Robert Ingersoll: Enige vergissingen van Mozes
Hoofdstuk 5




De Pentateuch

De vijf eerste boeken van de Bijbel staan bekend als de Pentateuch. Sedert lange tijd meende men dat Mozes daarvan de schrijver was en sommige onwetende mensen leven nog steeds in deze veronderstelling. Toch is het zo goed als bewezen dat Mozes met het schrijven van die boeken niets te maken heeft, en zij geschreven werden toen Mozes allang tot stof en as was vergaan, namelijk honderden jaren na zijn dood. Maar aangezien er nog steeds kerken zijn die volhouden dat hij de schrijver was, en zelfs dat hij het verslag van zijn eigen dood en begrafenis beschreef, zullen we maar net doen alsof ze door hem geschreven zijn. Wat doet het er ook toe, aangezien diezelfde mensen ook zeggen dat God de eigenlijke maker van de boeken is. Wie Hij dus als pen of klerk daarvoor gebruikte is toch al bijzaak.


Bijna alle schrijvers van heilige boeken geven een verhaal van het ontstaan of van de schepping van het heelal, de oorsprong van de materie en de bestemming van het mensengeslacht. Bijna alle schrijvers vervolgen dit door er met nadruk op te wijzen hoeveel de mens wel niet aan zijn Schepper verplicht is, omdat Hij de mens hier op aarde neerzette en het leven en lijden schonk. Ze leren dan ook dat wij, vooral door in eerbied niets te kort te komen jegens deze God, wij Hem misschien enigszins de moeite en arbeid die Hij zich getroost heeft ten behoeve van ons welzijn, kunnen vergoeden. Ze dringen er dan op aan dat wij dankbaar behoren te zijn voor al het goede dat wij in het leven genieten mogen. Maar aan de andere kant berichten ze ons niets over wie we voor alle ellende die we tegenkomen aansprakelijk moeten stellen. Mozes verschilt echter met de meeste andere schrijvers van heilige boeken hierin, dat hij ons volstrekt niets omtrent een hiernamaals, niets over de belofte van een hemel of bedreiging van een hel heeft te zeggen. Over leven in een hiernamaals valt in de Pentateuch met geen woord te lezen. Waarschijnlijk was het toen nog te vroeg en vond God het nog niet de moeite waard zich over de eeuwige bestemming van de mens iets te openbaren. Hij schijnt te hebben gemeend dat Hij de Joden door belonen en straffen hier op aarde ook wel aardig in bedwang kon houden. Hij hield voor hen dus de werkelijkheid van een eeuwige vreugde of eeuwige verdoemenis diep geheim. Hij vond het veel belangrijker de Joden te vertellen van hun afkomst dan van hun bestemming na de dood.


Er moet op gewezen worden dat iedere stam en elk volk op zijn eigen wijze allerlei vreemde natuurverschijnselen doorvertelde. Die verhalen gingen van vader op zoon verder, en werden door talloze vertellers veranderd of gewijzigd al naar gelang het verstand zich ontwikkelde en men rekening hield met nieuw ontdekte feiten, of zijn best deed om de zucht naar wonderbaarlijke geschiedenissen te bevredigen. De uitleg die een stam of volk gaf aan de betekenis van de dag en de nacht, de verandering der jaargetijden, het vallen van sneeuw en regen, van het trekken van vogels, het ontstaan van de regenboog, van bijzondere dieren, van dromen, visioenen van krankzinnigen, van het ontstaan van aardbevingen, vulkanen, stormen, onweer en duizenden andere verbazingwekkende dingen, dus van het wonderbaarlijke, dat bewondering of vrees bij de mens deed ontstaan, zou men de filosofie van de oude volken en stammen kunnen noemen. En aangezien al deze natuurverschijnselen bij de primitieve mens aan het werk van verstandige wezens werden toegeschreven, die er bepaalde bedoelingen mee hadden, en die wezens de macht hadden om de mens bij te staan, of tegen te werken, moest men er alles aan doen om die hulp te verkrijgen of om aan de toorn van God te ontsnappen. Dit was de aanzet tot het ontstaan van bepaalde ceremoniŽn; tesamen met de geloofsveronderstellingen vormden ze een godsdienst. Zo berusten alle godsdiensten ten diepste op dwalingen omtrent de oorzaak of de bedoeling van natuurverschijnselen.

