Woord vooraf: De wijsheid van een ware Salomo

Het boek van Ouweneel kon ik vanmiddag op het postkantoor ophalen. Het kon niet in m'n brievenbus, maar dat kwam door de verpakking. Het is slechts een boekje van klein formaat. Maar het heeft wel 300 bladzijden, merk ik tevreden op. Het boekje is van goede kwaliteit. Uitgeverij Medema heeft er zijn best weer op gedaan. Wanneer ik het in m'n handen heb moet ik aan Jeugd in een stervende eeuw denken, een door Willem Ouweneel geschreven boekje van hetzelfde formaat en op dezelfde manier goed gelijmd, dat ik ongeveer 35 jaar geleden in m'n handen had. Dat boekje kwam onvoorstelbaar hard aan in mijn prille leven. Ik was die jeugd, en mijn eeuw werd neergezet als vies, verrot, wanhopig en stervend. Het was beklemmend in zo'n wereld te moeten leven. Ik werd opgeleid om het leven op deze aarde dat ik voor de boeg had zo negatief mogelijk te bezien. Godzijdank was er een vluchtheuvel, een eilandje van rust, een kamertje met mooi behang op de muur, het christelijk geloof. Maar hoe mooi dit eilandje of deze schatkamer ook beschreven werd, het nam die zee van benauwdheid eromheen niet weg. Overal om me heen zag ik mensen gewoon feestvieren en genieten van zeilboten, popmuziek, vakantie en TV. Ze hadden geen idee van nihilisme en een afstervende eeuw, maar wij christenen wisten wel beter. Het waren allemaal mensen zoals in de generatie van Noach. De hele meute was op weg naar de ondergang, allemaal zouden ze zonder slag of stoot spoedig aan het Beest en de innerlijke wanhoop zijn overgeleverd. Want wat anders staat de wereld te wachten wanneer men God de rug toekeert dan zinloosheid en nihilisme?...
Het is inmiddels 35 jaar verder. Is Ouweneel inmiddels, net als Hal Lindsey en Tim LaHay, al rijk geworden van al die schrijfsels die enkel de uiting zijn van hun eigen wanhoop en nihilisme? De gezonde wereld geniet nog steeds van vakanties, comfortabele auto's en films, en heeft het arsenaal inmiddels uitgebreid met digicamera's en internet, en heeft nog steeds geen enkele weet van nihilisme en zinloosheid. Integendeel, men is bezig met nanotechnologie, een opvolger voor de Hubble telescoop en een plan de planeet Mars te veroveren.
Evangelist zijn, het christelijk geloof uitdragen, er boeken over te schrijven, is je blindstaren op de depressieve mens, op de mens die aan ongeneeslijke lichamelijke ziekten lijdt, en op de mens voor wie de aarde zinloos is en levensmoeheid en krachteloosheid ervaart. Is de lijst van zijn boeken de honderd al gepasseerd? Vast wel, want klanten genoeg.


De titel De God die is staat als volgt op de omslag: de woordjes 'de' en 'die' in zwak bruin, en de woordjes 'God' en 'is' in blinkend wit; van ver af bekeken lees je "God is", de woordjes die ik slechts vijf jaar geleden nog mijn hoogste wijsheid kon noemen. Ik besloot er mijn boek Volwassen Geloof mee. Waarom is God er nu opeens niet meer? Valt er een zinnig touw aan mijn leven en denken te knopen? Ik heb er zelf niet zo'n moeite mee me te zien veranderen. Ik begrijp mezelf. Je moet namelijk een heel eind wandelen als je zolang als ik op het verkeerde bospad hebt gelopen. Je moet er ook bijzonder lang op oefenen voordat het je duidelijk wordt en je kunt toegeven dat je aan het woordje 'God' geen enkele redelijke inhoud kan geven, geen enkele definitie, omschrijving die het geloofwaardig aankleedt. Het is slechts een woordje dat psychische dienst doet in je leven, en geen cognitieve betekenis heeft. Ik begrijp heel goed waarom ik God toen nog niet kon loslaten, terwijl hij nu alleen maar een blok aan mijn been zou zijn, want ik ben psychisch zoveel sterker geworden en bijgevolg nu pas in staat het rationele de waarde te geven die het de mens altijd rechtmatig oplegt en verdient.


