Robert Ingersoll: Enige vergissingen van Mozes
Hoofdstuk 6




Maandag

Mozes begint zijn verhaal met te zeggen dat God in het begin de hemel en de aarde schiep. Indien dit enige betekenis heeft, dan betekent het dat God iets deed ontstaan, iets in het aanzijn riep. Het kan niet betekenen dat Hij hemel en aarde vormde van een vooraf bestaande stof. Mozes laat namelijk weten dat de stof, waaruit hemel en aarde bestaat, geschapen werd.
Het is voor mij onmogelijk te begrijpen, hoe iets uit niets geschapen kan worden. Niets beschouwd als een soort ruwe bouwstof blijft een onzinnigheid. Evenmin is het onmogelijk stof gescheiden van energie voor te stellen. Evenmin is het mogelijk een kracht zonder stof in te denken. Men kan zich geen stof voorstellen die uiteindelijk tot het absolute niets ontleed kan worden. Al even onmogelijk is het zich voor te stellen niets in iets veranderd te zien worden. Men mag verdoemd worden door uit te spreken dat het onmogelijk is zoiets als deze uitspraak te kunnen begrijpen, maar zelfs dat helpt niet om de uitspraak te begrijpen. Ons verstand zegt nu eenmaal heel duidelijk dat het zich geen begin en eind van stof kan indenken. Want voordat God met scheppen aanving moest er dus al een eeuwigheid geweest zijn. Wat heeft God in die eeuwigheid uitgevoerd? Denken? Onmogelijk; er was niets om over te denken. Zich iets herinneren? Onmogelijk, er wßs nooit iets gebeurd. Wat deed God dan? Kan de mens zich iets ongerijmders voorstellen dan dat een volmaakt verstand, in een onbepaald niets-doen, een eeuwigheid doorbrengt?

Hoe al deze dingen dan werkelijk plaatsvonden behoef ik niet te vertellen. Ik wijs slechts op zaken die onmogelijk door een menselijk wezen begrepen kan worden, en iets dat ons als volkomen onmogelijk voorkomt, en in strijd is met alles wat wij van de werkelijkheid weten, moet door ieder eerlijk mens worden verworpen. Wij kunnen ons een eeuwigheid indenken alleen omdat wij ons het ophouden van tijd niet kunnen voorstellen. We kunnen een onmetelijke ruimte slechts begrijpen omdat wij ons van zoveel stof als dat zich in het heelal bevindt, in het geheel gÚÚn voorstelling kunnen maken in onze verbeelding. Eeuwigheid is dus geen begrip, maar een noodzakelijkheid voor ons verstand. Eeuwigheid staat in eenzelfde betrekking tot de tijd als een onmetelijke ruimte tot de stof.

In de tijd van Mozes kon men men veilig een verhaal maken over de schepping van de wereld. Mozes behoefde slechts de begrippen van zijn volk maar een bepaalde vorm te geven. In die tijd zou het verhaal niet beter verteld kunnen worden. Hij kon zijn verbeeldingskracht volledig de vije loop laten. Wat hij ook zei, niemand zou hem op goede gronden kunnen tegenspreken. Het ging precies zoals met de Babylonische, Egyptische en Indische verhalen. Er was in die dagen een grote kloof tussen de welopgevoeden en de onwetenden. De onwetenden werden vrijwel altijd door tekens en wonderen in bedwang gehouden. Via het begrip 'vrees' konden de priesters de hele wereld besturen. De heilige verhalen werden door hen gemaakt, voor waar gehouden en af en toe veranderd en aangepast. Het volk kon niet lezen en zag degenen die dat wel konden, bijna voor goddelijk aan. Tegenwoordig is het bijna onmogelijk ons een voorstelling te maken van de invloed van een kleine geleerde klasse in een barbaarse omgeving. Men behoefde slechts de opgetekende 'heilige verhalen' in de hand te houden en te laten zien en het onwetende volk lag ervoor al op de knieŰn. Het volk werd onderwezen dat het verhaal door God ge´nspireerd was, en het was daarom logischerwijze volkomen waar. Merk op: niet omgekeerd, dat het waar was en dßßrom ge´nspireerd!

