Hoofdstuk 8, Waarom de gelovige een hekel heeft aan wetenschap

Eeuwenlang is de theologie als de koningin van de wetenschappen beschouwd, maar in de 20ste eeuw heeft de natuurkunde die functie overgenomen.


Dit hoofdstuk doet uit de doeken waarom een gelovige ten diepste een hekel heeft aan wetenschap: keer op keer legt het een domper op het gevoel, op de boodschap die het hart wil horen.


Het is bijzonder interessant dit zo duidelijk ge´llustreerd te zien in het boek van Ouweneel. Hij schrijft eerst als een plaat waar een kras op zit een paar bladzijden vervolg op hetzelfde thema als hij in het vorige hoofdstuk al uitvoerig behandeld had. Natuurwetenschappers zouden zich nooit met de voorvragen bezighouden, ze zouden blind hun vooringenomen paadjes bewandelen, ze zitten allemaal in de kokervisie van hun kleine vakgebied en overzien het geheel niet, ze ontkennen dat hun theorieŰn en technieken om bepaalde zaken te beoordelen subjectief zijn, ze zijn boos op filosofen die altijd wel iets kunnen verzinnen om iets tot twijfelachtig te bombarderen (Ouweneel noemt oa Vincent Icke, Nico van Kampen, Richard Feynman, Stephen Weinberger, T. Theocharis, M. Psimopoulos), ze zijn verstokte reductionisten (hier wordt Herman Philipse met name genoemd), nothing-but-isten, ze spreken vaak ten onrechte uit dat een bepaalde tak van wetenschap zus of zo heeft aangetoond, wetenschappers doen geloofsuitspraken maar vertikken het dit te erkennen en laten het doorgaan voor wetenschappelijke uitspraken (volgens Ouweneel maakt oa Dick Swaab hier zich schuldig aan). Ze weten een hoop over bouwstenen, en denken daarmee de kathedraal te kunnen doorgronden. In werkelijkheid hebben ze volgens Ouweneel geen flauw benul van de kathedraal.
Kortom ze zijn eigenlijk de vijanden van de belangrijkste zaken in het leven, al die zaken waar de wetenschap zich niet mee bezighoudt, "bijvoorbeeld de waarheid dat mijn moeder van mij houdt, of dat er geen samenleving mogelijk is zonder vertrouwen, of dat ik een uniek mens ben, of dat stelen fout is."


Wanneer Ouweneel zijn kritiek op de wetenschap toespitst op iets concreets maakt hij volgens mij bokkensprongen. Ik ben natuurlijk geen B-vakken specialist, maar daarom is het des te opmerkelijker dat zelfs ik gemakkelijk kan inzien dat er iets niet pluis is met zijn redeneringen:


In het boek Leven zonder God blijkt de bioloog Ronald Plasterk ervan overtuigd dat de wetenschap heeft aangetoond dat het hele leven vastligt in de blauwdruk van het DNA: '(...) dat we ook als mensen het product van evolutie zijn en, evenals dieren, ingewikkelde machines. Aan de andere kant kunnen de kerken natuurlijk nog volhouden dat er buiten de wereld van de materie nog een onkenbare, onaanraakbare en ondefinieerbare ziel bestaat (...) Maar goed, als die vage ziel op een gegeven moment nog het enige is wat de religies staande kunnen houden, dan betekent het natuurlijk wel een klinkende overwinning voor de wetenschap.' Dat klinkt aardig, als Plasterks verzwegen premisse tenminste steek houdt - namelijk dat wij alleen kunnen kennen dankzij de empirie - maar hij geeft er niet eens blijk van zich van deze premisse bewust te zijn.


Nu lijkt het mij een vanzelfsprekendheid dat Plasterk zich er wel degelijk van bewust is dat hij een premisse heeft dat wij alleen kunnen kennen dankzij de empirie. Iedere tiener kan zoiets uitdenken, maar we hebben er zelfs de geleerde Wittgenstein voor die in het vorige hoofdstuk had laten weten dat "wat niet empirisch waarneembaar is valt buiten het zegbare". Ik heb Ouweneel er in dat hoofdstuk geen kritiek op horen geven. Welk 'kennen' zou Ouweneel dus nu kunnen voorstellen dat niet gebaseerd is op empirie? Plasterk gaat er van uit dat de zaak allang afgehandeld is en Ouweneel toont in ieder geval niet het omgekeerde aan. De premisse is inderdaad weer ÚÚn van die zaken die Ouweneel 'metafysica' noemt waar niemand omheen kan, maar het doet volstrekt niets af van wat Plasterk wilde zeggen: als de religie niets anders kan staande houden dan zaken die buiten de kenbare wereld zijn, dan mag ze die dingen natuurlijk blijven volhouden, maar dan zijn we verder uitgepraat. Religie heeft dus van haar kant niet de immanente God waar Ouweneel in wil geloven kunnen waarmaken. Maar deze boodschap schijnt Ouweneel niet te horen.