Maar is zo iemand als Ouweneel die van jongs af aan tot aan zijn ouderdom voet bij stuk houdt en stoer en ferm blijft staan waar hij altijd gestaan heeft, niet veel wijzer, veel evenwichtiger, veel bewonderenswaardiger? Huh, deze vraag neem ik niet echt serieus. Als er iets is in mijn leven waar ik zelf een hekel aan heb is het wel altijd dezelfde paadjes te moeten bewandelen, dezelfde gezichten te moeten zien en dezelfde dingen opnieuw en opnieuw in een cirkel te moeten denken. Ik heb lichte minachting voor elk 'nog een keer', voor elk 'daar ga ik niet heen', voor ieder 'dat zul je mij nooit zien doen'. Het leven is enkel stromen, wijzer worden is enkel van vorm veranderen, nieuwe gezichten opzoeken. Maar bovenal: langer leven is psychisch sterker worden zodat je steeds eerlijker kan worden in je denken. Ouweneel heeft -in mijn optiek- zichzelf een heel klein beetje frisse lucht erbij kunnen schenken. Hij heeft zijn hete en kurkdroge midden-oosterse gedachtenwoestijn in stand kunnen houden door het aan te vullen met een oase van irrationaliteit, hij gelooft tegenwoordig in wonderen. Ik begrijp niet hoe een hoogintelligent mens zich daarbij wel kan bevinden. Ik voor mij stel me nooit tevreden met een raampje van de cel waarin ik mezelf heb opgesloten open te kunnen doen, en zou zeker niet een raampje open gaan doen in de richting van de bijgelovige middeleeuwen, maar wil vrij als een vogel vliegen en geestelijke wereldreizen maken, het liefst de onbekende toekomst in. Dat er geen doel is waarnaartoe ik vlieg en ik ook over kale rotsen en boven smeulende vulkanen moet vliegen, is geheel om het even. De eindeloze nieuwe landschappen die ik om me heen zie zijn genoeg om me een heerlijk en volkomen bevredigend leven te schenken.
Maar hoewel ik mijn eerlijke gedachten opbiecht moet ik eerlijk blijven en zeggen dat er een kans bestaat dat ik het bij het verkeerde eind heb. Ik mag dan zo graag willen dolen, en denken dat de waarschijnlijkheid om wijsheid op te doen op die manier veel groter is dan de hele tijd maar in een kleine en onveranderlijke denkwereld te blijven, en ik mag denken heerlijke frisse Finse boslucht op te snuiven in mijn leven, maar het is uiteraard mogelijk in het juiste gezin geboren te worden op de juiste plek, en er toevallig je hele leven de juiste opinies erop na te houden. Het is mogelijk dat de ervaring van je leven niets anders is dan keer op keer weer op te merken dat je het volledig bij het juiste eind had met je levensvisie, en het alternatief altijd minder deugdelijke argumentering en minder fraaie vergezichten oplevert. Het is mogelijk absoluut intellectueel eerlijk te zijn terwijl je dit zegt, hoezeer mijn scepsis het mij bijna onmogelijk maakt deze concessie te doen. Ik laat daarom Ouweneel aan het woord en zal hem aandachtig beluisteren of er in de naar mijn mening door-en-door verziekte en oververhitte wereld van het midden-oosten een schat begraven ligt, waar ik onwetend over was.


