Robert Ingersoll: Enige vergissingen van Mozes
(beschouwingen over de Pentateuch, 1879)



Ingersoll stond volkomen alleen in zijn tijd, maar hij was niet klein te krijgen, en werd een lichtend baken van een geëmancipeerde wereld. Iedere protestantse dominee zou, wanneer hij op z'n knieën gaat om tot God te bidden, zich beter tot Ingersoll kunnen richten, om hem te bedanken voor het wegnemen van de leer van de hel en de eeuwige verdoemenis. Iedere protestantse dominee heeft het aan Ingersoll te danken dat zijn God nu humaner is, een godheid van ontferming in plaats van één van haat, naijver en wraak. Iedere protestantse dominee zou hem moeten bedanken voor de bevrijding van de demoraliserende leer van de erfzonde. In de tijd van Ingersoll werd het vanaf iedere kansel gepredikt dat de verkondiging van de verschrikkingen van de hel de enige manier was om mensen deugdzamer te maken. En toch werden de mensen er alleen maar slechter van. Ze volgden eenvoudig het voorbeeld van hun afschuwelijke God. Indien God zo handelde was er geen reden om in te zien dat de mens het anders zou moeten doen. Het resultaat was dat het leven in een nachtmerrie veranderde, gebaseerd op terreur van de laagste, de gemeenste en verachterlijkste gedragingen. Ieder lid van iedere familie was in de greep van een verlammende angst.

Robert Ingersoll maakte aan dit alles een eind. De godsdienstige wereld heeft het aan een atheïst te danken dat ze van de sadistische God werd bevrijd. Ik herinner me dat ik "Enige Vergissingen van Mozes" las, en deze uitspraak tegenkwam: "Ik voor mij zou mijn vrouw zeer zeker niet doden, zelfs niet indien de enige ware God van het universum mij hiertoe de opdracht zou geven." Vanaf dat moment was mijn innerlijk bevrijd. Er vond een mentale emancipatie plaats in mijn innerlijk. Opeens verdween voorgoed het geloof in een God die een tiran kan zijn. De angst had afgedaan in mijn denken. De enige adequate woorden die het gevoel van vrijheid dat erop volgde kan beschrijven zijn de woorden van Ingersoll zelf: "Toen ik me ervan bewust werd dat het universum op natuurwetten berustte -dat alle geesten en goden slechts mythen waren- werd ik overweldigd door een gevoel dat zich uitstrekte over mijn hersenen, mijn ziel, mijn elke druppel bloed: de sensatie en vreugde van Vrijheid. Voor het eerst was ik werkelijk vrij. Ik stond voor het eerst overeind en keek alle werelden in de ogen. En mijn hart werd vervuld met dankbaarheid, met liefde voor alle helden, denkers, die hun leven hadden gegeven omwille van deze vrijheid van hand en denken. Ik zwoer daarna hun aangereikte toorts aan te pakken, hem hoog te houden en hem te gebruiken om de resterende duisternis mee te verdrijven."

Ingersoll dreef de barbaarsheid van de bijbelse voorschriften over het slaan van kinderen -omdat ze anders verwend zouden worden- uit de huizen van ouders, en voor het eerst maakten kinderen gelijkwaardig deel uit van de familie. Lijfstraffen werden in Ingersolls tijd beschouwd als net zo noodzakelijk als een fornuis om op te kunnen koken. Hoe zou je zonder kunnen? Ingersoll sprak uit: "Ik zou me beschaamd voelen, wanneer ik op mijn sterfbed lig, omringd door kinderen die ik heb geslagen. Denk je in op je stervende lippen de kus te voelen van het kind dat je eens sloeg." Volgens hem was het net zo gemakkelijk het kind aan te sporen met een kus als met een klap. Ingersolls motto was deze: "Wanneer je naar huis gaat, wees een lichtstraal zo sterk dat het de deuren en ramen uitbarst en de donkere nacht verlicht.

Toen ik in 1948 George Bernard Shaw bezocht in zijn huis in Aylot, aan de rand van Londen, drong hij er steeds maar bij mij op aan alles te vertellen wat ik wist over Ingersoll. Hij liet weten dat Ingersoll een enorme indruk op hem had gemaakt, en dat waarschijnlijk niemand op hem zo'n grote invloed had uitgeoefend als deze man. Telkens weer herhaalde hij hoezeer Ingersoll een inspiratie voor zijn denken en handelen was geweest.

