Robert Ingersoll: Enige vergissingen van Mozes
Hoofdstuk 4




De dictatuur van godsdiensten

Laten we in dit hoofdstuk nu eens vergeten dat wij Baptisten, Methodisten, Katholieken, Calvinisten of Vrijdenkers zijn, maar slechts mannen en vrouwen. "Man en Vrouw" is trouwens de hoogst mogelijke titel die men ons geven kan. Alle andere titels maken ons kleiner, want ze tonen aan dat wij onze eigen persoonlijkheid hebben opgegeven en ons gezag ergens anders van hopen te krijgen, in andere woorden dat we volgelingen van n of ander systeem zijn geworden. Laten we al die etiketten opgeven om de volgende vraagstukken niet als partijgangers te onderzoeken, maar als mensen die allemaal vervuld zijn van dezelfde vrees en hoop.


We weten dat onze meningen hoofdzakelijk afhangen van onze leefomgeving, van het ras waartoe we behoren, van de landstreek en van onze opvoeding. Wij zijn het resultaat, het produkt van talloze voorwaarden; we erven deugden en ondeugden, waarheden en vooroordelen vanaf de geboorte. Waren wij in Engeland geboren, met weelde omgeven, met macht omkleed, dan zouden we tot de Anglicaanse kerk behoren en geloven aan het samengaan van kerk en staat. We zouden er dan op aandringen dat godsdienst een noodzaak en behoefte voor het volk is. En wanneer het volk niet verstandig genoeg was dit in te zien, zouden we het als een plicht zien er n voor hen te maken en ze te dwingen die aan te nemen. In die omgeving zouden we het als zeer oneerbiedig beschouwen zonder toga de kansel op te gaan, en onze gebeden zouden we uit een boek voorlezen. Maar indien we tot de lagere klasse zouden behoren dan zouden we vast tot de afgescheidenen behoren en tegen de pracht en praal van de High Church protesteren. Waren wij -om nog maar iets te noemen- in Turkije geboren, dan zouden we naar alle waarschijnlijkheid islamieten zijn en in de inspiratie van de Koran geloven. We zouden dan geloven dat Mohammed de hemel bezocht had en we zouden weet hebben van de engel Gabril, die z groot is en wiens ene oog z ver van het andere verwijderd is, dat een forse kameel driehonderd dagen nodig heeft om die afstand af te leggen. Had iemand deze geschiedenis ontkend, dan zouden we hem voor een gevaarlijk persoon hebben gehouden, voor iemand die de grondvesten van de maatschappij tracht te ondermijnen en die van plan is het onderscheid tussen goed en kwaad te vernietigen. We zouden zo iemand uitgedaagd hebben wat hij ons voor die geweldige engel in ruil zou geven. Wij zouden een engel van dergelijke afmetingen toch niet voor niemandal afstaan. We zouden hem er bovendien op wijzen dat de beste, de wijste mensen hun vertrouwen op de Koran gesteld hadden. Als bewijs dat de Koran het beste boek is zouden we aankomen met de brieven van filosofen, veldheren en sultans. We zouden hem erop wijzen dat Turkije zijn grootsheid en voorspoed aan dat boek alleen te danken had. We zouden hem beschuldigen van verwaandheid het beter te weten dan de grootste geesten van het land, zich wijzer te achten dan al zijn voorvaderen. We zouden hem er nog op wijzen dat duizenden in de ure des doods door bladzijden uit de Koran getroost werden en gestorven waren met glans in hun ogen, starende naar de visioenen van de hemelse harem en verheugd deze wereld van smart te mogen verlaten en in te ruilen voor een betere. We zouden de christenen als een lage soort van mensen beschouwd hebben en zouden telkens herhalen: Er is maar n God, en Mohammed is zijn profeet.
Maar waren we daarentegen in India geboren, dan zouden we het geloof van dt land hebben aangenomen. We zouden dan de oude verhalen die daar de ronde doen voor even waar en heilig houden en zouden een bedelmonnik voor een beter mens aanzien dan de mensen waarvan hij bedelt en door wie hij onderhouden wordt. We zouden dan aan n God met drie hoofden geloven in plaats van aan drie Goden met n hoofd, zoals nu.


