Een commentaar op het christelijk fundamentalisme

Na 9/11 heb ik in mijn leven een wereldreis in mijn denken gemaakt. Het is een adembenemende reis geweest van evangelisch christelijk geloof via allerlei tussenstadia naar athe´sme. Zulke kolossale veranderingen in het denken te ondergaan -een periode van zes jaar lang letterlijk dag en nacht met godsdienst en levensvragen bezig te zijn- gaat je niet in de koude kleren zitten, maar erop terugkijkend zie ik er enkel positiefs in. Het is een proces geweest van het jezelf worden, kleren die je als kind gekregen hebt en waar je uitgegroeid bent uitdoen, en vervolgens je eigen kleren ontwerpen. Het heeft mij gemaakt tot een mens die het leven liefheeft als nooit tevoren. Ik bruis van ongekende levenskracht en heb mezelf geestelijk sterker bevonden dan ik ooit voor mogelijk zou hebben gehouden. Ik heb voor mijn overgang naar athe´sme geen betere omschrijving dan het geestelijk volwassen worden en tot innerlijke bloei komen, en heb er groot plezier in mijn medemensen op te roepen eenzelfde reis naar geestelijke volwassenheid te maken. Ik ben op het internet uitgegroeid tot evangelist voor het athe´sme, een rol die weinigen spelen, en nog weiniger met zoveel vuur en enthousiasme als waarover ik al jaren beschik.


Ik deed er wel vier of vijf jaar over nadat ik mijn christelijk geloof opzegde om het laatste vaarwel te zeggen aan God. Hem uit te bannen was een volslagen onmogelijkheid, zelfs nadat ik het christelijk geloof allang de rug had toegekeerd. Maar ik ervoer uiteindelijk dat ik er niets voor hoefde te doen. Op een gegeven moment had het begrip God eenvoudig geen enkele plaats meer in mijn denken. Het was inelkaar geploft, verdampt, opgelost in het niets. Het overkwam me in de herfst van 2006 tijdens een lange autorit waarbij ik het eerste hoofdstuk van Richard Dawkins' The God Delusion overdacht. Dit hoofdstuk genaamd "a deeply religious non-believer" was als voor mij persoonlijk geschreven; ik had het opnieuw en opnieuw doorgelezen. Ik schoot plotseling in de lach bij het overdenken van mijn -inmiddels al jarenlange- pogingen om maar iets van God te behouden. Ik ontmaskerde het definitief als een spel van mooie gevoelens, hetgeen dienst deed om te beantwoorden aan kunstzinnige behoeften; in een nog diepere zin begrepen: godsgeloof doet enkel dienst om een geestelijk onvolgroeid mens en een geestelijk onvolgroeide mensheid overeind te houden in het leven. Dit laatste is het grootste inzicht dat men over God en godsgeloof maar kan krijgen. Wanneer men het krijgt is een gelovige geestelijk volwassen geworden. Het feit dat ik er nu opeens zo hartelijk om moest lachen en mezelf in mijn hemd zag staan, liet me duidelijk zien dat het religieuze spel uitgespeeld was; ik had het eenvoudig niet meer nodig. Ik was athe´st, dat was de eerlijke waarheid over mezelf, en ik voelde me er opperbest bij....Ik proefde het woord 'athe´st' voor het eerst in m'n mond, en allemachtig, wat was dat voor iemand die 50 jaar lang met God in zijn gedachten heeft rondgelopen moeilijk om uit te speken! Ik oefende er van tijd tot tijd op, "ik ben gewoon athe´st...", zei ik af en toe hardop, en ik kon er nooit iets tegenin brengen...maar het duurde nog wel een half jaar voordat ik het voor het eerst tegen anderen openlijk uit kon spreken. En dat gebeurde pas toen ik op het Freethinker forum een opmerking van iemand anders kreeg: hij had opgemerkt dat ik me anders uitdrukte dan voorheen. Ik werd daardoor gedwongen definitief uit de kast te komen en antwoordde hem: "Ik ben nu in het stadium dat het nog steeds moeilijk is om het uit te spreken, maar de Jehova-getuige die toevallig vanmorgen aan mijn deur kwam wekte zoveel ergernis bij me op dat ik het haar om van haar af te komen meteen en zonder omwegen zei (het hielp overigens niet). Ik ben volkomen ondergedompeld geweest in de gelovige wereld, en zeggen dat ik athe´st ben is voor mij zoiets als ademen op de maan." Het was er nu uit, en vanaf die tijd begon ik eraan te wennen. Vanaf die tijd vroeg ik me ook voortdurend af hoe ik over dit athe´sme zal gaan schrijven, wßt ik erover zal gaan schrijven. Een nieuw hoofdstuk aan mijn geestelijke reis, een beslissend hoofdstuk, een soort eindpunt van mijn reis, iets wat ik de lezer van al mijn vorige schrijfsels toch eigenlijk wel verplicht ben. Vanaf het begin dacht ik dat ik er niet over kan schrijven zolang het kersvers is. Ik laat het allemaal bezinken, en doe het later. Nu, anderhalf jaar later is die tijd gekomen. Het athe´sme is wat mij betreft nu volledig bezonken en op zijn definitieve plaats aangekomen en kent geen worstelingen. Het voelt aan als mijn natuurlijke omgeving. Zes jaar geleden sloeg ik een nieuwe bladzijde om. Spoedig had ik een nieuwe boekenkast nodig. Die is nu tjokvol. Er kan geen boek meer bij. Ik heb me zes jaar lang met nieuw en rijk geestelijk voedsel gevoed, en ben gestadig tot een boom met oersterke wortels en wijde takken uitgegroeid. Ik heb op mijn geestelijke reis na het afzweren van mijn christelijk geloof geen enkele vertwijfeling, worsteling of schrikwekkende tweestrijd gehad. Alles ging verder met de kracht van de komst van de lente en van de lente naar de zomer, alles was enkel gelijk aan een geliefde bezigheid uit mijn jeugd: 2000 puzzelstukjes op zijn plaats leggen. Wanneer je ermee bezig bent geeft elk nieuw stukje dat je aanlegt enkel plezier, wanneer je de puzzel ziet groeien weet je eenvoudig dat het nu nog maar een kwestie van tijd is om het geheel af te maken. En wanneer je het uiteindelijk afgemaakt hebt kijk je er naar en weet je dat alles precies zo op zijn plaats ligt zoals het behoort te liggen. Telkens heb ik enkel ervaren een deel van mezelf en de waarheid over mijn oude religieuze geloof tegen te komen.


