Hoofdstuk 7, Waarover men niet kan spreken dient men te zwijgen

Hoofdstuk 7 in Ouweneels "De God die is" beslaat bijna dertig bladzijden, het is ongeveer twee maal zo lang als ieder ander hoofdstuk in het boek. Het is dus duidelijk dat we in dit hoofdstuk op de kern van Ouweneels boodschap zijn gekomen, op het punt waar hij zich het sterkst voelt. Kortom op zijn meest geliefde argument in de discussie.


Voor mij is het hoofdstuk een vreemde ervaring: ik ben het met de strekking van het betoog volkomen eens, en zou praktisch hetzelfde hebben kunnen schrijven, maar er slechts ÚÚn of twee bladzijden voor nodig hebben. Ik zou Ouweneel er vervolgens op willen wijzen dat hij steeds een brug te ver gaat. Hij probeert in het hoofdstuk voortdurend de link te leggen naar zijn religie, terwijl de doodeenvoudige conclusie dezelfde zou moeten zijn die Wittgenstein in 1922 neerlegde: Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen. Oftewel de opbrengst van dit hoofdstuk is enkel ondersteuning voor het agnosticisme. Ook hier probeert Ouweneel weer punten te behalen, maar onterecht:


Let wel op wat Wittgenstein hier zegt. Zijn slotzin betekent niet per se: wat niet empirisch waarneembaar is, is onwaar, maar het betekent dat het buiten het 'zegbare' valt. In feite betekent het dat het tot het mystieke behoort. Daarmee wordt het bestaan van het onzegbare dus niet ontkend; in feite was Wittgenstein juist veeleer een mysticus, die het onzegbare belangrijker achtte dan het zegbare! In 1947 nam hij ontslag als hoogleraar om zich in alle rust te kunnen wijden aan zijn nieuwe filosofische inzichten. De oudere en wijzere Wittgenstein begon geleidelijk afstand te nemen van zijn tractaat, alsof hij juist voor het 'onzegbare' meer belangstelling had gekregen.


Ouweneel kan hem nog net niet tot the´st maken, maar het scheelt maar een haar. Ik ben niet erg onder de indruk van zulk een propagandistische stijl. Eerder valt het mij op dat Wittgenstein de daad bij het woord voegt en zwijgt over God, maar Ouweneel er alles aan doet om de zwijgende Wittgenstein als een spaarvarken heen en weer te rammelen totdat er een God door de gleuf komt vallen. Omdraaien tot het tegenovergestelde is iets waaraan je een theoloog meestal kunt herkennen ter onderscheiding van een intellectueel eerlijk mens.


De boodschap van Ouweneels uitgerekte hoofdstuk kan zeer kort en duidelijk worden weergegeven: er bestaat geen wetenschappelijke bewijsvoering zonder onbewijsbare uitgangspunten. Het idee dat wetenschap 'waarheid' oplevert, hoe plausibel het ook lijkt, is bepaald niet vanzelfsprekend, laat staan dat 'de waarheid' met de wetenschap samenvalt. Er zijn alleen deelwaarheden. Ouweneel legt uit dat Karl Popper -die hij de beroemdste wetenschapsfilosoof van de 20ste eeuw noemt- kritisch-rationele argumenten aanvaardt als laatste grond voor al zijn overtuigingen, maar dat hij toegeeft dat daarachter een 'mystery' schuilt, oftewel dat de keus voor rationalisme niet rationeel te verantwoorden valt. Andere wetenschapsfilosofen zingen mee in dit moderne koor: er bestaat geen neutrale, objectieve, onbevooroordeelde wetenschap, wetenschap kan niet zonder geloofsvooronderstellingen, er bestaat geen volstrekt objectieve waarneming, maar we geloven dat onze waarneming op een of andere manier verwijst naar een ervaringsonafhankelijke werkelijkheid. We geloven in een wetsorde in de natuur, maar kunnen die wetsorde niet waarnemen, het enkel uit de orde afleiden. We geloven in de betrouwbaarheid van de logica: men gelooft dat het logischer is in de wetenschap logisch te denken dan niet-logisch (niet-rationeel) te denken. Het gaat hier dus weer om een onbewijsbaar vooroordeel. Zo komt Ouweneel tot deze conclusie:


EÚn ding staat vast: wij geloven allemaal in vele zaken die slechts zeer indirect waarneembaar zijn. Een man kan geloven in de liefde van zijn vrouw, niet omdat hij die liefde rechtstreeks kan waarnemen, maar omdat hij vanuit haar uitingen en gedragingen tot die liefde besluit. Daarin steekt altijd een stuk subjectiviteit.


Wat Ouweneel in 30 bladzijden beredeneert zei Nietzsche al in 1887 in ÚÚn zin: "Er bestaat alleen maar een perspectivisch zien, alleen maar een perspectivisch 'kennen'" (Genealogie van de moraal 3 ž12).


