Robert Ingersoll: Enige vergissingen van Mozes
Hoofdstuk 1



Enige vergissingen van Mozes


Hij die het verstand met geweld tracht te beteugelen is een tiran en hij die zich aan zoiets onderwerpt is een slaaf.



Dit is mijn grote wens: mijn land, voor zover mijn zwakke krachten me ertoe in staat stellen, in waarheid vrij te maken. Het is mijn wens het verstandelijke peil van het volk te verhogen; vooroordelen ontstaan uit onwetendheid en vrees weg te nemen; te breken met de blinde eerbied voor het onedele verleden, alsof alles wat gestorven is groot en goed was en alles wat leeft verdorven is; alsof alle genot in het leven zonde is; alsof zuchten en kermen alleen Gods goedkeuring heeft; alsof denken gevaarlijk is en uitspraken doen na verstandelijke overwegingen een misdaad; alsof lafhartigheid een deugd is en slechts ťťn bepaald geloof zalig kan maken; alsof het dragen van je kruis in deze wereld je voorrecht geeft in het hiernamaals; alsof we het besturen van onze ziel aan priesters en dominees moeten overlaten. Zolang niet iedereen geheel vrij wordt toegestaan elk boek, geloof en dogma voor zichzelf te onderzoeken, zal de wereld niet vrij zijn. De mensen blijven net zo lang slaaf totdat ze over genoeg verstand beschikken om voor zichzelf te denken en te spreken. En de aarde zal in een paradijs veranderen wanneer mensen leren elkaar als vrienden de hand te geven, zelfs wanneer ze over vele vraagstukken van mening verschillen.


Is het niet de grootste waanzin dat het verschil van mening over zaken waarvan niemand met zekerheid iets over kan weten, haat, vervolging en verachting tot gevolg heeft? Waarom moest men wegens verschil in opvattingen over de predestinatieleer, over de Drie-eenheid, elkaar gevangen nemen en laten verbranden? Gaat dit niet elk menselijk begrip te boven? En toch werden in alle landen waar het christelijk geloof maar de overhand had, mensen om deze redenen verdelgd. Waarom moet een waarlijk gelovige een godloochenaar haten? De godloochenaar benadeelt God toch in het geheel niet, is toch evengoed een mens, heeft ook vreugde en smart, en heeft dus ook evenveel aanspraak op de rechten van de mens? Zou het niet beter zijn de godloochenaar net zo te behandelen als hij ons behandelt? Bovendien zeggen christenen nog dat ze zelfs hun vijanden lief hebben. Zoiets verlang ik niet eens van ze. Ik verlang zelfs niet eens dat ze hun vrienden lief hebben. Ik verlang slechts dat zij degenen die het met hen niet eens zijn met eenvoudige burgerbeleefdheid behandelen. Wij verlangen geen vergiffenis, we wensen slechts dat de christenen zich zo zouden gedragen dat wij hun nooit vergiffenis behoeven te schenken. Indien allen slechts zouden toegeven dat iedereen het recht heeft op zijn eigen opinies, dan zou de kwestie al opgelost zijn. Maar zolang georganiseerde en machtige kerkgenootschappen beweren de sleutels van hemel en hel te bezitten, en ieder die voor zichzelf denkt en hun gezag ontkent voor misdadiger uitmaken, zolang zal de wereld vol haat en nijd blijven. Mensen te haten en God te dienen zijn synoniemen van elkaar en dit is het voornaamste ingrediŽnt van elke geloofsuiting.