Iemand beweert wel eens, dat het geloof van zijn vader en moeder goed genoeg voor hem is en hij verwondert zich erover dat men een beter geloof zou verlangen. Toch zijn wij evenmin verplicht onze ouders in het geloof na te volgen als we ze navolgen in de politiek, de wetenschap of de kunst. China is als het ware versteend enkel uit eerbied voor zijn voorouders. Waren onze voorouders tevreden gebleven met het geloof van hun voorouders, dan zouden we nooit vooruitgang gemaakt hebben, maar nog steeds barbaren gebleven. Toch toont men geen ware eerbied voor zijn ouders wanneer men hun dwalingen voort zou zetten. Goede vaders en moeders wensen altijd dat het hun kinderen beter zal vergaan. Zij wensen dat hun kinderen de hinderpalen waarover zij eens struikelden zullen overwinnen en de fouten van hun opvoeding niet nog eens herhalen. Indien u uw ouders eer wilt aan doen, breng het dan verder dan zij. Los problemen op die voor hen onoplosbaar waren, bouw beter op dan zij het konden. Uw onafhankelijke mannelijkheid op het graf van vader en moeder op te offeren, is een eerbetoon zonder de minste waarde. Waarom moet een zoon die een onderwerp onderzoekt zijn verstand aanranden en het altijd precies zo blijven zien als zijn moeder het deed? Is zulk een besluit niet voor beiden een belediging?
We moeten er op wijzen dat dit voorouders-argument tenminste zo oud is als de tweede generatie en dat het nooit ergens anders voor diende dan om de mens tot slaaf te maken. Het ontstond meestal om die reden dat instemming altijd veel gemakkelijker is dan eigen onderzoek. Indien we dit principe aan zouden hangen zou het de vooruitgang van iedereen beletten, behalve van mensen die vrijdenkers als ouders hebben.


Het is natuurlijk voor veel mensen moeilijk het geloof waarin men is opgevoed aan de kant te zetten, en toe te geven dat hun ouders zich hadden vergist en dat de verhalen die in het land voor heilig werden gehouden slechts mythen en fabels waren. Wanneer we maar een ogenblik in de wereld rondkijken komen we overal heilige verhalen, religies en denkbeelden over het eren van God tegen. Al die verschillende denkbeelden kunnen toch niet tegelijkertijd waar zijn. Aangezien het wel een mensenleeftijd duurt om alle elementen van deze verschillende systemen te onderzoeken, is het zeer onredelijk om iemand voor eeuwig te verdoemen alleen omdat hij door toeval een verkeerd geloof erop nahield.
Bijna alle godsdiensten zijn produkten die stammen uit barbaarse tijden. De beschaafde volken stelden zich ermee tevreden het barbaarse geloof van hun voorvaderen enigszins bij te stellen, maar hebben nooit een nieuw geloof gemaakt. Bovendien hebben alle godsdiensten het kenmerk van zeer egocentrisch te zijn. Een geloof kwam in de regel voort uit een kleine volksstam die zichzelf van het hoogste belang achtte en op alle andere volken neerkeek als buiten de belangstelling van hun God staande. In alle landen was het altijd een misdaad de 'heilige verhalen' te loochenen, de priesters te bespotten, oneerbiedig van de goden te spreken en in gebreke te blijven de nietsdoende huichelaars die het hiernamaals voor een ieder regelden, van goederen en geld te voorzien. In de alleroudste tijden bestond deze godgeleerde klasse die als het ware als parasieten van de eerlijke mensen en harde werkers leefden uit waarzeggers, zieners, tovenaars, goochelaars, profeten, sterrenwichelaars en planeetlezers. Tegenwoordig noemen we hen 'geestelijken'.


Wij moderne mensen maken op deze algemene regel geen uitzondering en hebben dus ook onze 'heilige boeken' op dezelfde manier als alle andere volken. ook wij beweren dat onze boeken de enig ware zijn, de enige boeken die God werkelijk inspireerde en uit God zelf zijn voortgekomen. We houden staande dat alle andere 'heilige boeken' door bedriegers of huichelaars geschreven werden. We beweren dat het Joodse volk het enige was waar God persoonlijk mee sprak en dat alle andere profeten en zieners alleen door bedrog en leugens genspireerd werden.
Het is natuurlijk een ongevenaarde vreemde zaak dat God een barbaars, klein en onbekend volk, dat met andere volken weinig of niets te maken had, tot zijn boodschappers voor de gehele mensheid uitkoos, maar we kunnen het moeilijk een almachtige God verwijten dat Hij een volk op zulk een lage trap van ontwikkeling plaatste dat het een openbaring nodig had. We kunnen natuurlijk ook niet begrijpen waarom een openbaring -indien die nu eenmaal voor iedereen noodzakelijk was- maar aan zeer weinigen gegeven werd. Ik weet natuurlijk best dat het bijzonder slecht van mij is zulke gedachten op te schrijven en dat onwetendheid altijd het beste wapen is waarmee men zich kan beschermen tegen de toorn van God. Ik weet ook dat onderzoekers die het van hun verstand verwachten nooit de hemel zullen vinden, dat diegenen die goed uit hun ogen kijken om de juiste weg te kunnen zien, die weg zeer zeker nooit zullen zien, maar dat slechts de mens die zich vrijwillig laat blinddoeken of zich door blindheid laten geleiden met zekerheid op het smalle pad zullen blijven.