Een van de consequenties van de materialistische kijk op het bewustzijn is natuurlijk dat ons denken, voelen, willen en geloven 'dus' niet be´nvloed worden door buiten de materie gelegen krachten. De mens wordt slechts aangestuurd door de bij toeval ingebouwde stuurmechanismen van de kleinste, subatomaire deeltjes. Er is niets anders dan materie, en wat daaruit aan 'geestelijks' opbloeit, kan geheel tot de eigenschappen van de materie herleid worden. Op deze wijze zou 'de wetenschap' aangetoond hebben dat er in het hedendaagse denken geen ruimte voor God is. In werkelijkheid gaat het slechts om een beperkt aantal wetenschappers die niets in die richting hebben aangetoond, maar slechts hun geloof belijden.


Alweer vraag ik me af wat Ouweneel nu kan bedoelen met "be´nvloeding van de materie door buiten de materie gelegen krachten". Indien het 'krachten' zijn, dan is het binnen de materie. En indien het buiten de materie ligt, hoe zou het ermee in interactie kunnen zijn? Ik ben natuurlijk maar een gewone huis-tuin-en-keukendenker, maar ik zie niet in waar mijn denkfout ligt. Ik zie enkel iemand die een God die dus binnen de materie nergens te bespeuren valt, op een vreemde manier toch wil inlassen binnen de materie. Ouweneel laat er op volgen dat het eerlijker zou zijn wanneer die wetenschappers duidelijk zouden uitspreken dat ze bezig zijn met 'geloof' en niet met wetenschap. Ik retourneer deze opmerking en zeg dat het eerlijker zou zijn wanneer Ouweneel van zijn kant met iets aan zou komen dat zou laten zien dat hij bezig is met wetenschap, dus met iets anders dan enkel een uit de lucht gegrepen geloof.


Om zijn stellingname te funderen last Ouweneel een paragraaf in over parapsychologie. Hij stelt dat de nobelprijswinnaar Brian Josephson gelijk had toen hij zei dat "de fysica nooit compleet zal zijn zolang ze geen verklaring heeft voor helderziendheid en psychokinese." Ouweneel glundert te kunnen analyseren dat het athe´sten uiteraard slecht in hun kraam te pas komt deze parapsychologische (-"of misschien beter parafysische!", schrijft hij erachteraan) verschijnselen te erkennen, want dan staat de deur zˇ weer open voor religieuze ideeŰn.
Maar dat is helemaal niet waar. Hoe zouden athe´sten of welke wetenschappers dan ook er last van hebben? Indien paranormale verschijnselen inderdaad bestaan zie ik niet in waarom ze niet binnen de normale natuurlijke processen verklaard kunnen worden. Bepaalde mensen zouden sensitiever zijn voor natuurlijke werkingen dan anderen, net zoals een hond beter hoort dan een mens en een valk beter kan zien dan een mens. Indien het waar zou zijn dat het menselijke bewustzijn de fysische omgeving kan be´nvloeden dan spreken we eenvoudig over een nieuwe ontdekking in de natuurkunde, hetgeen via natuurkundige werkingen en processen verklaard zou kunnen worden. We hebben dan gelijk een mooie verklaring voor allerlei wonderverhalen die vroeger aan God werden toegeschreven. In dat geval is er misschien een deel van waar, en gaat het om die zeldzame gevoeligheid van bepaalde mensen voor bepaalde natuurkrachten. Het is eerder een probleem voor de the´sten. Ouweneel zal er in het geval dat hij gelijk heeft weer hele theorieŰn voor moeten uitvinden om deze zaken aan de duivel en demonen toe te schrijven, omdat ze veelal niet in het straatje van de juiste theologie die hij aanhangt plaatsvinden. Ouweneel schrijft dan ook:


The´sten geloven dat de menselijke geest doordrenkt kan zijn door de Heilige Geest ˇf door een of meer negatieve geesten. Zo kunnen extra-mentale invloeden doordringen tot het menselijk bewustzijn op een wijze die de natuurwetenschap nog maar nauwelijks kan schetsen, laat staan bevatten.


Hoe vreemd weer. Indien er een 'Geest' en 'geesten' bestaan dan moeten ze op de ÚÚn of andere manier kenbaar zijn. Je mag het een 'extra-mentale invloed' noemen, maar ze moet dan toch op de ÚÚn of andere manier iets zijn binnen de kenbare werkelijkheid. Het is dus aan de the´sten om zoiets aan te tonen. In plaats daarvan beschuldigt Ouweneel de natuurwetenschap ervan zoiets niet te kunnen schetsen, laat staan bevatten. Een vreemd spelletje om zo de omgekeerde wereld te spelen. Waarom zou de natuurwetenschap iets moeten schetsen of bevatten waar men in het geheel geen aanleiding toe heeft om te veronderstellen?