Op de achterflap van het boek staan wat kreten. Ik neem aan dat ze door de uitgever er neer zijn gezet, want ze zijn nogal flauw. Het Athe´sme wordt in kretologie even uiteengezet:
-"Men moet of de natuurwetenschap geloven, of het christendom." Wat een flauwekul. Er valt in wetenschap niets te geloven, en wat geloof betreft heeft de mens een eindeloze reeks alternatieven.
-"We kunnen niet bewijzen dat God bestaat en dus bestaat hij niet". Laat Ouweneel in zijn leven de mogelijkheid open voor het bestaan van kabouters en de tandenfee, of is hij in dat geval even 'kortzichtig' als de athe´st die filosofisch gezien wat te kort door de bocht gaat?
-"Het leven heeft geen zin of doel en dus is er geen God". Deze stelling heeft volgens mij geen enkele waarde, aangezien het bestaan evenzomin zin en doel zou hebben indien God wel bestaat. Kan Ouweneel mij even de zin en het doel van Gods bestaan uitleggen? Kan hij me uitleggen waar het God aan ontbrak dat Hij de behoefte voelde om iets te gaan scheppen, en wat Hij ermee opgeschoten is? En wat moeten we nu denken van een zogenaamd 'eeuwig leven'? Kan men zoiets Řberhaupt een doel noemen? Het lijkt me eerder juist het ultieme tegendeel van een doel. In ieder geval een gedachte die als foltering overkomt, een doel om vooral te vermijden, als je het mij vraagt.
-"95% van de wetenschappers gelooft in het bestaan van de evolutieleer, dus moet die wel waar zijn". Alweer staat hier een slogan die geen bedachtzame opmerker ooit zal uitspreken. Een gezond denkend mens zal uiteraard zeggen dat de waarschijnlijkheid dat het waar is in het geval dat 95% van de wetenschappers er aan gelooft, veel en veel hoger is dan welk alternatief ook dat men kan aanvoeren.
-"Jij mag dan beweren dat God bestaat, maar dat doe je alleen omdat je anders niet met de realiteit van het leven weet om te gaan." Dat vind ik persoonlijk een hele goeie. Het is een favoriet van mij. Ik heb het hierboven meteen al gebruikt als argument, en ik heb er een hele goede speurneus voor om het op te sporen en zal het meteen aanvoeren wanneer ik het in het boek van Ouweneel tegenkom. Ik reken er overigens op dat ik het tegen zal komen, want ik ben het tegengekomen in iedere christen, vooral ook in mijn jongere zelf.
-"De wetenschap heeft bewezen dat God niet bestaat en dat Jezus geen bestaande historische figuur was." Het begint nu echt flauw te worden, want dat de wetenschap niet kan bewijzen dat iets niet bestaat is iedere denker bekend. Voor de stelling dat Jezus niet bestaan heeft zijn bijzonder goede argumenten. Maar of hij wel of niet bestaan heeft doet er weinig toe in vergelijking met belangrijkere zaken, feiten waar niemand omheen kan: dat hij nooit een gedachte van zichzelf of een gebeurtenis heeft opgeschreven, noch dat wie dan ook dat deed tijdens zijn leven. We hebben enkel verhalen, opgeschreven door anoniemen, die veertig jaar later of nog langer nß Jezus geschreven zijn. Dit is voor mij genoeg om de verhalen met een korreltje zout te nemen.
-"Onderzoek heeft uitgewezen dat de schepping een wetenschappelijke onmogelijkheid is". Weer wippen naar de evolutie versus schepping kwestie, en weer aankleden in naieve taal.
-"Wij weten dat de evolutieleer waar is, omdat de evolutieleer door de natuurwetenschap is aangetoond; wij weten dat de natuurwetenschap waar is, omdat zij gebaseerd is op de evolutieleer". Dit is een regelrechte stoot onder de gordel. Niemand met enige hersens zal zo'n domme cirkelredenering aanvoeren. Denkt Ouweneel in gesprek te zijn met ezels?
-"Als God echt bestond zouden zijn volgelingen zijn morele wetten wel hooghouden. Maar dat doen ze niet en dus bestaat God niet." Persoonlijk heb ik geen probleem met christenen die zogenaamde morele wetten van God niet hooghouden. Een hoop van die wetten vind ik immoreel, andere wetten zijn eenzijdig, overdreven, fanatiek of onbenullig. Dat ze deze wetten dus niet altijd hooghouden is wat mij betreft een zegen voor de mensheid en maakt hen gelukkig ook een beetje menselijk. Dat God daarom niet zou bestaan is er uiteraard niet uit te concluderen. Ik houd me liever bij de gedachte dat een God die moet bestaan om Zijn tijd onophoudelijk aan de miezerige gedachten van de gelovige of ongelovige mens te moeten verspillen een nogal deerniswekkende godheid oplevert.