Ik herinner me ook nog één van mijn bezoeken aan Thomas Edison. Ik noemde de naam Ingersoll en vroeg de geniale uitvinder wat hij van hem dacht. Hij antwoordde: "He was grand". Ik zei Edison een uitnodiging te hebben ontvangen om een radiotoespraak te houden over Ingersoll, en vroeg hem of hij misschien enige woorden ter introduktie zou willen schrijven aan mij. Dit is wat hij mij even later schreef: "Ik denk dat Ingersoll alle eigenschappen van een volkomen mens bezat, ik denk dat een geweldiger persoonlijkheid nooit bestaan heeft." Ik noem dit voorval om aan te tonen hoezeer Ingersoll het intellectuele leven van zijn tijd beïnvloedde.

Wat zal nog de invloed zijn van deze grote man op toekomstige generaties die betoverd zullen worden door zijn magische woorden, die via zijn uitzonderlijk voorbeeld en moed, steun en richting zullen vinden in hun streven om de wereld een betere plaats te maken?

[Joseph Lewis, gedeelten uit de toespraak "Ingersoll the magnificent", 11 augustus 1954]




Voorwoord

Gedurende geruime tijd beschouw ik de Pentateuch (dwz de vijf boeken van Mozes) eenvoudig als een verhaal van een barbaars volk, waarin vele barbaarse plechtigheden, vele zinloze en onrechtvaardige wetten en duizenden denkbeelden voorkomen, die met bekende en bewezen feiten onverenigbaar zijn. Het scheen mij zelfs een misdaad toe als iemand onderwijzen wilde dat die verhalen door 'geïnspireerde' personen geschreven zouden zijn. Slavernij, polygamie en veroveringsoorlogen die tevens verdelgingsoorlogen waren, kunnen immers toch evenmin goed zijn als het denkbeeld dat er eens een tijd was waarin men de goedkeuring van een oneindig Verstand, oneindige Rechtvaardigheid en Liefde kon winnen met het verkrachten van jonge meisjes of met het ter dood brengen van kinderen. Het komt mij verstandiger voor het maken van zulke wetten aan onbeschaafde volken toe te schrijven, en daarom heb ik in lezingen met als onderwerp: "Enige vergissingen van Mozes" getracht enige fouten, tegenspraken en onmogelijkheden die in de Pentateuch voorkomen, aan te tonen. Van deze voordrachten die niet op schrift stonden, zijn verschillende verslagen gemaakt, die zonder mijn toestemming en zonder door mij herzien te zijn, gedrukt en uitgegeven werden. Toch waren deze verslagen maar uittreksels en op sommige punten onjuist en werden ze als zodanig bekritiseerd, waar men nog steeds druk mee bezig is. Om nu die eerwaarde heren de moeite te besparen hun talenten voortaan nutteloos aan fouten van verslaggevers en drukkers te verspillen, besloot ik het voornaamste van al mijn voorlezingen over dit onderwerp uit te geven.
Het lijkt mij hier de geschikste plaats om meteen op te merken dat argumenten niet met persoonlijke aantijgingen beantwoord dienen te worden, en er ook geen logica in het lasteren bestaat. Elke leugen brengt uiteindelijk, al duurt het nog zo lang, zichzelf aan het licht. Mensen die immers hun vijanden lief moeten hebben, zouden in de eerste plaats zich moeten concentreren op de waarheid over hun vrienden. Al mocht het eens blijken dat ik de slechtste persoon op aarde ben, dan zou de geschiedenis van de zondvloed er niet waarschijnlijker op worden, en de tegenstrijdigheden in de Pentateuch nog evenzogoed op een verklaring wachten.