Het begint nu bijna komisch te worden: Ouweneel ontpopt zich tot een fervent verdediger van ESP (buitenzintuiglijke waarneming) en psychokinese (psychisch be´nvloeden van materie), iets wat hij vroeger afgedaan heeft als afkomstig van de duivel en zijn trawanten, om zijn God waar hij zo graag in wil geloven maar aan de man te kunnen brengen! Waar de duivel al niet goed voor is! Volgens Ouweneel zijn er "een overvloed aan bewijzen voor het bestaan van zulke verschijnselen". Hij ziet een parallel tussen deze paranormale zaken met het 'spreken' van God tot de mens (in het hart van de mens of zelfs met hoorbare stem), het profeteren en wonderbaarlijke genezingen. Iedereen mag nu voor zichzelf uitmaken hoe leuk het is om in God te geloven. We krijgen er dan op de koop toe ook Satan en demonen bij, en je moet er een geestelijke expert voor zijn om ze goed uit elkaar te halen wanneer je wat hoort in je hart (bijvoorbeeld een bevel om rondom een doodskist te gaan staan om een dode op te wekken)! Of je mag de parallel in zijn consequenties doordenken: net zoveel als men in het leven geconfronteerd wordt met de parapsychologische oplichters zal men door de the´stische oplichters in de maling genomen worden. Of net zoveel als men vertrouwen heeft in de werking van zijn geweldige God moet men zijn pet afdoen voor de wonderbaarlijke werking van Satan! Vijfentwintig jaar geleden toen ik Ouweneels dikke boek over allerlei satanische zaken in de wereld doornam kreeg ik een sterk gevoel overeenkomend met de woorden die Thomas Nagel in een vorig hoofdstuk uitsprak, dat ik niet in zo'n wereld wil leven. Zelfs indien Ouweneel geheel gelijk zou hebben, en we leven in een wereld waar de mens een speelbal is van onmogelijk op te merken heilige geesten en onheilige geesten die als 'extra-mentale krachten' tot onze geest 'doordringen', dan zou ik eenvoudig van mening zijn dat we ons uiterste best moeten doen van die onberekenbare kwelgeesten af te komen. Ze hebben slechts ÚÚn functie in het leven: het onrust stoken en gek maken van de gezonde psyche van de mens.


Op het eind van het hoofdstuk laat Ouweneel zijn fatale kleuren zien. Hij deelt wetenschappers in twee klassen in: de traditionele hopeloos ouderwetse en na´eve positivisten die in objektieve waarheden blijven geloven, en optimistisch denken steeds meer waarheden te zullen vinden via de wetenschap, tot aan de laatste waarheid toe, en de tweede groep die hij bestempelt als mysteriaanse wetenschappers:


...de wijzen die de verwondering kennen, het geheimenis respecteren, wier wetenschap meer lijkt op kunst en literatuurkritiek, op empatisch verstehen dan op rationeel-theoretisch weten.


Vooral het 'empatisch verstehen' klinkt geweldig. Zou het in gewoon nederlands iets minder wijze wetenschappers opleveren? 'Meevoelend begrijpende' wetenschappers... Ouweneel ziet de tweedeling als een contrast tussen wensdromers die nÝet beseffen dat ze wensdromers zijn en wensdromers die dat wÚl beseffen. Ik kan maar moeilijk volgen hoe Ouweneel alles zo zwart-wit in hokjes indeelt. Volgens mij is de realiteit geheel anders. Ieder geschoold mens weet dat hoewel hij streeft naar objectiviteit en bepaalde zaken voor objectief waar houdt, er een grens is aan deze objectiviteit. Ieder ontwikkeld mens weet ook over onbewijsbare premissen. Ieder mens met het gemiddelde verstand zal zijn optimisme ook altijd behoeden voor het extreme en altijd zijn kanttekeningen plaatsen. Toegeven dat je van bepaalde premissen uitgaat is nog een wereld ver af van een sprong naar een of andere God en demonen. En aan de andere kant: ieder denkend mens heeft een plaats voor de behoeften van het hart, voor het mysterie, voor de verwondering over het leven, voor de kunst. Maar men moet ze niet tegen elkaar uitspelen. Het hart moet men het verstand niet laten overspoelen en overschreeuwen. En dat is juist wat de gelovige doet. Ik deed het ook toen ik 18 was. Ik wist tˇen al net als Ouweneel het nu in zijn boek schrijft dat de natuurwetenschap zich niet bezighoudt met de belangrijkste zaken voor mijn bestaan. Ik gooide het daarom met minachting overboord, en vroeg de rector van mijn school of ik naar de A-kant kon switchen. Daar kon ik naar hartelust mijn gevoelens en hart bevredigen. Maar hoelang moest ik die subjectieve paadjes belopen voordat ik dezelfde les leerde die Nietzsche eens moest leren: "Wij dichters liegen teveel". Wijsheid begint pas wanneer je staat op de vaste grond onder je voeten, en die vaste grond wordt ons gegeven door de natuurwetenschap, hoezeer Ouweneel haar ook beschuldigt van armetierigheid en onvolkomenheid. Ik heb die les allang geleerd, en verbaas me dat een van huis uit natuurwetenschapper juist de andere kant opgaat en op zijn ouwe dag op mijn tienerstandpunt uitkomt. Ouweneel laat zijn hart op de wijze van een tiener in gevecht met de wetenschap zijn. Hij is blijkbaar een mens die in zijn leven zoveel met natuurwetenschap te maken heeft gehad dat hij er benauwd van werd en het hart nu laat uitschreeuwen van de pijn. Hij ziet de wetenschap slechts 'armzalige waarheden' opleveren, terwijl het de belangrijkste zaken in het leven links laat liggen. Ouweneel noemt het vierde pianoconcert van Beethoven. "Mijn schoonheidsbeleving van dat concert is niet alleen waar, maar voor mij belangrijker dan de hele wetenschappelijke musicologie en psychologie bij elkaar!" Hoe vreemd, zo'n hartekreet neer te zetten in contrast tot de wetenschap wanneer je geen 16 meer bent maar 61! "Mijn persoonlijke morele beleving, op grond waarvan ik doodslag niet alleen buiten maar ook binnen de moederschoot veroordeel (om maar iets te noemen), is mij meer waard dan alles wat ethiek, psychologie, rechtswetenschap en politiek daarvan mogen vinden." Hoe vreemd dat een mens zijn gevoelens tot alleenheerser maakt in zijn leven. Hoe vreemd dat men zelfs op gerijpte leeftijd Nietzsches 'wil tot macht' hier niet opmerkt. "Op analoge wijze is de Godservaring voor mij belangrijker dan de hele godsdienstpsychologie en -filosofie en theologie bij elkaar. Metafysica is voor mij belangrijker dan wetenschap, en religie belangrijker dan metafysica, omdat de religie mijn gehele wezen raakt". Hier is voor Ouweneel iets om aandachtig te bestuderen. Feuerbach heeft hem al bijna 170 jaar geleden tot op het bot onleed!


