Robert Ingersoll: Enige vergissingen van Mozes
Hoofdstuk 17



De Zondeval

Er wordt ons verteld, dat de slang listiger was dan al het gedierte van het veld, en dat zij een praatje ging maken met Eva, waarin zij haar mening omtrent het eten van een zekere vrucht te kennen geeft. Ze verzekert Eva ervan dat de vrucht een goede spijs is, begeerlijk voor het oog en wijsheid schenkt. Zo verleidt de slang Eva er één te nemen, en haalt Eva op haar beurt weer Adam over er één uit te proberen. Vervolgens horen we dat God het ontdekte, dat Hij de slang vervloekt en veroordeelt tot kruipen, en tot het eten van stof, dat Hij de barensweeën van de vrouw zal vermeerderen, de grond vanwege Adams ongehoorzaamheid vervloekt en veroordeelt tot het voortbrengen van doornen en distels, en de mens veroordeelt tot werken in het zweet van zijn aanschijn, terwijl hij bovendien nog een doodsvloek over hem uitgesproken hoort worden: "Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren." Voorts maakt God rokken van huiden voor Adam en Eva, en verdrijft Hij ze uit de Hof.

Welnu, wie was deze slang? Dr. Adam Clarck laat horen:


De slang moet rechtop zijn weg zijn gegaan. Zij moet ook met het spraakvermogen en met verstandsvermogen voorzien zijn geweest. De vrouw had de slang zonder twijfel zo zien lopen, spreken en redeneren, want ze verbaast zich nergens over, wanneer ze in de taal die de tekst aangeeft aangesproken wordt. Daarom komt het mij waarschijnlijk voor, dat hiermee een aap, wellicht orang-oetang, zal bedoeld zijn en dat de Satan zich van dat schepsel bediende om zijn moorddadige plannen tegen het leven van de ziel van de mens uit te voeren. Hij was in dit schepsel verborgen, en via dat dier verleidde hij onze eerste ouders. Uit de bouw van zijn ledematen en spieren is het duidelijk dat het beest bestemd was rechtop te gaan, en niets anders dan een hogere macht het noodzaakt om zijn handen -overeenkomend met die van de mens- op de grond te zetten, en zo te lopen als dieren met klauwen. De heimelijke slimheid en eindeloze verscheidenheid van listen en hinderlagen tonen aan dat apen verstandiger zijn dan andere schepsels, uitgezonderd de mens. Genoodzaakt op handen en voeten te gaan en hun voedsel van de grond te nemen, zijn ze letterlijk verplicht stof te eten en hoewel ze uiterst slim zijn en op verschillende wijze er voor weten te zorgen dat ze datgene kennen wat gezond en geschikt is tot voedsel, hebben ze wat de zindelijkheid betreft alle zin en rede verloren. Voeg hierbij nog hun buitengewone tegenzin om rechtop te lopen, waartoe men hen bijna moet dwingen om het te doen, en hen dan ook nog boos maakt en geprikkeld. Deze zaken heb ik kunnen vaststellen door deze dieren langdurig gade te slaan. Ze hebben in de dierenwereld hun gelijke niet wanneer het gaat om waakzaamheid, schreeuwen en keuvelen met elkaar. Inderdaad is het schreeuwen het enige wat zij van hun vroegere spraakvermogen hebben overgehouden. Sedert de val van de mensheid schijnen zij van dit spraakvermogen beroofd te zijn. Hier hebben wij dus de ontbrekende schakel tussen de mens en de lagere schepping. De slang was eenvoudig een orang-oetang, die met het grootste gemak in het Hebreeuws sprak en het uiterlijk van de mens had, verleidelijk in manieren, beminnelijk, beleefd en bewonderenswaardig in staat tot bedriegen. Het kwam mij ook altijd onbegrijpelijk voor, dat een kille, ijzige en weerzinwekkende slang met een appel in de bek, iemand zou kunnen bedriegen en ik verheug me er nu op te weten dat het wezen dat Eva tot het proeven van de vrucht overhaalde, de gedaante van een mens had.


