Volwassen Geloof                                                                      Appendix 1

    








Hieronder volgt een vertaling van een passage uit Carl Sagans boek The demon-haunted world (De door demonen bezeten wereld, 1996). Sagans bijzonder scherpe denktrant gekoppeld aan wijze woorden zijn voor mij een leidraad geweest bij het schrijven van het e-boek Volwassen Geloof. Hoever ik erin geslaagd ben met wijsheid onderstaande woorden in de praktijk te brengen zal iedere lezer zelf moeten beoordelen, en is ook voor mij nog steeds een open vraag. Onderstaande tekst laat duidelijk zien hoe moeilijk het is om bezig te zijn met zaken als waarheid, objectiviteit, logica, morele verantwoordelijkheid. Het schrijven over het christendom is voor mij een precair balanceren geweest tussen koel presenteren van de feiten en kritiek leveren in scherpe en soms felle bewoordingen. Door lang met de tekst bezig te zijn geweest denk ik dat ik met veel schaven en opnieuw formuleren de ergste uitwassen heb weggesnoeid. Het is in de eerste plaats mijn bedoeling geweest eerlijk, opbouwend en bevrijdend bezig te zijn met godsdienst, hoezeer dit onderwerp noodzakelijkerwijs ook bezig moet zijn met afwijzen van wat sommigen voor heilig houden. Indien er lezers zijn die op- of aanmerkingen hebben om het geheel in nog grotere mate te laten beantwoorden aan de doelstellingen, houd ik me aanbevolen voor commentaar .



Het huwelijk van skepticisme en verwondering


Wanneer men voor het Amerikaanse gerecht komt wordt er van ons verlangd 'de waarheid, de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid' te vertellen. Er wordt hier van ons een onmogelijkheid verlangd. Het ligt eenvoudig buiten ons bereik. Ons geheugen is niet perfect; zelfs wetenschappelijke waarheid is maar een benadering; en we zijn volslagen onwetend over bijna het gehele Universum. Maar desalniettemin kan een leven afhangen van ons getuigenis. Een eed af te leggen de waarheid, de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid te vertellen in zoverre wij daar bij machte zijn is een redelijke eis. Maar zonder deze bijvoeging heeft zo’n eed toch eigenlijk geen pas. Maar deze bijvoeging, hoezeer ze ook aan de menselijke werkelijkheid recht doet, wordt door geen enkel rechtssysteem geaccepteerd. Indien een ieder de waarheid slechts tot op zekere hoogte zou vertellen, afhangend van onze persoonlijke oordelen, dan zouden belasterende of vervelende feiten wellicht niet gegeven worden, gebeurtenissen in een bepaald licht kunnen worden verhaald, schuld verdonkeremaand kunnen worden, verantwoordelijkheid ontlopen en recht ontzegd kunnen worden.

De wet streeft dus naar een onmogelijke standaard van accuratie, en we doen zoveel mogelijk ons best hieraan maar te beantwoorden.

Wat de selectie van juryleden betreft doet het gerechtshof alles om zich ervan te verzekeren dat de rechtsuitspraak slechts op bewijsmateriaal berusten zal. Zij ontziet zich niet om partijdigheid uit te schakelen. Zij is zich terdege bewust van menselijke imperfectie. Kent de kandidaat voor jurylid de openbare rechtsaanklager of de advokaat? En kent hij/zij de rechter of de andere juryleden? Heeft het jurylid zich al een mening gevormd aangaande de zaak in kwestie op basis van publiciteit die aan de rechtszaak al is voorafgegaan? Zal het jurylid meer of minder gewicht geven aan beschuldigend bewijsmateriaal gegeven door politiefunctionarissen dan aan vrijsprekend bewijsmateriaal dat door getuigen gegeven wordt? Heeft het jurylid een bepaalde houding tegenover een bepaalde etnische minderheid waartoe de aangeklaagde behoort? Woont het jurylid in de buurt van waar de misdaad is gepleegd en zou dat van invloed kunnen zijn op zijn/haar oordeel? Heeft hij/zij een wetenschappelijke achtergrond in de zaken die aan de orde komen in het getuigenis van een expert op dat gebied? (Dit wordt veelal als bezwarend beschouwd.) Heeft het jurylid familie of gezinsleden die werken voor het gerecht of de politie? Is het potentiële jurylid zelf wel eens in aanraking gekomen met de politie en zou zijn/haar oordeel daarom gekleurd kunnen zijn? Is een goede vriend of familielid ooit gearresteerd met een soortgelijke beschuldiging? Het rechtswezen erkent dus een zeer uitgebreide sortering aan factoren, vooringenomenheid, ervaringen die iemands oordeel mogelijkerwijs onzuiver zou kunnen maken of iemands objectiviteit in twijfel kunnen stellen –zij neemt zelfs in acht dat wij onszelf er niet altijd van bewust zijn. Zij doet alles –misschien zelfs tot aan het buitensporige toe- om menselijke zwakheden tijdens de rechtzaak uit te sluiten. En zelfs dan kan het natuurlijk nog voorkomen dat het rechtssysteem soms faalt.