De meest verheven uitdrukking van het christendom is de frase "God is liefde". Deze frase heeft als geen ander doel dan de zekerheid uit te drukken waarmee een mens zijn eigen gevoel poneert. De mens bedoelt ermee te zeggen dat zijn gevoel voor liefde alleen als essentieel gezien mag worden, dat dit gevoel alleen als objektieve werkelijkheid en waarheid beschouwd mag worden, dwz dat dit alleen goddelijke macht heeft. Hij wil ermee uitdrukken dat niets in de gehele wereld, met al zijn glans en uiterlijk vertoon, opweegt tegen dit menselijk gevoel. 'God is liefde' betekent hetzelfde als 'het gevoel is de God van de mens', zelfs nog sterker: 'het gevoel is de enige absolute God, het Absolute Wezen'. God is de verpersoonlijking van de natuur van de mens als emotioneel wezen; God is onbegrensde, pure emotie. God is de hartewens van de mens uitgedrukt als feit, uitgedrukt in het zalige 'IS'. God is de onbegrensde alleenheerschappij van gevoel, van bidden dat naar zichzelf luistert, gevoel dat steeds zichzelf ontmoet, het product van ons benauwd bestaan. Pijn mˇet zich uiten. De kunstenaar wordt ertoe gedwongen zijn instrument op te pakken om zijn lijden in muziek uit te ademen. Hij verzacht zijn droefheid door het hoorbaar te maken voor zichzelf, door er een object van te maken. Hij verlicht de last die op hem drukt door het te communiceren aan de lucht buiten hem, dus door de last iets algemeen bestaands te geven. Maar de natuur luistert niet naar de mens, het is doof voor al zijn lijden. De mens geeft de natuur dus op, hij geeft alle zichtbare objecten op, en wendt zich tot het innerlijk, tot het verborgene, tot dat wat beschut is tegen alle onverbiddelijke machten, om gehoor te krijgen voor zijn smart. Aan zijn innerlijk legt hij al zijn benauwende geheimen bloot, kan hij al zijn onderdrukte verzuchtingen kwijt. Dit hart dat zich opent, dit geheim dat uitgesproken wordt, deze smart van de ziel die geuit wordt, is God. God is de traan die op de liefde volgt, de traan die in het geheim opwelt als gevolg van de ellende van de mens. "God is een niet uit te spreken verzuchting, die in het diepst van het hart ligt" (Sebastian Frank von W÷rd) is de diepste en meest ware uitdrukking van christelijke mystiek.


De God van Ouweneel is Ouweneel zelf, zijn lijdende hart. Kan het nog duidelijker gemaakt worden?
Ouweneel laat nog weten dat de mens "meer is dan een brein op benen". Maar wie spreekt dit tegen? Bij het lezen van dit boek krijg ik het idee dat Ouweneel de wereld bevolkt ziet door wetenschappers die het leven reduceren tot "brein met benen", oftewel een kathedraal gereduceerd tot bouwstenen en cement, maar er is toch geen mens die ontkent dat de kathedraal meer is dan bouwstenen en cement? Elk mens heeft een lijdend hart. Maar het is eenvoudig de taak van de natuurwetenschapper niet om dßßrover wat te zeggen.



