie) ... kreeg ernstig last van, wat ik misschien het beste kan omschrijven als "afstotings verschijnselen". Ik raakte mijn eigen "ik" volkomen kwijt en wist dat in het normale leven gelukkig een beetje te verbergen. De "kerkperiode" waar ik me altijd met een lichte vlaag van frisse tegenzin doorheen heb geworsteld duurde niet eens zo lang. Een jaar of vier/vijf hooguit. Ik heb nooit kunnen wennen aan dat kerkgedoe. Mijn ex-vrouw nog minder. Maar ik hield me met de nodige moeite, 'kranig' ôchristenö. 15 jaar in totaal. "

-"Google even op "rapture". of "coming of the antichrist" en je leert dat er prachtige dagen in het verschiet liggen. Waarom dan nog kinderen willen? In de gemeente zag ik mensen (veel te jong) trouwen en zwanger raken. Vreemd dacht ik, je gelooft werkelijk dat "de Heer" spoedig terugkomt en jullie gaan drie kinderen willen?"

-"Wie kon dit geloven? Waarom geloofde ik het eigenlijk zelf nog? Je zou toch verwachten dat God een sneller plan had kunnen bedenken. En waarom moest ik me verantwoorden voor het bestaan van een "hel" tegen ongelovigen waar ik zelf altijd zeer grote moeite mee had?"

-"Te merken dat ik van binnen een zondaar blijk te zijn die vergeving nodig heeft van de 'ziekte' zichzelf te zijn. Die zich moet verlagen en schamen voor zichzelf. Ik vond het maar raar. Geboren worden om van nature voor eeuwig verloren te gaan. dat was ook een reden dat ik liever geen kinderen wilde hebben. Ik moest ze later ook gaan bekeren!!! Mijn eigen kinderen. Ik zag al die mensen in de gemeenten wel die zorgelijk naar hun puberende kinderen van 15 keken. Ik kon me wel wat scenes inbeelden van "verboden verkeringen" en "weglopen van huis". Ik kon met dit beeld van god niets meer. Dit was gewoon te gek. Dit was mensenwerk."

Kijk hoe eerlijk en echt zo'n mens die uit het kreupelhout klimt van het christelijk geloof in zijn leven staat:
"-Als er een God bestaat wil ik deze zeker niet beledigen. Het mag zelfs een slechte god zijn. Maar ik wil wel eerlijk kunnen zeggen wat ik van mijn "rotte vruchten" vind die ik uit dit religieuze oerwoud op aarde heb geplukt." DÝt is waar alles om gaat in de discussie tussen christen en athe´st.

Bovenstaande zaken geven een buitengewoon scherp beeld van het diepste innerlijk van de gelovige en de tere gevoelens van de ex-gelovige. Kijk, als Ouweneel op deze nijpende kwestie die overal om ons heen te bezien is met psychologische Godsbewijzen was gekomen zou ik er zeer van onder de indruk zijn. Maar op dit moment zwijgt en verdampt zijn God.