Ik heb inmiddels ook de juiste vorm gevonden om mijn athe´sme uit te leggen en de waarde ervan te wegen: door commentaar te leveren op de meest gerenommeerde apologeet van het christelijk geloof die Nederland rijk is, Prof. dr. Willem Ouweneel. Ik heb groot ontzag voor deze man. Dat komt omdat hij ooit mijn tieneridool was; zoiets blijft voorgoed hangen, zoals iedereen weet die als tiener naar de Beatles luisterde. Hij is 13 jaar ouder dan ik. Ik kwam als tiener tot geloof in de zeventiger jaren, en had het gelukkige voorrecht in Utrecht te wonen, waar deze voorman van het christelijk geloof met onovertroffen vlijt, frisse intellectuele aanpak en groot charisma het christelijk geloof uitdroeg via ontelbare lezingen en het schrijven van interessante boeken, die ik aandachtig doorlas. Van mijn 16e tot mijn 21ste was hij de GamaliŰl van mijn leven die overal het antwoord op had, en een lichtend voorbeeld was van hoe ik mijn eigen volwassen leven dat voor de deur stond zou willen inrichten. Ik ging zelfs kijken in de kerk waar hij toe behoorde en heb het zelfs op mijn geweten mijn jongere broer daarheen te slepen. Ik zou me er toen zelfs bij hebben kunnen aansluiten, ware het niet dat op het eind van die periode mijn aanstaande vrouw uit het buitenland een keer een kijkje kwam nemen in die kerk, en na afloop van de dienst enige harde woorden uitte. Ze begreep volstrekt niet dat een kerk van onze tijd zo benauwend kan zijn dat zij voorschrijft dat mannen en vrouwen tijdens de bijeenkomst gescheiden moeten zitten, vrouwen moeten zwijgen, de collecteschaal aan je voorbijgaat en je niet aan het avondmaal mag deelnemen als je slechts onbekende gast bent en muziekinstrumenten verboden zijn..."Benauwend?", zei ik, "ik zal je dan nog wat vertellen, je mag het geeneens 'kerk' noemen van ze, zij hebben geen kerk, maar een 'vergaderlokaal'!..." Het werd me op dat moment in een flits duidelijk dat mijn vroomheid buitensporige afmetingen had aangenomen, zonder dat ik er erg in had gehad...Spoedig daarna vertrok ik voorgoed naar het buitenland en verloor het zicht op Ouweneel geleidelijk. Ik kwam hem in de 80-er jaren nog even tegen toen ik het dikke boek "Het Domein van de Slang" kocht en doorlas, maar ademde inmiddels al frisse Finse boslucht, en kreeg toen al het gevoel dat 'de slang' te zien in zo ongeveer alle richtingen die je in je leven op kunt kijken (op het staren op de bijbel na) de meest succesvolle manier is om je leven grondig ongezond te maken. Ongeveer vijfentwintig jaar later, tijdens het schrijven van mijn e-boek Volwassen Geloof kwam ik mijn oude leermeester echter weer van tijd tot tijd tegen. Te zien hoe ik zelf veranderde maakte mij erg nieuwsgierig naar wat er met hem gebeurd was al die jaren. Zou Ouweneel niet ook veel dingen anders zien tegenwoordig? Er viel een hoop over hem te lezen op het internet, maar de strekking ervan was dat hij zijn rationeel en fundamentalistisch geloof ietwat afgezwakt had, of, vanuit zijn kant bezien, verrijkt heeft met meer begrip voor 'ruimere uitleg', en aangevuld heeft met gevoel, dromen en geloof in wonderen. Dat laatste verbaasde mij het meest, want Ouweneel was toch de wetenschapper, de man met ongeŰvenaard intellect, rationaliteit en helderheid van argumentatie?