Deze achterflap is een teleurstelling, maar zoals gezegd houd ik Ouweneel er niet voor verantwoordelijk. Ik kan me niet voorstellen dat hij die bekend staat als 'superwetenschapper' (op het internet wordt hij zo betiteld door een fan) in alle ernst het christendom wil verdedigen door onbezonnen uitspraken van een paar athe´stische tieners te ontzenuwen. De uitgever wil even laten zien dat in dit boek korte metten met onzinuitspraken wordt gemaakt. Dat heeft mijn zegen. Ik verwacht van een 61-jarige apologeet van het christelijk geloof die beschikt over een enorm reservoir aan kennis dat hij in dit boek in gevecht gaat met de grootste athe´stische denkers die onze cultuur heeft voortgebracht.


Ik sla het boek open en word begroet door een paar teksten op de binnenflap. Blijkbaar zijn ze de grootste parels die men in het boek tegenkomt. Ik sta nu echt onder de koude douche. Ik had me niets zieligers kunnen voorstellen dan de eerste uitspraak. Een uitspraak van Peter Kreeft, iemand die ik slechts van ÚÚn volksmennerachtige uitspraak ken. Ik lees nu dat hij 'hoogleraar in de filosofie' is. Deze Peter Kreeft heeft dus een wijsheid waar Ouweneel blijkbaar meer mee in zijn schik is dan met alle andere wijsheid die hij nu hier op die binnenflap had kunnen zetten. Stel je voor: uit een eindeloze voorraad wijze uitspraken die de wereld rijk is, komt Ouweneel als ultiem argument voor geloof in God aan met deze:


Er was eens een man genaamd Johann Sebastian Bach. Daaruit volgt dat God bestaat. Wie het vatten kan, vatte het.


Ik heb m'n 18 euro voor het boek uitgegeven zonder te weten wat er in het boek zou staan. Indien ik het boek in de boekwinkel in handen had gehad en het even had ingekeken zou ik het op dit punt met een glimlach meteen weer op de plank hebben gezet. Indien dit de oogst is van een lang leven intellectueel bezig zijn, dan kan ik me geen zieliger resultaat voorstellen. Is het dan zˇ droevig gesteld met religieus geloof? Ben ik vroeger zˇ naief geweest? Zo dom? Vooral die opmerking erachteraan (ontleend aan de woorden van het evangelie:) "Wie het vatten kan, vatte het" zet me aan het lachen. Het grappige ervan is dat de aanvulling op de uitspraak in dit geval gelijk staat aan: "Wie dom genoeg is zich hiermee tevreden te stellen, late hij hier ophouden met lezen, want de rest van het boek zal er toch niets beters meer aan toevoegen" maar door de oplepelaar van de kreet er neergezet wordt in de originele betekenis, oftewel als onderstreping dat het hier om iets heel diepzinnigs gaat. Hij verraadt dat de opmerking erachter gezet wordt met de gedachte: "Jullie athe´sten zijn zo oppervlakkig, zo platvloers, zo zonder enige diepgang! Het vereist een intelligentie van een geheel andere orde dan waar jullie over beschikken om dit te vatten." Het vereist inderdaad een intelligentie van een andere orde: een gemoedstoestand die de eigen psychische behoeften meer eerbiedigt dan de koele feiten die het verstand naar voren brengt. Het is de intelligentie van psychische zelfbevrediging van de mens, de intelligentie van een mens in existentiŰle wanhoop. De mens die bereid is zich in alle mogelijke bochten te wringen en draaien om zijn gelijk maar te behalen.


Ouweneel laat zich echter niet zo snel door mij uit het veld slaan. Hij heeft er nog een tweede opmerking onder staan, ÚÚn die ongetwijfeld de spil is van zijn persoon en religieuze opinies:


Ik ben een rationele kleingelovige, daarom geloof ik in God. Voor het athe´sme is mijns inziens veel meer geloof en veel meer prijsgeven van rationeel inzicht nodig.