Waarom zouden wij genoegen nemen met minder strikte regels wanneer we de natuur ondervragen, of bezig zijn met het besluiten van voor of tegen in belangrijke zaken zoals politiek, economie, godsdienst en ethiek?

Wanneer wetenschap consequent wordt toegepast geeft zij ons, in ruil voor de overvloed die ze ons aanbiedt, ook een in zekere zin vermoeiende taak: zij vraagt van ons om onszelf en onze maatschappelijke organisaties ook wetenschappelijk te benaderen en onszelf en onze cultuur niet klakkeloos te aanvaarden voor alles waarvoor ze worden afgeschilderd. Zij vraagt van ons zo goed als we daar bij machte zijn, onszelf boven onze hoop, onze zelfingenomenheid en onbewezen geloofsovertuigingen te plaatsen, onszelf te bezien zoals we in werkelijkheid zijn. Kunnen we moedig en met goed geweten de planetaire bewegingen bestuderen of de genetica van bacteriën, en de uitkomsten ervan aannemen, waarheen ze ons ook mogen leiden, maar tezelfdertijd verklaren dat de oorsprong van materie of menselijk gedrag hierbuiten valt? Omdat de kracht van wetenschappelijke uitleg zo groot is kan men –wanneer men eenmaal vertrouwd is geraakt met de wetenschappelijke manier van denken- het wetenschappelijk redeneren overal enthousiast toepassen. Wanneer we dan echter diep in ons innerlijk kijken komen we soms voor bepaalde ontluisterende aspecten van het bestaan te staan die onze innerlijke vrede aantasten.

Antropologen die duizenden verschillende culturen en volkeren, allemaal behorend tot dezelfde menselijke familie, bestudeerd hebben, staan er verbaasd over hoe weinig van het menselijk leven overal op aarde hetzelfde is. Hoe weinig gegevens zijn te vinden in elke cultuur, ongeacht hoe exotisch. Er zijn bijvoorbeeld culturen -de Ik stam in Uganda is er één van- waar alle tien geboden systematisch en bij stamwet genegeerd worden. Er zijn culturen waar zowel babies als ouden van dagen afgeschreven worden, waar vijanden opgegeten worden, waar schelpen of varkens of jonge vrouwen als geld dienen. Maar ze hebben allemaal een taboe op incest, ze maken allen gebruik van technologie en geloven bijna zonder uitzondering in een bovennatuurlijke wereld van goden en geesten –vaak in verband gebracht met hun natuurlijke omgeving en de dieren en planten die gegeten worden. In elk van deze maatschappijen is een geliefde wereld van mythen en symbolen die naast de wereld van het dagelijkse leven bestaat. Men doet zijn best om de twee werelden met elkaar in overeenstemming te brengen en wanneer het te moeilijk wordt laat men het veelal afweten en legt men zich erbij neer. Wij maken denkcompartimenten. Sommige wetenschappers doen dit ook. Zij stappen zonder enige moeite zo uit de skeptische wereld van de wetenschap naar de goedgelovige wereld van godsdienstige overtuiging, zonder dat hun hartslag ook maar één keer overslaat. Het is natuurlijk wel zo dat hoe groter de kloof tussen deze twee werelden, des te moeilijker het wordt innerlijke rust te vinden, met zuiver geweten te leven, met allebei de twee werelden te leven.

In een leven dat maar kort is en onzeker, lijkt het nogal harteloos ook maar iets te doen dat mensen hun troost uit geloof ontneemt, vooral wanneer wetenschap in ruil daarvoor niet altijd medicijn voor menselijke benauwdheid kan aanbieden. Zij die niet kunnen leven met wat de wetenschap oplevert zijn natuurlijk vrij om haar voorschriften te negeren. Maar wat we niet kunnen doen is de wetenschap in stukken te snijden, het dan weer eens toe te laten –wanneer we ons er goed bij voelen- en het dan weer eens naast ons neer te leggen –wanneer we ons bedreigd voelen. Behalve door ons denken in verschillende compartimenten op te delen, luchtdicht afgesloten van elkaar, hoe is het mogelijk vliegreizen te maken, radiozenders te beluisteren en antibiotische medicijnen te nemen, terwijl we ook geloven in een aarde die slechts pakweg 10.000 jaar oud is of dat alle Boogschutters sociaal en gezellig zijn?