De godsdienst heeft noodzakelijk het geloof ten gronslag, dat er een Wezen bestaat, die als Hij wil bij machte is de natuurlijke gang van zaken te veranderen. De primitieve mens bidt tot een steen, die hij een God noemt, en de christen bidt tot een God, die hij geest noemt, maar de gebeden hebben precies dezelfde betekenis, bedoeling en uitwerking. Zowel de primitieve mens als de christen plaatst boven het heelal 'een verstandelijk iets', en dit iets, of het nu God of Goden wordt genoemd maakt niet uit, was gedurende vele eeuwen het voorwerp van aanbidding. Een stenen God bij zich te hebben, gebeden op te zeggen, de rozenkrans te bidden, te vasten, een lam, kind of de vijand op te offeren aan God, het zijn allemaal uitingen van de manieren waarop de mens hulde en eerbied trachtte te betonen, en allemaal ontsproten ze uit waandenken. Er moeten reeds eeuwen lang veel soorten godsdienst bestaan hebben voordat de kunst van het schrijven was uitgevonden, en ze moeten reeds vele wijzigingen hebben ondergaan, voordat de geschiedenissen, wonderverhalen, profetiŽn en waangedachten in geschreven woorden werden vereeuwigd. Daarna konden wijzigingen in de godsdienst slechts geschieden door nieuwe uitlegging aan aloude woorden te geven. Dit bleek telkens noodzakelijk vanwege de voortdurende vermeerdering van feiten, die in strijd waren met de letterlijke opvatting over de heilige verhalen. Op deze wijze zet een eerlijk geloof zich op oneerlijke wijze voort, en op dezelfde oneerlijke wijze trachten christenen heden ten dage bijvoorbeeld het MozaÔsche scheppingsverhaal met de theoriŽn en ontdekkingen van de moderne wetenschap in overeenstemming te brengen.


Laten we toegeven dat Mozes de schrijver van de Pentateuch was, of dat hij het was die de joden hun godsdienst gaf. Maar de vraag komt dan bij ons op waar hij wel zijn onderricht verkreeg. De theologen zeggen dat hij zijn kennis direct van God ontving en dat elk woord dat hij schreef absolute waarheid bevat. Het is tevens bekend dat hij een geadopteerde zoon was van de dochter van Farao en de rang en het voorrecht van een prins genoot. Onder zulke omstandigheden zal hij wel goed met de literatuur, de wijsbegeerte en de godsdienst der Egyptenaren op de hoogte geweest zijn en zal hij dus wel geweten hebben, wat zij geloofden en wat zij dachten over het ontstaan van de aarde.

Is het verhaal van de schepping zoals Mozes die verhaalt bijvoorbeeld volkomen gelijk aan het verhaal dat de Egyptenaren vertelden? In dat geval zouden we evengoed tot de conclusie kunnen komen dat hij het gehele verhaal van hen overnam. Moeten en kunnen wij nu aannemen dat hij door God geÔnspireerd werd omdat hij aan de Joden oververtelde wat hijzelf van de Egyptenaren geleerd had?

De Egyptische godsdienst laat weten:

Niets is duidelijker dan dat Mozes de hoofdpunten van zijn verhaal aan de Egyptenaren ontleende en slechts details en bijvoegingen inlas, daar waar hij het nodig achtte om aan het bijzondere bijgeloof van zijn volk tegemoet te komen.
Indien iemand tegenwoordig zou beweren dat hij de kennis van de evolutie-theorie (het overblijven van de geschiksten, en de wetten op overerving) direkt van God had ontvangen, en we zouden later vernemen dat hij niet alleen een engelsman was, maar zelfs af en toe bij Charles Darwin op bezoek kwam, dan zouden we eerder geloven dat hij zijn kennis op natuurlijke wijze had verkregen. Stel dat Darwin beweerd zou hebben dat hij zijn theoriŽn via bijzondere openbaring van God had gekregen, dan zouden we hem hoogstwaarschijnlijk antwoorden dat zijn grootvader al met zulke denkbeelden rondliep en Lamarck in hoofdzaak ook al dezelfde theoriŽn uitgaf in het jaar dat Darwin geboren werd.
Als we het maar zouden durven zou dus niets logischer zijn dan de verhalen over de schepping op dezelfde wijze te herleiden tot oudere verhalen. We zouden concluderen dat het verhaal het geloof van Mozes bevat, en hij zijn kennis van de Egyptenaren ontving - dus niet van God.