Wetenschap koud en betekenisloos

Een natuurwetenschapper kan er wel wat anders over zeggen, en in niet mis te verstane bewoordingen! Een internetforumgebruiker die ik bewonder geeft dit uitstekende betoog op ÚÚn kernzinnetje van de religieuze outlook "Een athe´stisch wereldbeeld dat zich op wetenschap baseert, is koud en betekenisloos meende een van mijn vrienden.":


Waarop jij meteen had moeten repositeren: waarom vind je het koud en betekenisloos, en wat betekenen die woorden in deze context eigenlijk? (Komt mettertijd, na wat oefening.)

Ik vind het een spannend wereldbeeld, omdat je niet zeker bent van wat er komen gaat en wat de mensheid nog zal ontdekken. Het is bij tijd en wijle een hartverscheurend mooi wereldbeeld, als zeeŰn van experimentele gegevens tot ÚÚn enkele formule of zin kunnen worden samengevat. Het laat de mens volkomen vrij in wat hij van dit leven wenst te maken, en zal niet dreigen met hel en verdoemenis; in ruil daarvoor heb je geen weet van wat ervoor is gebeurd, en wat erna zal gebeuren. En dat is gezien de moorddadige kwelling van een eeuwigheid hel of hemel heel wat vriendelijker. Enzovoort. Het is ontegenzeglijk anders, absoluut. Maar anders maakt het niet koud en betekenisloos: dat zijn immers menselijke interpretaties die het noodzakelijk maken door te vragen wat 'warm' en 'betekenisvol' precies voorstellen.

Ga maar na. Het is helemaal niet gezegd dat de wÚrkelijke betekenis van dit alles---voor zover die bestaat---voor mensen plezierig of gunstig is, of dat mensen er Řberhaupt een rol in spelen. We zouden een mislukt experiment kunnen zijn, of een kweekschool voor kannonenvlees in een intergalactisch conflict (zie hier). Douglas Adams vergaarde eeuwige roem met zijn '42' als antwoord op de grote vraag van het leven, het universum en alles---om dan genadeloos terug te slaan met de tegenvraag wat dan precies de vraag is! Iemand die een athe´stisch wereldbeeld koud en betekenisloos noemt, zal bij het horen van deze voorbeelden ongetwijfeld schaapachtig gaan grinniken en proberen tegen te werpen dat het maar verhalen zijn, dat je dat toch niet serieus kan nemen, enzovoort. Maar precies door dat te doen, illustreert hij de leegte van zijn eigen betekenis. Dat is immers ook maar 'van horen zeggen', ÚÚn van de vele die religies hebben voortgebracht. Zo'n persoon zal geloven in een bepaalde betekenis, en zal geloven dat de zijne beter is dan een andere, zonder dat daar harde argumenten behalve 'ik denk dat het zo is' tegenover staan. Het enige wat de wetenschappelijk-ingestelde athe´st doet is al die religieuze feelgoodonzin als zodanig erkennen, het allemaal verwerpen, en er een objectieve voor in de plaats stellen. Misschien niet een wereldschokkende of voor de mensheid bijzonder flatteuze, maar wel een reŰle die voor iedereen, of ze het nou willen of niet, gelijk is. Dat is niet 'koud' en ook niet 'betekenisloos': dat is zoals het is, niet meer en niet minder. En ook nog eens ontstellend eerlijk, omdat er geen ruzie met andere mensen (of zelfs buitenaardsen) kan ontstaan. Dat zijn voordelen die je niet licht moet opvatten, maar altijd wel een beetje onder de tafel worden geveegd. Tenslotte zijn het vrijwel altijd woordspelletjes. Ga maar weer na. Een religieus persoon---laten we even een christen nemen omdat dat zo makkelijk praat ---is tevreden met de betekenis die zijn religie aan zijn bestaan geeft. Bon. Maar wat is nu de betekenis van zijn God? Als hij accepteert dat God betekenisloos is, of gewoon is, of dat wij mensen niet in staat zijn de betekenis van God te achterhalen, is het bijzonder opmerkelijk dat ze vervolgens niet toestaan dat een dergelijke redenering op het universum, of, god verhoede, hun eigen bestaan wordt losgelaten. Met andere woorden: als er betekenisloze entiteiten kunnen bestaan, waarom zouden wij dat dan niet kunnen zijn? Waarom moeten mensen en het universum dan een 'betekenis' hebben? Alle gepruttel en kritiek op het 'kille' athe´stische wereldbeeld is uitstellen van de vraag en hopen dat men niet al te hard doorvraagt omdat anders het zwakke punt in het eigen religieuze betoog duidelijk wordt.