Of ik ooit wel eens een skepticus ben tegengekomen die zich opwerpt als superieur en zich laatdunkend uitlaat? Zeker wel. Ik heb, zeer tot mijn misnoegen, achteraf deze onprettige manier van optreden zelfs bij mijzelf wel eens opgemerkt. Aan beide kanten van opvattingen staan menselijke tekortkomingen. En zelfs wanneer wetenschappelijk skeptisch denken met grote gevoeligheid te werk gaat, kan het toch overkomen als arrogant, dogmatisch, harteloos en ongevoelig ten aanzien van de gevoelens en geloofsovertuigingen van anderen. En het moet toegegeven worden: sommige wetenschappers en skeptici gaan met hun gereedschap om alsof het botte instrumenten zijn, zonder enig gevoel voor nuances en finesse. Soms lijkt het erop alsof de skeptische conclusie al bij voorbaat getrokken was, alsof alle beweringen al van tevoren van tafel geveegd waren, nog voordat men de zaak bestudeerd had. Ieder mens heeft zijn overtuigingen lief. Tot op zekere hoogte bepalen ze ons denken. Wanneer iets op komt dagen dat niet met onze overtuigingen in overeenkomst is, of wanneer iemand, zoals Socrates dat deed, slechts vragen stelt die ons in verlegenheid brengen omdat we aan die dingen nog niet aan gedacht hadden, of wanneer iemand laat zien hoe we belangrijke onderliggende zaken zo maar onder de mat geschoven hebben in ons denken, dan wordt het altijd meteen duidelijk dat we niet slechts met de zoektocht naar waarheid bezig zijn. Het voelt dan aan als een aanval op onze persoon.

De wetenschapper die als eerste voorstelde twijfel uit te roepen als de belangrijkste deugd van een op weten uitzijnde geest, maakte meteen ook duidelijk dat twijfel slechts een gereedschap is en niet een doel op zich. René Descartes schreef:

Ik was geen navolger van skeptici die slechts twijfelen om het twijfelen, en daarmee uitkomen op nooit een keuze doen. Integendeel, mijn enige bedoeling was juist twijfel te gebruiken om uit te komen op iets dat zeker was. Twijfel om overtollig materiaal en zand weg te halen en op de onderliggende rots of klei te komen.

De manier waarop skepticisme toegepast wordt op zaken die het grote publiek aangaan laat soms een tendens zien te kleineren en uit de hoogte te spreken. Men negeert soms het feit dat –of ze nu aan waanideeën lijden of niet- aanhangers van bijgeloof en pseudowetenschap mensen zijn met oprechte gevoelens die er evengoed als de wetenschappers op uit zijn om uit te zoeken hoe de wereld in elkaar zit en wat onze rol hierin zou moeten zijn. Hun motieven zijn in veel gevallen dezelfde als de motieven van wetenschapsmensen. Indien hun cultuur hun niet alle gereedschap in handen heeft gegeven om deze speurtocht te volbrengen, zouden we er goed aan doen onze kritiek met mildheid in te tomen. Niemand van ons komt met de perfecte uitrusting.

Het is duidelijk dat er grenzen zijn aan het gebruik van skepticisme. Men moet zich ook bezighouden met analyses van kosten en baten. Indien de troost en het welbehagen dat mensen uit mystiek en bijgeloof krijgen zeer groot is en de gevaren van geloof erin betrekkelijk klein, dan zouden we onze aversie best voor onszelf kunnen houden.

Maar de zaak is niet eenvoudig. Stel dat je in een grote stad een taxi instapt en de chauffeur begint meteen een tirade over de zogenaamde minderwaardigheid en misdaden van één of andere etnische minderheid. Is het dan het beste om maar stilzwijgend alles aan te horen, terwijl je je best herinnert dat zwijgen hetzelfde is als stilzwijgend je goedkeuring erover uitspreken? Of is het je morele plicht om met de chauffeur van mening te verschillen, er fel tegen in te gaan, of zelfs de taxi uit te stappen? Omdat je weet dat jouw zwijgen hem alleen maar aan zou moedigen het bij de volgende klant weer te doen, terwijl een fel verweer hem de volgende keer beter doet oppassen voor hij z’n mond open doet. Op dezelfde manier werkt ons stilzwijgend goedkeuren van mystiek en bijgeloof er aan mee dat we blijven doorleven in een klimaat waar skepticisme als onbeleefd wordt beschouwd, wetenschap vermoeiend, en diep doordenken beschouwd wordt als saai en ongepast.

Om de zaken in verstandig evenwicht te houden is grote wijsheid nodig.



Voor meer van Sagan: De Draak in mijn garage