Wie dus onze heilige boeken leest moet ze of geloven of de kwellingen van de verlorengaanden ondergaan. Men zegt ons dat we tegenwoordig het voorrecht hebben dit voor onszelf te onderzoeken, maar aan dit voorrecht kleeft de voorwaarde dat wij meten geloven, of het ons nu redelijk voorkomt of niet. Wij mogen met anderen over alles wat in de bijbel staat van mening verschillen, maar niet de waarheid van enig woord daaruit in twijfel trekken. We moeten geloven dat dit boek wat men noemt 'genspireerd' is. Gehoorzamen we aan alle voorschriften, maar niet aan de inspiratie van de bijbel, dan worden we nog evenzogoed verdoemd als wanneer we aan al zijn woorden ongehoorzaam waren. Wij hebben het recht niet alles op de weegschaal van het verstand te leggen, en ook niet om de bijbel te toetsen aan de natuurwetten of aan de feiten die de ondervinding en ervaring oplevert. Doen wij dit toch, dan stellen wij ons -zo zegt men- boven het Woord van God en kritiseren wij bijgevolg het werk van onze Schepper.

Wat mij betreft, ik geloof er niets van dat geloven een vrijwillige zaak is. Het komt mij voor dat een bewijs waartegen alles in onszelf in opstand komt geen bewijskracht heeft, en ook dat hoezeer we ook een bewijs in handen zouden willen hebben, we dit niet kunnen krijgen zonder behoorlijk op de weegschaal te letten om nauwkeurig te zien wat het juiste resultaat is.


Te zeggen dat wij de bijbel verwerpen omdat we haatdragend en boos zijn gaat niet op. Onze boosheid moet niet door ons geloof maar door onze daden worden vastgesteld. De geestelijkheid vertelt mij dat ik de Bijbel niet zou moeten aanvallen; dat ik daardoor duizenden ten verderve voer en daardoor de verdoemenis van mijn ziel bevorder. Men is vriendelijk genoeg mij te waarschuwen dat zo ik bekeerlingen zoek, ik een geheel verkeerde weg wijs. Ik zou me ook zachter moeten uitdrukken en slimmere woorden moeten kiezen, zo zeggen anderen, om bekeerlingen te krijgen. Wensen ze inderdaad dat ik bekeerlingen zal maken? -dan zijn ze wanneer hun raad oprecht is verraders van hun eigen geloof. Maar is hun raad niet oprecht, dan zijn ze verre van beleefd tegen mij. Want met zekerheid wensen ze dat ik die weg zal volgen die de minste bekeerlingen maakt, maar toch blijven ze me adviseren hoe ik het beter zou kunnen aanpakken.
Ik heb in weerwil van de raad die de geestelijken mij gaven, besloten mijn eigen weg te gaan, eerlijk en oprecht mijn denkbeelden te verkondigen en mijn vrijheid op deze wereld te behouden, ongeacht wat mijn lot in het hiernamaals moge zijn.


De werkelijke onderdrukker en bederver van het volk is de Bijbel. Dat boek is de keten die de geestelijken vastklampt, de kerker waarin ze gevangen zitten. Dat boek spreidt een doodskleed over onze scholen uit. Dat boek steekt de wetenschap de ogen uit en maakt van eerlijk onderzoek een misdaad. Dat boek vervult de wereld met fanatisme, schijnheiligheid en angst.
Een tijdje geleden was ik in de gelegenheid een middeleeuwse Bijbel te zien. Het boek was zo'n 60 centimeter lang en 45 cm breed. Het was voorzien van kolossale eikenhouten banden, met beugels, klampen en scharnieren, groot genoeg voor de deuren van een biechtstoel. Het was versierd met schilderingen van gevleugelde engeltjes en heiligen met aureolen. In mijn verbeelding zag ik dit boek met plechtige statie naar het altaar gedragen worden; ik hoorde het zingen van lang bebaarde en knielende priesters, ik voelde het dreunen van het orgel, ik zag het licht door de gebrandschilderde vensters naar binnen stromen, de koorknaap het wierookvat rondzwaaien en de wierook omhoog stijgen het hoge dakgewelf in. Naar boven kijkend voelde je je duizelig worden van de hoogte. Het dakgewelf was rijk versierd met legenden in steen gebeiteld, en de muren waren kleurrijk beschilderd met de vreugde en smart die getuigden van het martelaarschap van Jezus. Het volk viel op de knien. Het boek werd geopend en de priester las de boodschap van God aan de mensen voor. De menigte, dat was duidelijk te zien, vond het boek bepaald geen werk van mensenhanden. Hoe konden deze vreemde tekens, regels en punten de gedachten van mensen bevatten? Hoe zouden deze letters de grote afgrond kunnen overspannen die het veleden scheidt van het heden, anders dan dat ze van God uitgingen?