Houden wij de verhalen in de bijbel als absoluut waar gebeurd en bezigen wij ze teneinde van tevoren al de waarde van moderne gedachten te toetsen, dan wordt wetenschappelijke vooruitgang een onmogelijkheid. Maar zelfs al mocht alles mogelijkerwijze nog eens blijken te zijn gebeurd zoals Mozes het vertelt, en mocht dit uiteindelijk door alle wetenschappers nog eens worden aangenomen, dan nog zou men voor de inspiratie van Mozes geen enkel bewijs hebben. We zouden ten hoogste kunnen concluderen dat Mozes pienterder was dan we dachten. Maar dit betekent in het geheel niet dat hij geÔnspireerd was, net zoals we het helemaal met Shakespeare eens kunnen zijn, en kunnen opmerken dat geen geschrift in de bijbel met hem wedijvert, zonder ooit te beweren dat hij goddelijk geÔnspireerd was.
Waarom moeten wij van een ruw, lomp voorwerp gemaakt van steen, dat een God moet voorstellen, toegeven dat de beeldhouwer geÔnspireerd werd, maar een Venus de Milo weer gewoon als mensenwerk opvatten? Waarom moeten wij als het om een schildering van een altaarstuk met een engel, heilige maagd of heilige, weer geloven dat de kunstenaar door God werd bijgestaan?


Laten we ons bovenal altijd eerst rekenschap geven van de feiten die we kennen. Zijn er enkele zaken die niet beoordeeld kunnen worden, dan moeten we wachten totdat er meer aan het licht komt. Schrijven we er een bovennatuurlijke werking aan toe, dan staat dit slechts gelijk met de betekenis dat we het gewoon niet weten. De theologie was oorspronkelijk niet de kennis van God, maar van de Natuur. Aangezien godsdienst synoniem werd voor bijbelverering -terwijl het onderzoek van de natuur vaak op andere uitkomsten kwam- waren de priesters genoodzaakt dit boek steeds verder te verheffen en te prijzen, terwijl ze tezelfdertijd het menselijk verstand steeds meer moesten minachten en verkleinen. Gedurende honderden jaren werd alle macht die de kerk maar had gebruikt om het zelfvertrouwen van de mens maar zoveel mogelijk te vernietigen en de macht van zijn denkvermogen maar zoveel mogelijk te wantrouwen. Men liet de mens bovenal weten dat hij onmogelijk in staat was uit eigen beweging een goede beslissing te nemen, en dat de enige deugd die een mens bezat slechts de deugd van het blind geloven en gehoorzamen was. De boodschap van de kerk was: Gelooft en Gehoorzaamt! Gebruikt u het verstand, dan wordt u een ongelovige, en een ongelovige is reddeloos verloren. Gehoorzaamt u niet, dan vergaat het u net zo als Adam en Eva: u zult voor eeuwig uit het Paradijs worden verbannen.


Wat mij betreft, ik maak me niet meer druk om wat de kerk en de bijbel zegt; voor mij geldt slechts ťťn meetsnoer: komt het met mijn verstand overeen. Alle boeken behoren op dezelfde manier te worden onderzocht. De waarheid moet altijd welkom zijn en de leugen voortdurend aan het licht gebracht worden, onverschillig in welk boek ze opgeschreven moge zijn. Ik ben dus van plan de Pentateuch in die geest te onderzoeken. Mocht er iets onredelijks, tegenstrijdigs en onzinnig in voorkomen, dan zullen we het eerlijk en moedig moeten bekennen. Miljoenen hebben de bijbel onvoorwaardelijk geloofd en geloofden daarom even onvoorwaardelijk dat God polygamie geheiligd had en de slavernij had ingesteld. Miljoenen verklaarden dit boek voor heilig en om te bewijzen dat ze gelijk hadden namen ze hun medemensen gevangen, plunderden ze hen uit en verbrandden hen. De inspiratie van dat boek moest door honger, vuur en zwaard, door kerkers, boeien en gesels, door dolk en pijnbank, door geweld, angst en bedrog worden vastgesteld, en de mensen moesten bang gemaakt worden met bedreiging van een hel of worden omgekocht met de belofte van een hemel.

Wij zullen dus een gedeelte van dit boek onderzoeken, niet in duisternis, angst en beven, maar in helderheid van ons verstand, en zullen beginnen met het verhaal van de schepping, die overeenkomstig de bijbel op maandagmorgen omstreeks 5895 jaar geleden aanving.