Dr. Henry stemt met de zoölogische verklaring van Dr. Clarck niet overeen, maar beweert dat de boosdoener de duivel was en Eva in de vorm van een slang verleidde. Aan het begin van de schepping was de duivel een engel des lichts en een dienaar in de direkte omgeving van de troon van God, maar door de zonde werd hij een afvallige, en werd hij Gods vijand. Degene die onze eerste ouders overviel was zeer zeker de vorst van alle duivelen in eigen persoon, de hoofdaanvoerder in de samenzwering. De duivel verkoos zijn rol als slang te spelen, omdat het dier er prachtig uitziet, een bontgevlekte huid bezittend en destijds rechtop ging. Misschien was het zelfs een vliegende slang, die als een bode van de bovenwereld, als een serafijn neder daalde, omdat de slang een zeer listig dier is. Wat Eva van deze slang die met haar sprak dacht, valt niet te zeggen; ik geloof dat ze het zelf niet wist wat ze ervan zou moeten denken. Wie weet dacht ze dat het een goede engel was, om pas later tot de minder aangename ontdekking te komen, dat ze zich deerlijk vergist had. De verleide persoon was een vrouw. Ze was alleen en bevond zich op afstand van haar man, en blijkbaar dicht bij de verboden boom. Het was de listigheid van de duivel om het zwakkere geslacht met zijn verleidingen te overvallen. Ongetwijfeld was zij de mindere van Adam in kennis, kracht, en tegenwoordigheid van geest. Sommigen menen dat Eva het gebod niet direkt van God, maar uit tweede hand, dus via Adam, had ontvangen en daarom gemakkelijker kon worden overgehaald om er niet te zwaar aan te tillen. Het was de listigheid van de duivel haar aan te spreken toen ze geheel alleen was. Tevens had hij het geluk dat ze zich dicht bij de verboden vrucht bevond. God stond vanwege wijze en heilige doeleinden toe, dat Satan invloed over Eva uitoefende. De Satan leert de mens altijd eerst twijfelen en dan te ontkennen. Eerst maakt hij van de mens een twijfelaar, en langzamerhand verandert men in godloochenaar.


U ziet, we kunnen niet anders dan toegeven dat er voor een vrouw niets aantrekkelijkers is dan een slang met rechtopgaande houding en "bontgevlekte huid", of wellicht één met vleugels. Is het niet vernederend te weten dat onze voorouders deze onzin ernstig geloofden? Hoe kunnen we [na zo'n bewijs] nog een afkeer hebben van de Darwinistische leer van de afstamming? Onze voorouders geloofden dat het hun plicht was in dit alles te geloven. Zij meenden dat het zondig was de minste twijfel te koesteren en dat God hun goedgelovigheid als bijzondere verdienste aanrekende. Voor hen was de geschiedenis volkomen waar. Ze zagen de hof van Eden voor hun ogen, ze hoorden het gemurmel van de rivieren, ze roken de geur van de prachtige bloemen. Ze geloofden dat er een boom bestond waaraan kennis groeide, op dezelfde manier als een boom pruimen en peren kan voortbrengen. En zij zagen voor zich hoe de kronkelende slang tussen de ritselende bladeren Eva ompraatte om de goddelijke wet te overtreden. Waar kwam de slang vandaan? Op welke van de zes dagen werd ze geschapen? Wie maakte haar? Is het zelfs mogelijk dat God zo'n succesvolle rivaal geschapen zou hebben? God wist toch van tevoren dat Eva en Adam vallen zouden? Hij wist ook wat een geweldige indruk zo'n bontgekleurde slangevel op een vrouw zonder ervaring zou hebben. Waarom beschermde God zijn kinderen niet? Hij wist dat Adam en Eva zondigen zouden en dat Hij ze zou moeten wegjagen. Hij wist dat de wereld daardoor verdorven zou worden en Hij daarvoor later aan het kruis zou moeten sterven.