De voornaamste vraag is niet of de bijbel ge´nspireerd is, maar of ze waar is. Is ze waar, dan is inspiratie overbodig. In dat geval is het volkomen eender of nu een mens het schreef of God. De tafels van vermenigvuldiging zijn even nuttig, of God ze nu uitlegt of een mens. Is de bijbel waarachtig waar, dan is reclame ervoor, en de verzekering dat ze ge´nspireerd is, overbodig; is ze niet waar, dan zal inspiratie er toch met geen mogelijkheid waarheid van kunnen maken. We kunnen stellen dat de waarheid dus helemaal geen inspiratie nodig heeft; zij heeft daar geen behoefte aan. Het zijn juist de leugens en onwaarheden die inspiratie behoeven. Waar de waarheid ophoudt, waar de waarschijnlijkheid eindigt, daar is het begin van inspiratie. Een feit gaat nooit samen met een wonder. De waarheid heeft de hulp van een wonder dan ook nooit nodig. Elk feit voegt zich aan alle andere feiten, het ene feit wordt door het andere voortgebracht. Maar een leugen past bij niets, hooguit bij een andere leugen. Is men het liegen na een poos moe, of kan de laatste leugen met geen mogelijkheid nog aan een volgend feit aansluiten, dan ontstaat de gelegenheid om de hulp van een wonder in te roepen, en juist op dat punt wordt een vleugje inspiratie een noodzakelijkheid. Het komt mij voor dat het verstand de beste eigenschap van de mens is. Zo God al iets wil mededelen aan de mens, dan zal Hij zich moeten richten tot het verstand van de mens. Het komt mij dan ook onbegrijpelijk voor, dat men om een boodschap van God te kunnen verstaan, zijn verstand moet opgeven. Hoe zou God aan een wezen zonder verstand zijn wil bekend kunnen maken? Hoe kan iemand als een openbaring van God aannemen wat voor hemzelf onbegrijpelijk is? God kan een openbaring bestemd voor mij ook niet laten gelden voor anderen. Hij moet die openbaring aan mijzelf doen, en vˇˇrdat ik er geloof aan hecht als zijnde een waarheid, zal ik de openbaring niet kunnen ontvangen.

De stelling dat God in het begin hemel en aarde schiep, moet ik betwijfelen. Ze is in tweestrijd met mijn verstand en ik kan ze dus onmogelijk aannemen. Mijn verstand zegt me dat het begrijpelijker is dat de kracht bestond van aller eeuwigheid en nooit van de stof gescheiden was. De kracht is volgens haar natuur altijd in werking, en zonder stof kan zij geen werking voortbrengen. Is er kracht dan is er stof, is er stof dan is er kracht. Ik kom dus tot de conclusie dat stof ook eeuwig heeft moeten bestaan. Om mij voorstellingen te maken van een stof zonder kracht, van een tijd toen niets bestond, of van een wezen dat uit niets beiden schiep is mij ten enemale onmogelijk. Nu moge ik hierom verdoemd worden, ik kan het niet helpen. Volgens mijn oordeel was deze opmerking van Mozes een vergissing.
Het zou nog kunnen zijn dat Mozes bij zijn mededeling bedoelde dat God, hemel en aarde scheppende, zulks deed uit een stof die reeds aanwezig was. Maar hij merkt juist op dat God ze in het begin schiep. Is de opmerking waar dan moeten we aannemen dat er daarvoor niets bestond.

Het volgende dat ons door deze ge´nspireerde persoon wordt verhaald is, dat God het licht schiep en het voortbracht door het van de duisternis af te scheiden. De persoon die dit schreef, meende zeker dat de duisternis een ding, een wezen, of een stof was, die met licht vermengd en door licht geabsorbeerd kon worden, en dat men die twee vermengde wezens of stoffen, licht en duistenis, slechts van elkaar behoefde af te scheiden. In zijn verbeelding zag hij God waarschijnlijk stukken en brokken duisternis aan de ene kant en lichtstralen, lichtgolven aan de andere kant neerzetten. Het is voor iemand die maar eens geboren wordt, moeilijk zulke dingen te begrijpen. Ik voor mij vat het niet, hoe het licht van de duistenis gescheiden wordt. Ik meende altijd dat de duisternis de afwezigheid van het licht was, en dat onder geen enkele omstandigheid de duisternis van het licht behoeft weggenomen te worden. Mozes, dat is zeker, geloofde dat de duisternis een stoffelijke vorm bezat, want ik vind op een andere plaats dat hij spreekt van een duisternis "die men tasten kon". Zo had men in Rome indertijd een fles duisternis ten toon gesteld, een restje overgebleven duistenis die Egypte eens verduisterde.
Men kan het licht evenmin van de duisternis scheiden als de warmte van de koude. Koude is slechts een begrip van afwezigheid van warmte, zoals duisternis afwezigheid van licht is. Ik vermoed zelfs dat wij ons van absolute koude geen voorstelling kunnen maken. Wat wij weten zijn nog altijd warmtegraden. Twintig graden onder nul is twintig graden warmer dan 40 graden onder nul. Koude en duisternis kun je niet in je hand hebben. Ik kan dus niet begrijpen hoe het licht van de duisternis werd gescheiden. Ik begrijp daarentegen wel hoe een primitief mens, die verscheidene duizenden jaren geleden hierover schreef, en er niets van afwist, zo'n fout kon begaan. De schepper van het licht kan dit niet geschreven hebben. Bestaat er zulk een wezen, dan heeft dat wezen de natuur gekend van deze bewegingsvorm, die een wereld schept in ieders oog en die het heelal van werelden in een zevenkleurig bekleedsel hult.