Voor mij zijn deze genoemde zaken bijzonder eenvoudig om in te zien en te beamen. Misschien dat een natuurwetenschapper zoals Ouweneel er 30 bladzijden voor nodig heeft om het uit te leggen omdat hij zoveel in gesprek is met natuurwetenschappers, maar een mens zoals ik, een musicus en theoloog, schreef tien jaar geleden al eens op de intu´tieve manier kenmerkend voor een humanist in de biografie van zijn leven:


Seks en liefde zijn in mijn gedachten onscheidbaar van elkaar. Net als christelijk geloof en liefde. Net als muziek en liefde. Religieus geloof, muziek en liefde zijn zelfs allemaal verschillende woorden voor hetzelfde begrip, een begrip waar ik niet bij kan, een onbenoembaar begrip. Zonder dat ik het uitgebreid kan uitleggen zijn deze dingen voor mij allemaal vanzelfsprekend hetzelfde en raken ze de kern van mijn leven. Uit die voor mij hoogste elementen van menselijkheid, oftewel dat ene begrip, groeit mijn hele leven en zijn.


Geen wonder dat ik er niet uitkwam met deze zaak; het had te maken met bepaalde premissen die ik in mijn leven heb. Ik vind het erg boeiend dat Ouweneel me nu wat meer duidelijkheid hieromtrent geeft. Hij legt uit dat het in het leven om een ultimate commitment aan een laatste grond gaat. Deze laatste grond is een diep-existentiŰle zaak van het hart, iets wat niet beredeneerd kan worden, maar als axioma staat in het leven. Deze Laatste of Hoogste Grond (Ouweneel schrijft deze woorden met hoofdletters) is niet irrationeel (tegen het verstand ingaand), maar bovenrationeel (boven het verstand uitgaand). DÝt nu noemt men religie in de ruimste zin van het woord, oftewel religie opgevat als iets wat geheel iets anders is dan godsdienst (geloofsopvattingen, riten, geloofsgemeenschappen). Zo kan men spreken over beliefs (godsdienstige overtuigingen) en faith (de existentiŰle overgave aan een laatste grond), en kan Ouweneel spreken over religieuze athe´sten, precies zoals ik mezelf veelvuldig heb omschreven.


Wat ik dan weer niet snap is dat Ouweneel in het hoofdstuk voortdurend triomfantelijk denkt een doelpunt voor het bestaan van God te maken. "Geloofsvooronderstellingen zijn ten diepste religieus!" Wel, inderdaad, maar dan wel enkel wanneer je religie zˇ definieert dat de athe´st ook onder die paraplu staat! Ouweneel gebruikt dus het woord religie om er een punt mee te scoren, maar wat hij eigenlijk gedaan heeft is het begrip religie te verdunnen zodat het niets meer met zijn the´sme te maken heeft. Ik heb er niets op tegen, want het verwijst nu eenvoudig naar een universele behoefte in het menselijk denken: de ultieme bevestiging van het leven; ieder mens is in die zin religieus. "Geen wetenschap zonder metafysica!" Vooruit dan maar, maar er is volstrekt geen reden om hiertoe ook een persoonlijke God te laten behoren. "Het bovenrationele moet worden erkend!" OK, maar we zijn meteen uitgepraat: over waar het verstand niet bij kan valt niets te zeggen. Enz enz. Nergens komt de God van het the´sme in het gezichtsveld. Dit kan men gemakkelijk zien wanneer ik die ene passage naar voren haal waar Ouweneel met zijn dierbare 'levende God' komt opzetten:


De athe´st spreekt koud-intellectueel over het al of niet bestaan van God, de the´st spreekt niet alleen over het bestaan van God, maar ook over wat die God praktisch, existentieel, voor hem betekent. Stel je voor dat de athe´st beweert: 'Ik kan aannemelijk maken dat er geen God bestaat', en de the´st antwoordt: 'HŔ, hoe kan dat nou? Ik heb vanmorgen nog met Hem gesproken.' De athe´st zou dat afdoen als een debatteertruc; maar als het goed is, is dat voor de the´st levende realiteit. Die levende realiteit met alles wat daarbij hoort, noemen we 'religie'. Dat is nooit alleen maar geloof 'aan God', maar geloof in God, vertrouwen op God, een zich toevertrouwen aan God, overgave, liefdevolle onderwerping, en zelfs een geloof 'van' God, in de zin van een gave die Hijzelf aan ons schenkt (EfeziŰrs 2:8).


Ouweneel doet net alsof athe´sten slechts computers zijn, en gelovigen warmbloedige mensen, de enigen die een bepaalde beleving voorstaan. Maar het is absoluut een vals beeld. Ik ben verre van een koud-intellectueel. Ik heb als athe´st exact dezelfde beleving, leef in exact dezelfde realiteit als de christen. Maar ik kan alles omdraaien in de redenatie van Ouweneel. De beleving blijft hetzelfde, maar ik doe het eenvoudig zonder het begrip van een persoonlijke God. In plaats van God schrijf ik eenvoudig 'het leven'. Ik kan dus precies hetzelfde verhaaltje oplepelen:


De gelovige spreekt emotioneel-intellectueel over het al of niet bestaan van God, de athe´st kan echter koud-intellectueel dit gepraat over goden afwijzen, terwijl hij toch tezelfdertijd ook emotioneel-intellectueel kan spreken over wat het Leven praktisch, existentieel, voor hem betekent. Stel je voor dat de gelovige beweert: 'Ik kan aannemelijk maken dat er een God bestaat', en de athe´st antwoordt: 'HŔ, hoe kan dat nou? Ik heb vanmorgen in alles wat je God noemt enkel het Leven ervaren.' De gelovige zou dat afdoen als een debatteertruc; maar als het goed is, is dat voor de athe´st levende realiteit. Die levende realiteit met alles wat daarbij hoort, noemen we 'religie'. Dat is nooit alleen maar geloof dat het leven bestaat, maar geloof in het leven, vertrouwen op het leven, een zich toevertrouwen aan het leven, overgave, liefdevolle onderwerping, en zelfs een geloof 'van' het Leven, in de zin van een gave die Zijzelf aan ons schenkt (zie bijv. Aldus sprak Zarathoestra II.10, III.4 en III.15.)


Ouweneel geeft zelf toe dat het om dezelfde zaak kan gaan:


Even voor alle duidelijkheid: zo'n laatste Grond hoeft op zichzelf geen transcendente persoon ('God') te zijn, zoals het woord godsdienst impliceert. Het hoeft zelfs helemaal geen hogere macht of kracht te zijn.


Op dit punt gekomen moet de beroemde uitspraak van Einstein genoemd worden, die Ouweneel boven zijn hoofdstuk zet: "Wetenschap zonder religie is lam, religie zonder wetenschap is blind". Een mooie uitspraak, maar alweer niet in het voordeel van het the´sme, want Einstein legde religie met klem uit in de meest ruime zin van het woord, (dwz zonder te denken aan een persoonlijke God die hij met stelligheid verwierp) als "een streven naar beste vermogens zichzelf vrij te maken van de boeien van ego´stische behoeften, en zich bovenal bezig te houden met gedachten, gevoelens en handelingen waarvan de waarde het persoonlijke te boven gaat".


Ik ga nu terug naar de laatste woorden van Ouweneel in hoofdstuk 4:


Nee, het is met dat 'bewijzen' niet zo simpel gesteld als veel mensen, inclusief veel wetenschappers, lijken te menen. Ik hoop dan ook met het voorgaande 'bewezen' te hebben dat wij niets kunnen bewijzen zonder tegelijk te geloven. In mijn boekenkast staat een boek met de titel: Geen geloof zonder bewijs. Daarnaast beweer ik dat evengoed geldt: Geen bewijs zonder geloof. Bewijzen en geloven hangen op een gecompliceerde en onontwarbare wijze met elkaar samen - en dat is een feit dat the´sten eerder in de kaart speelt dan athe´sten.


Drie hoofdstukken verder heeft Ouweneel deze laatste opmerking niet waargemaakt. Hij heeft me enkel als een religieuze athe´st neergezet, hetgeen toevallig overeenkomt met wat ik allang wist over mezelf. Ook als athe´st kan ik mijn website "Volwassen Geloof" noemen. Maar het gaat hierbij niet om geloof in God, maar om de bevestiging van het leven.


Ik ben een fan van Nietzsche, iemand die zijn tijd meer dan 100 jaar vooruit was. Op zijn uitspraak dat wij alleen maar perspectivisch zien en kennen volgen nog deze gouden woorden: "en hoe meer affecten we over een zaak aan het woord laten, hoe meer ogen, verschillende ogen, we voor dezelfde zaak weten te gebruiken, des te vollediger zal ons 'begrip' van deze zaak, onze 'objectiviteit' zijn." Ik vind dit een redelijk standpunt. Zo wordt het voor ons duidelijk dat wanneer dezelfde religieuze gevoelens ook door de athe´st gevoeld kunnen worden, het alweer minder waarschijnlijk wordt dat we godsdienst nodig zouden moeten hebben (dus religie in de engere zin, bijvoorbeeld the´sme, waar Ouweneel voor staat). Uiteraard kan Ouweneel niet tot deze objectiviteit komen waarmee ikzelf mijn bewustzijn vergroot heb, aangezien hij nooit een athe´st is geweest. Athe´sten zijn voor hem koud-intellectueel of lijden aan een fanatieke 'religieuze ijver'. Ze zullen altijd zulke aliens blijven zolang hij niet zelf hun bewustzijn ooit eens ervaart.


Nietzsche vervolgt nog met een zin: "Maar het elimineren van elke wil, het buiten spel zetten van alle affecten, aangenomen dat we dat zouden kunnen: hoe nu? zou dat geen castratie van het intellect betekenen?" Net als Ouweneel wijst ook hij het 'koud-intellectueel' bezig zijn af als een illusie. Waar de mens mee bezig is is zijn Wil tot Macht; het gaat uiteindelijk om wie de langste adem heeft. Hier wordt de strijd tussen the´sme en athe´sme beslist. Vandaar dat Ouweneel zijn boek schreef en vandaar dat ik er een boek tegenin schrijf.