Ik kwam op een gegeven moment te horen dat Ouweneel een weerwoord geschreven had op Herman Philipse, auteur van het Athe´stisch Manifest. Het boek is genaamd De God die is en heeft als ondertitel: "Waarom ik geen athe´st ben". Wat zou een mooiere bezigheid zijn voor mij dan mijn volwassen denken te meten met de man die in mijn tienertijd mijn voorbeeld was? Ik heb dus een paar weken geleden zijn boek uit Nederland besteld. Hoewel ik geen idee heb hoe dik het is, geen idee heb wat er allemaal in zal staan, heb ik me voorgenomen een uitgebreid commentaar op zijn boek te geven, dwz elke zin eruit meerdere malen te lezen en overdenken, en daarna te kijken of athe´sme te preferen is boven de redeneringen van christenen. Ik leef op dit moment nog steeds met de gedachte dat Ouweneel de beste christelijke stem is die het Nederlandse christendom zich maar kan geven om zich enige geloofwaardigheid te schenken. Indien ik iemand met grote kwaliteiten over het hoofd zie, houd ik me uiteraard aanbevolen om daarover te horen, want ik wÝl mijn athe´sme graag meten met de grootste christelijke denkers. Tot nu toe heb ik in discussies met christenen nooit tegenwind gehad waardoor mijn pet afwaaide. Ik heb ook overwogen om een commentaar te schrijven op C.S. Lewis, de meest gewaardeerde christelijke apologeet in de engelssprakige wereld, maar ik heb nooit begrepen waarom hij zo uitbundig geloofd wordt; voor mij is hij altijd een nogal tamme, wollige en gevoelige zeur geweest met slappe teksten. Dat het christelijk geloof gebaseerd is op mooie gevoelens van mensen weet iedere gelovige en wist ik mijn hele leven drommels goed. Daarom was ik in mijn tienertijd juist zo blij met Ouweneel. Hij gaf een rationele onderbouwing, hij zette het religieuze evangelische geloof neer als iets wat logisch en geloofwaardig is voor het verstand. De dingen die ik las op het internet over zijn nieuwe koers zijn voor mij in eerste instantie een grote teleurstelling. Ik lees daar o.a.


Dan was er ook nog sprake van een persoonlijke crisis. Ouweneel klaagde dat de authentieke godservaring in zijn eigen leven, en binnen zijn eigen geestelijke tehuis, nauwelijks te vinden was. Hij was naar hij ontdekte zijn hart kwijt. Ik citeer "waar is mijn zelf, mijn hart?". (Nachtboek van de ziel, p. 16) Met behulp van zelfanalyse van de eigen dromen waarbij hij gebruik maakte van belangrijke onderdelen van de psychologie van de occultbelaste en ge´nspireerde Jung is hij naar eigen zeggen bevrijd geworden. Hij heeft zijn vrouwelijke zijde in zichzelf kunnen integreren en sinds die tijd werken er nieuwe krachten in hem. Hij heeft nu blijkbaar de zo gewenste authentieke godservaring bereikt.