Het is de bekende Ouweneelmethode waar ik vroeger van onder de indruk was: geloof niet aanwenden als verontschuldiging en enkel verdediging, maar frontaal in de aanval gaan! Een leuke vondst! Zeggen dat je gelooft omdat enkel rationeel denken de realiteit meer geweld aan zou doen dan wanneer men het geloof erbij betrekt om antwoorden te vinden. Snijdt het hout of is zoiets puur bluf? Het lijkt mij een vanzelfsprekendheid om zoiets te zeggen als "Ik ben een rationeel begrensd mens, slechts een graadje intelligenter dan een aap; rationaliteit brengt mij niet tot het eindpunt van alle probleemstellingen." Maar ik zie niet in hoe een gezond denkend mens voor die onoplosbare probleemstellingen dan iets anders zou kunnen neerzetten dan vraagtekens. Geloof in God levert volstrekt niets op; het resulteert enkel in net zoveel nieuwe onoplosbare probleemstellingen als men er nieuwe antwoorden bij krijgt.
Laat ik de stelling van Kreeft eens overdenken en kijken of ik hem 'vatten' kan op een manier die Ouweneel niet vatte. Mijn eerste gedachte bij het overdenken van de uitspraak is deze: indien Johann Sebastian Bach uit alle miljarden mensen eruit getild moet worden om het bestaan van God te kunnen inzien, dan zou men beter kunnen schrijven: "Er was eindelijk eens een man genaamd Johann Sebastian Bach. Hieruit volgt dat God maar een klungel is. Wie het vatten kan, vatte het!" Of stel dat we in de steentijd zouden leven. Zou een pientere Ítzi dan tegen zijn vrouw kunnen zeggen: "Er was eens een tweebener die alle dieren in het bos te slim af was en ze uiteindelijk altijd te pakken kreeg en opat. Hieruit volgt dat God bestaat. Denk er maar eens goed over na." Of stel dat er helemaal geen mensen zouden zijn. Zou de -in dat geval hypothetische- gedachte dan moeten luiden: "Er waren eens apen die vlooien konden en kokosnoten met een steen open konden breken. Hieruit volgt dat God bestaat." !? Stel dat er helemaal geen leven zou bestaan. Zou de hypothetische stelling dan moeten luiden: "Er waren eens gaswolken, explosies, bewegingen en massa's. Hieruit volgt dat God bestaat." !? Ik vraag me inmiddels af of de opmerking van Kreeft al staat op de engelstalige internetsite met 500 bewijzen waarom God bestaat. Ik ging even kijken. Het zijn tegenwoordig al bijna 600 argumenten. Het argument van Bach stond er nog niet bij, wel andere argumenten van Kreeft. En hier nog een sterk argument voor het bestaan van God:
TYLER'S ARGUMENT FROM JESSICA ALBA
(1) Jessica Alba is a friggin' goddess!
(2) Therefore, goddesses exist.
(3) Therefore, God exists.


Ik spoed me naar het Woord vooraf waarmee Ouweneel zijn boek begint. Het boek begint zo:


Is God er, of is Hij er niet? Mijn antwoord daarop is een volmondig ja. Hij is er.