Weer vraag ik: wie of wat was de slang? Een man was het niet, daarvan was er maar één gemaakt. Om dezelfde reden was het ook geen vrouw. Een gewoon dier was het ook niet, want ze was intelligenter dan alle andere dieren, ze had spraakvermogen en kroop pas op haar buik nadat ze vervloekt werd. waarom werd ze niet uit de Hof geweerd? Waarom pakte God het beest niet bij zijn staart, waarom hakte Hij niet meteen de kop eraf, waarom beschermde Hij de mens niet? Waarschijnlijk had Adam de slang gezien toen hij naar 'een hulp' rondzag, en gaf hij er de naam aan, maar Eva had het dier nog nooit ontmoet. En toch is ze in het geheel niet verbaasd een slang te horen praten. Alles was nieuw voor haar en haar man was juist op dat moment niet bij haar. Het is de gewoonste zaak van de wereld dat ze de vrucht bij wijze van proef uitprobeerde. En aangezien ze zag dat de vrucht prachtig om te zien was en bovendien verstandig maakte is het nog minder verwonderlijk dat ze de vrucht deelde met haar man. Duizenden boeken hebben de theologen geschreven over de zondeval, en toch kan men er niet omheen dat de slang de waarheid sprak. Men vertelt ons dat de slang de Satan was, de grootste vijand van het mensdom, die in het lichaam van een slang kroop. Is dat waar, dan begrijp ik niet waarom de slang erom vervloekt zou moeten worden. God vervloekt de slang voor iets wat de duivel doet. Of bleef de Satan soms in het lichaam van de slang en deelt zij op geheimzinnige wijze in de opgelegde straf? Moeten we soms geloven dat wanneer men een slang doodt, er tegelijkertijd een boze geest vernietigd wordt, of is er maar één duivel en stierf die bij het sterven van de eerste slang? Is het vanwege dit gebeuren dat alle joodse en christelijke afstammelingen van Adam en Eva een afkeer van slangen hebben? En moet men men slangenaanbidding in Mexico, Afrika en India aan hetzelfde gebeuren toeschrijven?
Het is natuurlijk mogelijk dat het hele verhaal een verdichtsel is, zoals men weet is er een toetssteen die zegt dat het beste verhaal altijd het meest verzonnen is...


In hetzelfde hoofdstuk vernemen we ook nog dat God voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen maakte, en hen die antrok. Waar kreeg God opeens die vellen vandaan? Nam Hij ze van dieren, dan was Hij een slachter. Waren ze ook nog gelooid, dan was hij een leerlooier. Waren ze ook nog genaaid, dan was Hij een kleermaker. En waarom hadden ze opeens rokken van vellen nodig? Een naakte toestand was daareven nog behoorlijk en volkomen passend. Had de zonde het klimaat opeens drastisch veranderd? Toch moeten we het verhaal geloven, als men hier en in het hiernamaals gelukkig wil worden. Is het wellicht om ons menszijn op te heffen, dat men over God spreekt als slachter, leerlooier en kleermaker?


Op dit punt gekomen wil ik wel duidelijk zeggen dat wanneer ik over God spreek ik hiermee het wezen bedoel dat door Mozes Jahweh, de God van de joden, werd genoemd. Er moge buiten mijn weten in de onbekende grenzeloze oneindigheid een wezen bestaan, maar indien zo'n wezen bestaat kan ik er niets anders over zeggen dan dat Hij in ieder geval geen boeken schreef, geen barbaren inspireerde, geen aanbidding verlangt, en geen hel heeft klaarstaan, om degene die eerlijk naar waarheid zoekt daarin te laten verbranden. Wanneer ik het dus heb over God, dan bedoel ik die God die de mens tegenhoudt zijn handen uit te strekken naar de vrucht van de boom des levens, de God die bang is dat de mens eeuwig leve, de God die de vrouw de verschrikkelijke barensweeën heeft gegeven, zijn best deed het werk van de mens zo moeizaam mogelijk te maken, de gehele wereld in zijn toorn liet verdrinken, en de God die altaren van bloed deed roken, mensen liet slachten, vrouwen liet schenden, mensen tot slaven van anderen liet maken, en de wereld met wreedheden en misdaden opvulde. Ik heb het over de God die voor de weinige uitverkorenen een hemel en voor de grote massa een hel maakte, en die straks van eeuwigheid tot eeuwigheid zit te staren naar de kwellingen van de verdoemden en verlorengegaanden.