Dat een evangelisch christen Jung als een positieve kracht in zijn leven kan gebruiken moge een klein wonder heten en getuigt van een geest die niet bang is de wind van voren in zijn gezicht geblazen te krijgen, iets waar ik bewondering voor heb. Maar bij deze koerswijziging behoort ook dat Ouweneel tegenwoordig zelfs in genezingswonderen en andere 'wonderen' uit de charismatische hoek gelooft, zelfs in opwekkingen van doden. Hij heeft zich dus in mijn optiek danig van de wal in de sloot geholpen. In plaats van op helder denken uit te komen en zijn geloof de rug toe te keren omdat het rationeel niet deugde deed hij toen hij een crisis kreeg het omgekeerde: de rationele helderheid waarover hij beschikte en waarmee hij het geloof onderbouwde gooide hij in de vuilnisbak om geheel van knagende zaken die uit rationeel denken voortvloeien af te komen. Toen zijn geloof opdroogde en hij daardoor een crisis kreeg switschte hij eenvoudig op de beleving van het geloof. Het laat m.i. zien dat de rationele basis voor Ouweneel zelf toch niet sterk genoeg bleek te zijn, maar misschien zie ik het verkeerd en kan Ouweneel het in zijn apologie voor het christendom zo uitleggen dat hij sterker dan ooit uit de bus komt.


Ik heb me nu dus twee weken voorbereid op een confrontatie. Ik heb hierbij allerlei gedachten door mijn hoofd zien flitsen. Wat denk ik wel van mezelf om me te gaan meten met iemand die drie maal gepromoveerd is en mij in kennis en talenten ver overtreft? Zelfs voor een athe´stische professor is Ouweneel een 'Godswonder':


Wij weten natuurlijk allemaal dat prof. Ouweneel een overweldigende hoeveelheid boeken over een groot terrein van wetenschap heeft geschreven. Ik begrijp eerlijk gezegd niet hoe dat kan. Hoe kan iemand zoveel boeken schrijven? Hoe kan iemand thuis zijn in zoveel verschillende wetenschappen? Hoe kan iemand hoogleraar zijn in de wetenschapsleer, filosofie en theologie? Het is mij een raadsel. En wanneer ik het zo formuleer, dan bedoel ik dat ook werkelijk zoals ik het zeg. Ik begrijp het gewoon niet. Het gaat mijn verstand te boven. Ik ben bijna geneigd te zeggen: God moet wel bestaan. Het 'wonder' Ouweneel legt daarvan onbedoeld getuigenis af. (prof. Paul Cliteur)


Is mijn commentaar een soort zoete wraak op mijn verleden? Moet ik voor mezelf bewijzen boven een tieneridool uit te groeien? Als jong volwassene die toen theologie in Londen studeerde, zat ik ÚÚnmaal bij hem in de huiskamer om een bijbelstudie van hem aan te horen. Ik herinner me dat hij na afloop een riedeltje piano ging spelen, en dat me vreselijk tegenviel. Alsof ik opeens de koning in zijn ondergoed zag voorbijlopen. Volgens mij viel hij toen al van zijn voetstuk, en nam hij vanaf dat moment al normale proporties aan in mijn leven.