Het punt waar ik me nu aan begin te storen is dat Ouweneel op de helft van zijn boek zit, en een hoop kritiek op wetenschappers heeft geleverd, maar nog nergens is aangekomen met die God waarin hij zo nodig wil geloven. Wat is zijn definitie van God? En wat is zijn wetenschappelijke basis voor die Godservaring? Het enige waar Ouweneel mee aan kan komen is een poging om de wetenschap voor schut te zetten, oftewel kritiek, gaten schieten en afbreken. Boven het hoofdstuk zet hij alweer zo'n verdedigingslinie neer: "In geen enkele zin wordt het athe´sme noodzakelijk gemaakt of bevestigd door de wetenschap" (Christian de Duve). Maar dit is helemaal niet waar het om zou moeten gaan in dit boek. Zelfs als het waar zou zijn zou er nog geen enkele reden te zijn om in God te gaan geloven. Ouweneels taak zou in dit boek "Waarom ik geen athe´st ben" in de eerste plaats precies het omgekeerde moeten zijn van wat hij doet, namelijk aantonen dat God tot de fysische werkelijkheid behoort, oftewel met positieve ondersteuningen komen voor zijn godsgeloof. En dat lijkt hem volkomen onmogelijk te zijn. Het enige waar hij mee aankomt is "een Godsbeleving". Maar beleving van iets wat je God noemt is iets geheel anders dan het daadwerkelijk bestaan van God als Wezen aannemelijk maken. Op het eind van het hoofdstuk erkent Ouweneel dat hij nog geen steek is opgeschoten.


Evengoed blijft natuurlijk de vraag staan wat (of Wie) ik nu precies ervaar als ik een Godsbeleving meen te hebben. Het is waar dat mijn Godsbeleving heel subjectief, heel persoonlijk en ten diepste onoverdraagbaar is.


In andere woorden: alles wat tot nu toe in zijn boek "waarom ik geen athe´st ben" staat heeft nog volstrekt niets anders opgeleverd dan de opmerking die Ouweneel in elk hoofdstuk benadrukt: omdat ik die existentiŰle keus heb willen maken, omdat ik wil dat het waar is. En zelfs dit willen is volledig overbodig. De Godservaring van Ouweneel is namelijk het tegendeel van onoverdraagbaar; zij is de meest universele zaak in het menszijn. Ik claim dat ik exact dezelfde beleving heb als Ouweneel en dat dit mijn hele wezen raakt. Mijn schoonheidsbeleving is voor mij ook belangrijker dan musicologie, en het 4e pianoconcert van Beethoven is ook mijn favoriet, en ik ben ook geen fan van doodslag. Maar ik zie volstrekt niet waarom men die dingen met een God moet verbinden. Waar Ouweneel het over heeft is geen Godsbeleving maar eenvoudig Levensbeleving. God is tot op de helft van Ouweneels boek nog steeds een fantoom die 'Hij' heet. Dat zijn God een fantoom is bewijst al dat hij naar eigen zeggen niet eens kan zeggen of het over een wat of een wie gaat!


Maar het is ook waar dat er maar twee mogelijkheden zijn: ˇf ik heb inderdaad de persoonlijke, transcendente God ervaren, ˇf ik heb me maar wat verbeeld (het was iets immanents dat ik ervoer, of ik had een hallucinatie, of wat ook). De grote vraag is hoe kom ik erachter welke van deze twee mogelijkheden de juiste is?


Het feit dat ik de religieuze ervaring zelf ervaren heb en later dezelfde ervaring nog steeds ervaar, maar als athe´st door het leven kan gaan, geeft voor mijzelf overduidelijk uitsluitsel hierover. Ouweneel zou ik aanraden de proef maar eens op de som te nemen en eens een tijdje athe´st te worden om het in te zien. Bij de overgang van christen tot athe´st verandert er volstrekt niets aan de beleving van de wereld. De bloem waar Ouweneel in verwondering naar staat te kijken als Gods creatie, beleef ik in precies evengrote verrukking, maar zonder het idee van God eraan te verbinden. Ook zonder God is het leven even heilig als voorheen. Zonder God is het bestaan even groots als voorheen. Het valt zo men wil zelfs niet moeilijk te beargumenteren dat het raadsel van het bestaan zonder God mogelijk nˇg veel grootser, imposanter en boeiender, mooier en ontzagwekkender wordt.
Helder denken zou ook een stuk helpen om erachter te komen welke van de twee mogelijkheden juist is. Ouweneel denkt dat zijn Godservaring van een transcendente God afkomstig zou kunnen zijn, een volstrekte onmogelijkheid. Wanneer iets transcendent is kan het niet in het aardse bestaan opgevangen worden. En wanneer het opgevangen wordt maakt God deel uit van de fysieke werkelijkheid en is Hij niet transcendent meer. Transcenderen betekent letterlijk het overschrijden van de grens van de zintuiglijke vorm van waarnemen of bewust zijn. Een transcendente God staat dus volkomen buiten ons bevattingsvermogen en waarnemingsvermogen. Er valt over een transcendente God dus totaal niets te zeggen. En dit is nu juist het omgekeerde van wat Ouweneel zo graag wil, een God die tot de mens spreekt, de God die de wereld bestuurt en voortdurend persoonlijk ingrijpt. Een God waarover vanalles te zeggen valt is echter helemaal niet transcendent, maar immanent, een deel van de natuur, net zoals mijn goddelijke hand dat is wanneer ik me in mijn aquarium aan de vissen kenbaar maak. Het is moeilijk te begrijpen hoe intelligente moderne mensen zoiets eenvoudigs kan ontgaan. Alle kritiek die men op de mensen uit de oudheid die de oudste bijbelverhaaltjes opschreven kan geven ten spijt, zij hadden tenminste nog iets van helder denken in zich. Een God die praat heeft een mond, een God die de toestand op aarde aankijkt vanuit de hoogte heeft ogen en moet afdalen om er wat aan te doen. Een God die in zijn schik is met brandoffers heeft een neus om de lieflijke reuk ervan op te snuiven. Maar de moderne gelover lijdt aan een theologenziekte: het goochelen met de taal om het onmogelijke te laten bestaan, om zaken zowel het ÚÚn als het omgekeerde, het tegengestelde te laten zijn. Het is inderdaad zoals Herman Philipse het zegt: van twee walletjes willen eten, geheel naar het je uitkomt dan weer eens de bijbel erbij halen en dan weer eens het moderne rationele/filosofische denken te gebruiken. Het is het spelletje dat christenen al eeuwenlang spelen: christenen wringen zich uit alle bochten door altijd op te merken dat zowel het ÚÚn als het tegengestelde ervan waar is. De christelijke God is zowel immanent als transcendent. Ja, zˇ kan ik ook alle zaken oplossen. Maak ik God tot transcendent, en verdwijnt Hij daardoor in het niets, dan mij gauw op de immanente God wijzen; ga ik naar de immanente God van de bijbel kijken en concludeer ik dat Hij voor mijn gevoel een beetje te immanent is om een behoorlijke God te zijn, dan God gauw weer hoog en droog buiten het universum (lees: buiten bereik van alle kritiek en onderzoek) plaatsen.