Er was een tijd dat de leugen op de kansel donderend uitgesproken werd en als een bliksem insloeg, maar het aanbod van leugens heeft al sinds lange tijd de vraag er naar overtroffen. Tegenwoordig zijn de verkeerde opvattingen van de vromen een onschuldig tijdverdrijf geworden. Maar ik wil een ieder eraan herinneren dat het nog maar kort geleden is dat mannen, vrouwen en zelfs kinderen gevangen genomen werden, op de pijnbank gelegd werden en verbrand werden, om veel onschuldiger uitdrukkingen over deze zaken dan die nu door mij gebezigd worden. Ik mag mezelf dus zeer gelukkig prijzen dat laster het enige wapen is dat de geestelijkheid nog als hulpmiddel voorhanden staat. De oude kwel- en pijninstrumenten worden tegenwoordig slechts nog in musea bewaard om de nieuwsgierigheid te bevredigen. De ketenen verroesten en de tand des tijds staat het ons zelfs toe een bezoekje af te leggen aan de gevangenissen van de Inquisitie. De kerk is onmachtig en boos, en in plaats van al die misbruiken te betreuren is ze slechts bezorgd om het verlies van haar macht. Ze tracht nu met leugens vast te houden wat ze eens met wreedheid en geweld, met vuur en zwaard zo stevig in haar hand hield. Het christelijk geloof kan met geen enkele andere geloofsvorm in vrede leven. Als dat geloof de waarheid is bestaat er maar één zaligmaker, één geïnspireerd boek en één smal pad dat ten hemel voert. Bijgevolg is zo'n geloof per definitie immoreel en arrogant. Het christelijk geloof veracht alle andere geloofsvormen, verdeelt de wereld in vijanden en vrienden en maakt de indrukwekkende verklaring van haar Stichter tot waarheid, zijn verklaring dat Hij was gekomen om het moordend zwaard te brengen. Met zo'n tekst in de hand konden gelovigen eeuwenlang met een gerust hart overal de gevreesde brandstapels aansteken.

Al te veel lof wekt de aandacht op, het brengt vaak duizenden fouten aan het licht die anders aan onze aandacht ontsnapt zouden zijn. Ware het ons vergund de bijbel te lezen zoals we ieder ander boek mogen lezen, dan zouden we de schoonheden in dat boek bewonderen, de goede denkbeelden die erin ontwikkeld zijn op prijs stellen en het onzinnige, ruwe en wrede toeschrijven aan de schrijvers ervan, die nu eenmaal in ruwe en barbaarse tijden leefden. Maar nu worden wij van eeuw tot eeuw geleerd dat het boek geschreven werd door mensen die door God zelf geïnspireerd waren, dat het boek de wil van God bevat en het boek op alle plaatsen zuiver en waar is, dat het boek het enige lichtpuntje en de grondslag is van alle menselijke verwachtingen, de enige gids voor de mens is, de enige fakkel in de donkere nacht van de natuur. Deze opvattingen zijn zo tegengesteld aan bekende en erkende feiten, zij zijn zo overduidelijk onzinnig, dat elk vrij en onpartijdig mens zich ertegen zal verzetten.
We lezen de heidense zogenaamde "heilige boeken" altijd met groot genoegen. Mythe en fabel heeft ons altijd bekoord en we genieten van de eindeloze herhaling van het schone, het dichterlijke en het allegorische. Wij vinden in al deze verhalen uit het verleden bespiegelingen en menselijke dromen, weemoedige pogingen van grootse en liefhebbende wezens, mensen die het mysterie van leven en dood trachtten te doorgronden, die de eeuwige vraag naar het Waartoe en het Waarheen poogden te beantwoorden en die van enkele stukjes glas een spiegel trachtten te maken, waar de gehele natuur zich in weerspiegelde. Deze mythen ontstonden uit hoop en vrees, uit smart en vreugde en zij werden door iedereen bij vreugdevolle of smartelijke gebeurtenissen aangehaald en gekleurd vanaf de rozige schemering der geboorte tot aan de droevige duisternis van de dood. Zij gaven aan sterren hartstochten en kenden aan Godheden de gebreken en tekortkomingen van mensen toe. In die mythen zijn de winden en de golven muziek, en worden meren, bossen, rivieren, bronnen, bergen, en geurige dalen door duizenden fantastische vormen bevolkt. Zij deden het ontluiken van de lente trillen met verlangen, ze maakten van de goudglanzende zomer een troon en verblijfplaats van de liefde, zij vulden de armen der herfst met rijpe druiven en schoven graan en zij schilderden de winter als een zwakke oude koning, die evenals koning Lear de tranen van Cordelia op zijn bleek gelaat voelt vallen. Al deze mythen, hoewel onwaar, zijn schoon en hebben in menige eeuw op velerlei wijze het hart van mensen verrijkt en hem bezield. Maar indien ons wordt voorgehouden dat al die vertelsels door God geïnspireerd zijn en dat eeuwige straf het lot zal zijn van degene die ze durft te ontkennen of betwijfelen -dan verliest de liefelijkste mythe uit de fabelwereld haar schoonheid en wordt ze een bron van ergernis en verachting voor elk mens.


Robert Ingersoll