Ik vind het een vreemd begin. Indien ik een boek zou schrijven waarom ik geen athe´st ben zou ik nooit zˇ beginnen. Ik zou me eerst suf piekeren over wat ik bedoel met 'God', voordat ik me de vraag zou stellen of God bestaat. Maar blijkbaar weet Ouweneel dit al. Hij weet zelfs in die eerste zin al dat God een 'Hij' is! Geweldig knap hoor.
Vervolgens zegt hij dat de bewijsvoering zo kort zou kunnen zijn als in de uitspraak van Peter Kreeft en Ronald Tacelli (stel je voor, er waren om precies te zijn wel twee filosofische hoogleraren voor nodig om het hierboven genoemde argument uit te vinden! Men begint zich nieuwsgierig af te vragen hoeveel christelijke filosofen er wel niet voor nodig zijn een gloeilamp te verwisselen). De kracht van het argument ligt voor Ouweneel hierin dat het voor hem "onvoorstelbaar blijft dat een wereld zonder God door middel van blinde, zuiver fysisch-chemische processen een man zou kunnen voortbrengen die de Hohe Messe componeerde (1734)". Het gaat er hierbij niet om dat het om Bach en een mis over God gaat. Dat verbaast mij zeer, want in dat geval kan ik de stelling ook rood als een gaargekookte kreeft opdienen: "Er was eens een man genaamd Stalin. Daarom bestaat God." In het geval de stelling nu waar zou zijn zou ik me schamen om een gelover in God te zijn. Eerder zou ik me moreel verplicht voelen van hem af te zien te komen. Ouweneel staat hier echter niet bij stil, en vervolgt dat het in het argument gaat om het geloof dat de wereld die we kennen dus enkel zou bestaan op basis van bewegingen van subatomaire deeltjes. Deze opvatting kan hij nou niet vatten en daarom is hij een rationele kleingelovige die God poneert als een betere uitleg. Zoals al opgemerkt zou ik niet weten wat hij ermee opschiet. Als God wÚl bestaat, kan men dan het wonder van de Hohe Messe, een sneeuwkristal, een concentratiekamp, een haaietand, een mierenkolonie en een schimmelziekte wÚl vatten? Ik ben benieuwd of ik daar een antwoord op krijg. En is het rationeel echt gemakkelijker te geloven in een God die (volgens de bijbel) "sprak en het was er"? Er moet toch een rationeel verband, een proces, aan te wijzen kunnen zijn tussen spreken en ontstaan van iets. Bovendien, indien het heelal een schepper nodig heeft, komt Ouweneel dan niet te zitten met het probleem van de 'rationeel kleingelovige' dat God ook een schepper nodig heeft?
"Voor athe´sme is mijns inziens veel meer geloof en opoffering van het intellect nodig". Helemaal niet. De rationele mens staat eenvoudig met raadsels in zijn handen, als gevolg van zijn beperkt intellect, beperkte informatie en beperkte mogelijkheden alles te kunnen overzien. Maar hij hoeft totaal niets op te offeren aan rationeel inzicht. De gelover daarentegen zit met een lading aan nieuwe onoplosbare dilemma's en een woord dat vooralsnog geen enkele andere betekenis heeft dan een Hij met een hoofdletter, hetgeen me meteen al gezonde achterdocht geeft dat hier iets niet pluis is. De 'rationele kleingelovige' redeneert geheel volgens een middeleeuwse redenering: "Moet ik nou geloven dat een blikseminslag precies op die en die persoon enkel een door natuurwetten bepaalde electrische ontlading is tussen twee spanningsvelden en niet de Wil van de Voorzienigheid? Dat gaat er bij mij niet in. Daarvoor ben ik rationeel te kleingelovig." Ouweneels redenatie zou je ook zo neer kunnen zetten: "Een mens beschikt over te weinig hersens en informatie om alles te begrijpen. Daarom doe ik liever aan een tunnelvisie van bijgeloof."


Met deze uitdagende opmerkingen weet de lezer waar hij of zij met mij aan toe is. Wie daar zin in heeft kan het boek nu verder sluiten, vooral als hij of zij toch wel denkt te weten 'uit welke hoek de wind waait' en geen zin heeft in een nadere analyse.