Christelijk geloof ontmaskerd

Het is interessant dit onderwerp immanent en transcendent wat verder uit te spitten, want het zit me al lange tijd dwars. Aan de basis van het christelijk geloof liggen 'historische feiten' die men mˇet zien als ingrijpen van God (aangezien er geen andere verklaring voor is), alle wonderen, alle spreken van God tot de uitverkoren mensen, alle 'werking van de heilige geest'. In de vroegste bijbelverhalen zien we God dus wandelen in de tuin, eten met Abraham, keuvelen met Mozes enz.

De immanentie is dus overduidelijk, maar werd in de loop van de tijd steeds vager en ongeloofwaardiger. Je kan al zien hoe moeilijk het wordt in het verhaal van de inwijding van de tempel. Wanneer Salomo voor Jahweh eindelijk een huis gebouwd heeft, -omdat Hij ooit gezegd zou hebben in een donkere wolk te willen wonen (hetgeen naar mijn weten nergens in de bijbel gezegd wordt)-, komt de wolk meteen gehoorzaam op zijn wenken weer terug van eeuwenlang weggeweest (1 Kon. 8:12). In dezelfde toespraak spreekt Salomo vijftien verzen later opeens uit "Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd." (1 Kon. 8:27). Het is duidelijk dat men later, toen de tempel verwoest was deze correctie in het verhaal aanbracht, want het kan onmogelijk gerijmd worden met vers 12 en met de gehele onderneming van de tempelbouw.

Wanneer het filosofische denken en weten van de mens in (pakweg) de laatste vierhonderd jaar voor Christus toeneemt verandert God steeds meer in een transcendent begrip. Dit wordt in de hellenistische tijd (vooral door de Grieken, Plato) steeds verder ontwikkeld, totdat God zo ver verheven is boven al het aardse (=zondige, imperfecte) dat hij niet immanent meer kan zijn, want al het immanente 'bezoedelt' God. Dit denken ligt de basis van de gnostiek. Vandaar dat bijna alle filosofisch ontwikkelde denkers in de eerste eeuwen van het christendom de goddelijkheid van Jezus niet konden aanvaarden. Men kwam dan met engelen aan, of een Demiurg (een soort ondergod die de aarde schiep) om de God achter de goden te redden, of vond 'de Logos' uit als 'tussenstation'. Ook tal van (later tot ketters uitgeroepen) leringen zoals het docetisme ("Christus had slechts een schijnbare lichamelijkheid") berusten op de gedachte van het onmogelijk zijn van God zich in de schepping te mengen.

Transcendentie is dus uitgevonden om 'het hoogste', 'het ultieme', 'de bron', 'het geheel andere', 'het perfecte', dat wat volkomen buiten het begripsvermogen en waarnemingsvermogen gaat van de mens, aan te duiden. Een transcendente God is volgens mij een God die men best serieus kan nemen. Maar beter dan het woord God zou de benaming Mnlkuvbuptahgft hieraan recht doen, of nog beter, deze omschrijving: .
Aangezien er niets over te zeggen valt, valt met een transcendente God ook godsdienst weg. Aangezien dit niet leuk is wordt 'transcendentie' dan ook meestal gebruikt als het woord dat voor de religieus gelovige handig is om ermee je eigen niet op de rede gebaseerde overtuigingen en ervaringen te kunnen verdedigen. Zo kan men mystiek eenvoudig neerzetten als 'weten', 'een dieper bewustzijn', door te verwijzen naar het transcendente. Een truc natuurlijk, want alles wat begrepen en ervaren wordt (zoals mystiek) is niet meer transcendent.