Wat in de meeste landen gebeurde is ook in Amerika gebeurd. Zodra een geloof wordt gesticht vertellen de ontwikkelden en machtigen -dwz de priesters en de edelen- aan de onwetenden en bijgelovigen -dwz aan het volk- dat dit geloof door God zelf aan hun voorouders werd gegeven, en dat het de enige ware godsdienst is; dat alle andere geloven door leugens en bedrog ontstonden en dat allen die het ware geloof onderschrijven eeuwig geluk zullen krijgen, en dat daarentegen alle anderen die dit geloof missen in de hel zullen moeten branden. Om over het volk te heersen, of in andere woorden, om door het volk onderhouden te worden, verklaren priesters en edelen dit geloof voor heilig en zeggen ze dat degenen die er iets aan toevoegen of er iets van afnemen, in dit leven door de mensen en in het hiernamaals door God zelf verbrand zal worden. Het resultaat hiervan is dat de priesters en de edelen het volk nooit zullen toestaan van geloof te veranderen. En in het geval dat na verloop van tijd de priester zelf nieuwe inzichten opdoet, dan zal het volk op zijn beurt het hem niet toestaan. Eerst wordt de menigte de slaafse navolger van priesters en later speelt de menigte de baas.


In de eerste plaats wens ik de orthodoxe geestelijkheid van dwingelandij vrij te maken. Ik ben met hen bevriend. Niettegenstaande hetgeen ze van mij zeggen ben ik bezig hun een grote en blijvende dienst te bewijzen. Zij mogen namelijk niet lezen en denken wat ze maar willen. Zij worden als papegaaien geleerd en de beste geestelijken zijn zij die zonder haperen de spreuken die zij geleerd hebben kunnen herhalen. Als uilen zitten ze allemaal op een dode tak van de boom der kennis en krijsen ze hetzelfde geluid wat al 1800 jaar geklonken heeft. Hun kerkgenootschappen zijn niet zeker genoeg en ook niet genoeg ontwikkeld om de arme predikanten het denken toe te staan. Het is ook niet nodig, want onderzoek is gevaarlijk. Predikanten worden daarom voortdurend gewaarschuwd dat niemand hier op staat te wachten en, in het geval het toch gebeurt, het niet geduld zal worden. Zij behoren zich in de eerste plaats aan het oude geloof vast te houden en elke oorspronkelijke gedachte te vermijden als een ziekte. Iedere predikant wordt dus gebruikt om een advokaat te zijn voor de eeuwige onveranderlijkheid van alle zaken, een advokaat voor zowel de klager als de beklaagde. En verandert hij van gedachten, dan wordt hij beschouwd als een deserteur en overeenkomstig hiermee veroordeeld, gehaat en gelasterd. Een orthodox geestelijke mag nu eenmaal nooit van gedachten veranderen. Hij doet de belofte nooit nieuwe feiten te vinden en ze te ontkennen in het geval hij ze ooit mocht vinden. Dit nu is de positie van de protestantse evangeliedienaar in de 19e eeuw. Ik wens hem een veel betere betrekking toe en om hem die te bezorgen zal ik alles doen wat in mijn vermogen is.


Er zijn enkele geestelijken die in staat zijn onafhankelijk te denken en zich als vrije mensen te handhaven, maar dit zijn uitzonderingen. De meesten zijn gedwongen zich aan de voorschriften van de orthodoxie en de overledenen te onderwerpen. Ze bekleden immers geen ambt om hun eigen gedachten te spuien, maar moeten slechts de gedachten van anderen herhalen. Zij mogen twijfels die bij hen opkomen nooit uitspreken. Men eist van hen dat ze op het dorre pad dat het verleden eens in onwetendheid insloeg, blijven doorlopen. De bossen, de velden aan elke kant van de weg hebben geheel niets voor hen te betekenen. Zij mogen niet kijken naar de purperen heuvels in de verte, zij mogen niet stilstaan om naar het murmelen van het beekje te luisteren. Ze moeten blijven lopen op de stoffige weg waarlangs allerlei verkeersborden staan. Hiertoe behoren richtingwijzers zoals "de zondeval", "uitdrijving uit de hof van Eden", "het schema der zaligmaking", "de wedergeboorte" "de boetedoening", "de zaligheid der verlosten", en "de ellende der verlorenen". Ze moeten er zeer voor oppassen ooit zelf een richtingaanwijzer te plaatsen. Voor de zekerheid kan men het beste altijd de uitspraken van reeds lang gestorvenen aanhalen. Hoe levendiger zij het lijden beschrijven van hen die nog niet tot het geloof behoren, van hen die schouwburgen bezoeken of dansgelegenheden, of wijn drinken in zomertuinen op zondag, van hen die aan priesters ongehoorzaam zijn, des te geslaagdere predikanten ze zullen zijn. Zij moeten aantonen dat ellende de goeden geschikt maakt voor de hemel en voorspoed de slechten voor de hel voorbereidt; dat de bozen hier al het goede en de goeden hier al het kwade krijgen; dat God op aarde slechts hen kastijdt, die Hij liefheeft, en in het hiernamaals degenen die Hij haat; dat het geluk ons hier, maar niet in de hemel slecht maakt; dat pijn ons hier, maar niet in de hel goed maakt. Het komt er niet op aan hoe tegenstrijdig dit alles aan ons verstand moge toeschijnen, het moet slechts gepredikt en geloofd worden. Indien het geloof redelijk zou zijn zou er immers geen deugd om te geloven bestaan! Afpersers en zondaars geloven tenslotte ook in het redelijke. Het wordt de vrome en oprechte christen dus als verdienste aangerekend geheel losstaand van bewijs te geloven.