Waarom op de eerste bladzijde al zo'n ge´rriteerde opmerking naar bepaalde mensen? Wanneer je begint zoals Ouweneel doet kan je toch een lading kritiek en opmerkingen verwachten, en dat is dan toch volkomen terecht? De psycholoog in mij zegt me dat Ouweneel hier verraadt in te zien dat al zijn volgende redeneringen niet deugen en ze niet opgewassen zijn tegen helder denken. Hij schudt critici het liefst meteen van zich af. Hij hoopt dat ze het boek maar meteen met een meewarig glimlachje dicht doen, zodat er nooit iemand over zal reppen en hij mooi de held van het evangelische ghetto kan blijven.
Maar integendeel, de psycholoog in mij begint nu juist heel warm te lopen voor dit boek, al ben ik het nu al volledig eens met de groep die het boek nu al sluit omdat het niet van helder denken getuigt. Wanneer het begin van dit boek al zo druipt van onwaarachtigheid en defecte argumentering, des te interessanter ik het vind het tot het eind te beluisteren en te zien hoe hoogintelligente mensen met het belopen van sluipwegen en kromme paadjes in het grote bos kunnen verdwalen en zichzelf bedriegen. Het is maar goed dat ik heb beloofd het aandachtig en tot het eind te lezen, want ik sla de bladzijde om en wordt meteen begroet door de volgende zin: "Op z'n minst verwacht ik van degenen die het boek willen recenseren, dat zij mijn gehele betoog uit zullen lezen." Op uw wenken meneer. Ouweneel schrijft vervolgens dat hij overigens bij voorbaat al weet hoe hun recensie er in grote lijnen uit zal zien. De reacties zijn namelijk zo voorspelbaar dat hij het zelfs overdacht heeft om zelf maar een athe´stische recensie te ontwerpen en als bijlage aan het boek toe te voegen. Het zou een vlammend betoog zijn over rationalisme, naturalisme en sciŰntisme, waarmee hij 'geloof in de wetenschap' bedoelt. Hij verwacht ook dat de felste recensies zullen laten horen dat the´sten onwetend zijn, dom, of zelfs krankzinnig of bedriegers. Hij geeft toe dat de the´sten van hun kant ook heel wat kanonschoten hebben afgevuurd, en hijzelf ook wel eens een steekje laat vallen wat dat betreft. Hij wijt het eraan dat er hier zoveel op het spel staat. Ik ben het hiermee volkomen eens, en bedank hem ervoor mij nu een mooie verontschuldiging te geven voor wanneer ik ook af en toe met krachttermen overboord ga. Ik zal er echter mijn best op doen er niet helemaal een recensie van te maken die Ouweneel zich van tevoren al wel zou hebben kunnen dromen. Ik wil een commentaar schrijven dat hem vooral emotioneel raakt (rationeel weinig aanspreekbaar als hij blijkbaar is). Om te beginnen zeg ik hem dit: de uitdrukking 'rationeel kleingelovig' te zijn is bedacht om 'ik ben intellectueel oneerlijk' niet onder ogen te hoeven zien. Ik zal er een boeklang mijn best op doen dÝt aan te tonen.


Ouweneel besluit zijn Woord Vooraf door het op te dragen aan zijn imaginaire hemelse held. Ik ben tientallen jaren een evangelisch christen geweest, en ben bekend met de litanie en verafgoding en superlatieven zoals 'de Zoon van de levende God', de 'invloedrijkste religieuze leider aller tijden, 'de grootste rabbi die ooit geleefd heeft', maar sinds ik volwassen ben geworden in mijn denken kan ik er niet meer bij waarom een 61-jarig mens zulke kinderachtige taal bezigt en als een tiener een ideaal bewierookt als zijn Meester en Verlosser. Waarvan is Ouweneel eigenlijk verlost in zijn leven wat hij ook zelf niet had kunnen opknappen? Enfin, zijn held is toch niet zo verheven dat hij alleen het boek opgedragen krijgt, want er komt nog een hele rits achteraan aan wie het boek ook een beetje opgedragen is, van vrouw en kinderen tot Ouweneels minder grote helden Dostojevki, Darby, Bach, Coates, Dooyeweerd, Lewis, Heijkoop, en Schaeffer. Een leuk inkijkje in iemands denkwereld, die rij namen. Van Coates en Heijkoop heb ik nog nooit gehoord. Ik vraag me meteen af of ik veel gemist heb en zal ze eens opzoeken op het internet. Als ikzelf mijn eigen rijtje favorieten zou mogen geven, om de lezer te laten weten waar men met mij aan toe is, dan zou Bach er beslist ook in mogen. Vervolgens Chopin, Gustav Mahler, Mika Waltari, van Gogh en Nietzsche. Maar iets van mij opdragen aan hen, laat staan aan God, zou ik beslist niet doen. Dat zou ik te komisch vinden; zo'n hoge dunk van mezelf heb ik nou ook weer niet.