De immanente God kan m.i. ook geloofwaardig zijn, namelijk wanneer we als panthe´sten uitspreken dat alles een onderdeel is van God. Maar ook dan valt godsdienst weg. We zitten dan met de omgekeerde waarheid: je kan er alles van zeggen, en het is allemaal waar.

Het christelijk geloof -en Ouweneel als de verdediger ervan- eet het liefst van twee walletjes en beweert dat God zowel immanent als transcendent is. Maar let op, het zijn twee halfvolle glazen die ons voorgeschoteld worden. Men doet de uitspraak omdat zowel het ÚÚn als het ander in de kraam van pas komt. God kan niet worden neergezet als een kracht of begrip dat het alles omvat in de zin van dat alles een onderdeel van hem is. Daarvoor haat men het aardse leven te veel, en zit men teveel in de maag met wat men kwaad noemt. Men heeft dus een transcendente God nodig die buiten het universum staat en geheel onschuldig is aan wat zich hier afspeelt. Maar wanneer hij teveel als transcendent wordt gezien, moet die transcendente God weer wat aangekleed worden, omdat men anders geen christendom meer nodig heeft. God is dus transcendent voor zover we hem de ruimte moeten inschieten om hem immuun voor alle kritiek te maken, hij is immanent om hem relevant te laten zijn voor de mens. Tsunamie? God is transcendent. Ongelooflijke redding? De reddende hand van God (voorzienigheid).

Hoe handig het is zie je wanneer christenen over Dawkins' boek The God Delusion praten: wanneer Dawkins uitroept dat hij God in de schepping wil zien, en daar juist helemaal niets van God te zien valt, zegt de gelovige: ja, maar God is transcendent, begrijpt Dawkins niet eens zo'n eenvoudige zaak!
Maar wanneer Dawkins zou zeggen dat de transcendentie van God d˙s betekent dat God voor het leven van de mens een overbodige zaak is, dan hupt de gelovige weer op zijn stokje van de immanente God, die de geschiedenis leidt, ingrijpt, werkt in het hart van de mens, die religie heeft 'ingebouwd' enz. De immanente God is voor een belezen gelovige vaak een veel moeilijker gegeven, en moderne theologen zie je er dan ook nooit mee werken. Het is voor moderne (vrijzinnige) theologen eigenlijk onmogelijk om ook maar iets concreets over God te zeggen. Zulke gelovigen zie ik dan ook als mensen die hun christelijke geloof in wezen al hebben opgegeven, iets wat Feuerbach al 170 jaar geleden inzag toen hij schreef dat geloof gelijk staat aan geloof in het wonder. Logisch, want iemand kan slechts in de immanente God van de christenen geloven (de God van de wonderen, tekenen en 'werken' op aarde) indien hij bijgelovig is, dwz voortdurend 'wonderen' en 'goddelijke werkingen' opmerkt. Iedere ontwikkelde denker heeft alle bovennatuurlijke wonderen al 400 jaar geleden naar het rijk der fabelen verwezen, en kan niet uit de weg met de christelijke God.

Maar Willem Ouweneel is geen vrijzinnige. Hij begrijpt maar al te goed dat het christelijk geloof staat of valt met een concrete, immanente God. Vandaar dat hij in zijn the´stisch manifest begint met de wonderen en zelfs dodenopstandingen erbij haalt. Hij wringt zich dus uit de aanklacht 'bijgelovig' te zijn door als rasechte fundamentalist op te merken dat die 'wonderen' zintuiglijk te verifiŰren feiten zijn.

Vrijzinnige theologie, aan de andere kant, is de bezigheid van religieuze mensen voor wie antieke religieuze overtuigingen van de immanente God volkomen door de mand gevallen zijn, en voor wie zulk denken gelijk staat aan bijgeloof van het domme volk, om de oude religie met taalgegoochel om te zetten in iets wat een ontwikkeld modern denker kan appreciŰren, dus een abstracte filosofische vaagheid, dat een antwoord zou zijn op het laatste hoe, waarom, waartoe. Bijbelverhalen zijn dan nooit letterlijk op te vatten, maar bevatten in beeldtaal 'sporen van het goddelijke', 'de voetafdruk van het goddelijke', 'heenwijzingen naar het transcendente', enz.


We weten dat uiteindelijk niet intellectuele argumenten (de rede), maar existentiŰle factoren (het gevoel, de wil, het hart) de doorslag geven, maar daarom is er toch best ruimte voor intellectuele argumenten.


De eerste stelling hebben we nu tot in den treure wel kunnen lezen en begint een beetje te vervelen. Het zou inderdaad opluchten wanneer Ouweneel eindelijk eens een begin zou maken met het aandragen van intellectuele argumenten voor het bestaan van God. Moet ik er tot het laatste hoofdstuk op wachten voordat Ouweneel eindelijk de argumentatie op tafel legt? Hij heeft tot nu toe inderdaad terloops het argument van Ontwerp herhaaldelijk genoemd, maar dit is iets wat men in een hele boekenkast van boeken over het onderwerp door wetenschappers onderuit gehaald kan zien worden. Ik zie het daarom somber in voor wat betreft het vervolg.