De geestelijken moeten vanwege hun ambt afstand doen van alle verstandelijke vermogens en aantonen dat wij God nooit welgevallig kunnen zijn, dan met de bekentenis dat wij arme, door zonde bedorvene, nietige aardwormen zijn, dat wij nooit geboren hadden moeten worden en dat wij het eigenlijk verdienen verdoemd te worden; dat onze zucht ons te vermaken schandelijk is, dat het liefhebben van onze vrouw en kinderen meer dan God al even schandelijk is; dat onze eventuele eerlijkheid slechts gebaseerd is op de slechtste beweegredenen en dat wanneer we het lef hebben te twijfelen aan de inspiratie van de Joodse Geschriften, we wel heel diep gevallen zijn. Kortom, zij moeten afstand doen van alle prettige wegen waarlangs schaduwrijke bomen groeien, ze moeten de velden en bloemen vervloeken en het kaf en het onkruid verheerlijken. Zij moeten zoveel mogelijk kwaadspreken over dat boze volk dat in groene valleien woont, bij opwellende bronnen zit, dat lacht en maar zijn gang gaat zoals het hun goeddunkt. Ze moeten steeds wijzen op de gevaren van vrijheid van gedachten, ze moeten de zekerheid van absolute gehoorzaamheid ophemelen, de ondeugd van filosofie en de deugd van geloof, de arrogantie van de wetenschap en de reinheid van de onwetenden altijd aantonen.


Sommige vrome lieden ontdekken af en toe een jongeman met religieuze neigingen, met een lichaam niet ziekelijk genoeg om te sterven en niet gezond genoeg om een vlieg kwaad te doen. Bij hen komt dan de gedachte op dat hij een zeer geschikt orthodox predikant zou kunnen worden. Ze houden dan onderling een collecte en sturen deze jongeman naar een theologische hogeschool, waar hij geleerd wordt een geloofsbelijdenis uit zijn hoofd op te dreunen en het gebruik van het verstand te verachten. Mocht het gebeuren dat deze jongeman over eigen verstand beschikt en na wat studie te hebben opgedaan eigen meningen begint te verkondigen die in strijd zijn met het zuivere leerstelsel, dan zal iedere gelovige die een euro voor zijn scholing heeft bijgedragen zich bedrogen voelen en hem als oneerlijk beschouwen.