Maar waarom ben ik nu zo'n vechtersbaasje? Waarom moet ik het na bijna 35 jaar tot op de bodem uitzoeken hoe het zit tussen mij en hem? Ik hoop dat Ouweneel ziet dat het niet om hem gaat. Omdat ik mezelf in een vroeger stadium zo totaal en onvoorwaardelijk heb uitgeleverd aan religieus geloof, mˇet ik altoos maar uitzoeken hoe het nu zit tussen het christelijke geloof en mijn eigen wil, mijn respect voor mijn eigen gedachten, respect voor mijzelf. Ouweneel is toevallig een figuur die op de planken van mijn leven een rol speelt. Op wat voor manier ga ik dan met zijn boek aan de praat? Zal ik vriendelijk blijven of word ik hooghartig en nijdig? Het antwoord weet ik nu al: men zal dit alles kunnen tegenkomen, want ik schilder enkel mijzelf op het doek en ik ben zowel vriendelijk, hooghartig als af en toe nijdig. Mijn vriendelijkheid is aangeboren, maar mijn nijd en hooghartigheid heb ik als een schat in mijn leven moeten ontdekken en cultiveren. Zonder die kwaliteiten zou ik nog steeds een slaaf van het geloof zijn.
Ik overdenk vaak wat voor stijl ik heb. Aangezien ik mijn moedertaal slechts de eerste 21 jaar van mijn leven gesproken en gelezen heb schrijf ik in ongekunstelde constructies en vocabulair en loop ik vaak naar woorden te zoeken. En wanneer ik ze vind associeer ik ze vaak met een moment dat ik ergens als tiener in de schoolbanken zat. Het geeft me een onbehaaglijk gevoel. Ik moet ook voortdurend het internet erbij halen om te zien of een uitdrukking die me te binnen schiet wel echt bestaat en of ik een woord wel goed spel. Aangezien ik al 27 jaar in Finland woon heb ik een schrikbarend gebrek aan humor en elegante manieren, en lijd ik aan de 'no-nonsense' en 'recht voor zijn raap' manier van omgaan die overigens, voor zover ik me herinner, me ook al in de eerste 16 jaar van mijn leven in Groningen vertrouwd werd. Hierbovenop zit een behoorlijke dosis emotionaliteit, die soms de boventoon voert en sommige mensen op de vlucht doet slaan. Een mens wil vaak graag het omgekeerde zijn van wat hij is, en daar doe ik dan ook vlijtig mijn best voor. Mijn ideaal is zo smeuiig en pikant te kunnen schrijven als een Belg (waarmee ik, om een voorbeeld te geven, dit bedoel: "Weg met het automatische respect en onverdiende aanzien voor al die intellectuele oplichters, de oetlullen, die braakballen, de sufferds, leugenaars, de ijdeltuiten- geniŰen die "weten ", de hoogheidswaanzinnigen en dikkenekken van het "geloof "..."), echter bewerkt met de bedaardheid en bloementuin van woorden van Harry Kuitert, en weer aangescherpt met de eruditie, scherpte en zwarte humor van Christopher Hitchens, de man die op dit moment wat schrijfstijl betreft mij zeer inspireert, en die volgens mij van alle athe´stische boeken van de laatste jaren de beste heeft geschreven. Ik moet het echter doen met de roeispanen die ik heb, en ÚÚn ervan is deze: ik heb een uitermate sterke zelfkritiek. Wat voor kritiek men mij ook in het gezicht gooit, ik zal het bijna altijd onderschrijven, me hogelijk schamen en mijn best ervoor doen het omgekeerde te zijn. Hiermee samenhangend is de erbij behorende eigenschap: wellicht om dit overdadige gevoel voor schaamte te overwinnen heb ik de neiging mijn diepste innerlijk, mijn diepste geheimen en meest persoonlijke zaken bloot te geven en ze zelfs tentoon te stellen. Ik merk altijd weer op dat Nederlanders dit zelden of nooit kunnen, men houdt altijd een facade voor. Ik doorbreek dat graag in mijn leven omdat het de mens belet zichzelf ooit te leren kennen. Voor ik doodga zal ik vast nog eens een boek over seks publiceren waarin ik mezelf zal durven neerzetten als een hansworst, en hoop ooit eens als oud mannetje in een schommelstoel te zitten en er veel plezier van te hebben zo eerlijk te kunnen zijn. Misschien heb ik -net als Nietzsche- ook stiekem een hele hoge dunk van mezelf, ik betrap me er zelfs op soms te denken dat hij het rechtmatig mocht hebben, en fluister er soms heel zachtjes achteraan: ik ook, omdat hij en ik over de allergrootste oprechtheid van denken en zijn beschikken. Ik wil deze gedachten helemaal niet, het is niet overeenkomstig mijn allerhoogste idealen van menselijke ontwikkeldheid, maar ja, wat doe je als ze soms in je hoofd rondvliegen. Er zit niets anders op dus dan het maar meteen op te biechten wat er stiekem af en toe in mijn gedachten voorbijflitst: het is mijn lot en wens de grootste Antichrist te zijn die Ouweneel op zijn weg tegenkomt. Men moet mij echter goed begrijpen. Niet om Ouweneel een hak te zetten, maar omdat ik voor hem zo'n grote bewondering heb en hem een dienst wil bewijzen.





Albert Vollbehr, 23 februari 2008