Kerken moesten hun predikanten enige vrijheid toestaan. Zij moesten hen op z'n minst toestaan de waarheid te zeggen. In Massachusetts hebben we een plaats Andover genaamd, waar zo'n bijbelschool is gevestigd, waar iedere professor eens in de vijf jaar -de tijd die men de levensduur van zo'n eed waard acht- zweert gedurende de volgende vijf jaar niet van de vastgestelde meningen te zullen afwijken. Waarschijnlijk is geen enkele andere eed zo gemakkelijk te houden. In ieder geval is het geheel zeker dat er in dat instituut nog nooit een meineed is gepleegd. Het oude geloof wordt er al jaren geheel zuiver onderwezen. Ze houden ook nu nog steeds vol dat God oneindig wijs, machtig en goed is en dat alle mensen volledig door de zonde bedorven zijn. Ze beweren dat het edelste wezen dat God schiep al een paar momenten nadat hij geschapen werd verdoemd was. Andover zet zijn stempel op elke predikant, op dezelfde manier als dat de industriŽle plaatsen Sheffield en Birmingham hun handelsmerk overal opzetten. Iedereen die hen tegenkomt weet precies wat voor vlees hij in de kuip heeft, welke boeken de predikant heeft gelezen, welke de argumenten zijn waarop hij steunt en welk kaliber verstand hij heeft. Ik heb de Andover-school niet gekozen omdat ze van inferieure kwaliteit zou zijn. Integendeel, alle bijbelscholen zijn ongeveer gelijk. de leerkrachten zijn meestal predikanten die niet zo geschikt zijn op de preekstoel te staan. Vaak worden ze naar het seminarium teruggestuurd vanwege hun gebrek aan verstand en hun overvloed van blind geloof. Over het algemeen weten ze totaal niets van deze wereld en nog minder van het hiernamaals, maar zij hebben de verdienste alle tegenstrijdigheden zonder blikken of blozen met stelligheid te kunnen verkondigen.


Voor deze mensen zou ik zo graag iets willen doen. Ik zou ze zo graag willen vrijmaken. Hen moest worden toegestaan eens te mogen beginnen met leven, -zon en lucht te mogen hebben. Zij zouden niet meer gebonden moeten worden aan geloofsbelijdenissen, aan stoffige boeken en achterhaalde opvattingen. Ik weet dat er duizenden predikanten zijn die er diep naar verlangen hun oprechte mening eens te mogen uitspreken, maar ze moeten voor hun gezin zorgen en durven het niet. Ze moeten brood hebben en worden daarom gedwongen leerstelsels te prediken die ze in de grond van hun hart verfoeien. Ter verkrijging van huisvesting, spijs en kleren moeten ze alle kinderachtige wonderen van het verleden verdedigen en de verhevendste ontdekkingen van het heden ontkennen. Ze worden gedwongen iedere moderne gedachte te bestrijden, de gevaren van de wetenschap aan te tonen, op de de slechtheid van het onderzoek wijzen en de bedervende invloed van de logica bloot te leggen. Ze moeten steeds aantonen dat deugd gelijk staat aan onwetendheid en geloof, terwijl ondeugd synoniem is voor feiten en bewijzen. Hun ambt brengt met zich mee dat ze voortdurend de Voltaires, de Humes, de Paines, de Humboldts, Tyndals, Haeckels en de Darwins, de Spencers en de Drapers moeten aanvallen, belasteren, en vernederen terwijl ze hun hoofd moeten buigen voor onbuigzame authoriteiten die ruime ervaring hebben met vervolging en laster. Zij moeten de jongelui van begin af aan al een vooroordeel tegen de wetenschap aanpraten. Voortdurend maken ze het gebruik van het verstand belachelijk.


Deze predikanten voegen natuurlijk nooit ook maar iets toe aan de kennis. Zij produceren in het geheel niets. Ze leven van wat werkende mensen hun geven. Aan vrolijkheid en vreugde hebben ze een gruwelijke hekel. Ze hebben de leiding bij het trouwen, ze sprenkelen wat water over het hoofd van pasgeboren kindertjes en lepelen wat betekenisloze woorden en uit de lucht gegrepen beloften op boven het lijk. Ze spotten wanneer ze ongelovigen in doodsangst zien, of hen in tranen zien, en over hun zorgen maken ze zich bijzonder vrolijk. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Heel af en toe staat er op de kansel een echt oprecht en dapper mens. Zij zijn ongetwijfeld verbonden aan een geloofsgemeenschap dat het hen toestaat met enige vrijheid meningen te uiten. Hoe beschaafder onze maatschappij wordt, des te meer de predikanten vrijheid zal worden toegestaan. Er komt nog een tijd dat alle predikanten hun beste en verhevendste gedachten zullen uitspreken. De kerken zullen het een keer zat worden altijd te moeten luisteren naar patriarchen en heiligen en over mirakels en wonderen.