Introduktie
Openbaring
Het Oude Testament
Het Nieuwe Testament
Deïsme
Wetenschap
Twijfelachtige middelen
Samenvatting
Volwassen Geloof                                                                                       Appendix 2

        




"Of all tyrannies that afflict mankind, tyranny in religion is the worst."

"To argue with a man who has renounced his reason is like giving medicine to the dead."

[Thomas Paine]











Ik vertrouw het volgende werk aan u toe. Het bevat mijn mening over godsdienst. Ik hoop dat u het zich herinnert hoe ik altijd een uitgesproken voorstander ben geweest van de vrijheid van meningsuiting, hoezeer iemand ook van mijn overtuiging moge verschillen. Hij die dit recht ontkent maakt van zichzelf een slaaf van zijn huidige opvattingen, aangezien hij zichzelf het recht niet toekent ooit van mening te veranderen.


Het meest formidabele wapen tegen vergissingen van allerlei aard is de menselijke rede. Ik heb nooit gebruik gemaakt van iets anders, en ik zal dat ook in de toekomst nooit doen.


Uw vriend en medeburger,


Thomas Paine


Luxembourg (Parijs), Pluvôise 8.
In het tweede jaar van de Franse Revolutie,
27 Januari 1794






Eerste Deel




Introduktie

Al enige jaren ben ik van plan geweest mijn gedachten aangaande godsdienst te publiceren. Ik ben me ten zeerste bewust van alle moeilijkheden die hieraan kleven, en dat is dan ook de reden geweest dat ik deze klus reserveerde voor een later tijdstip in het leven. Ik was van plan het als mijn laatste daad aan te bieden aan de mensen van alle naties, op een tijdstip dat zelfs zij die dit werk zouden afkeuren mij niet meer zouden  kunnen beschuldigen van bijmotieven.


De gebeurtenissen die zich nu in Frankrijk afspelen, met de totale afschaffing van de priesterklasse en alles wat met religieuze dwang te maken heeft, hebben mijn plannen niet alleen bespoedigd, maar hebben de publikatie van een boek als dit bijzonder noodzakelijk gemaakt. We lopen namelijk gevaar vanwege een vloedgolf van bijgeloof, slechte regering en slechte theologie, het zicht te verliezen op moraal, op menselijkheid en op gezonde theologie.


Aangezien verscheidene van mijn collega’s en ook andere burgers in Frankrijk mij het voorbeeld gegeven hebben hun hoogstpersoonlijke en zonder op dwang gebaseerde geloofsovertuiging openbaar te belijden, zal ik hetzelfde doen. En ik zal dat doen met alle oprechtheid en moed waarmee de geest van een mens maar met zichzelf in gesprek kan zijn.


Ik geloof in één God. Ik hoop op geluk na dit leven.


Ik geloof in de gelijkheid van alle mensen en ik geloof dat godsdienstige verplichtingen bestaan uit het verschaffen van rechtvaardigheid, het verlenen van liefdevolle genade en het streven naar geluk voor alle medeschepselen.


Maar opdat men niet meteen veronderstelt dat ik in nog vele andere dingen geloof, zal ik me in de loop van dit boek bezig houden met de dingen waar ik niet in geloof, en de redenen ervoor naar voren brengen.


Ik geloof niet in de godsdienst beleden door de Joodse kerk, de Katholieke kerk, de Grieks-orthodoxe kerk, de Turkse kerk, de Protestantse kerk, of welke andere kerk dan ook die mij bekend is. Mijn eigen geest is mijn eigen kerk.


Alle kerken, of ze nu joods, christelijk of islamitisch zijn, komen mij voor als niets anders dan menselijke uitvindingen, opgezet om de mensheid met behulp van schrikaanjaging tot slavernij te brengen en opgezet om macht en winst te maximaliseren.


Met deze uitspraak bedoel ik niet de aanhangers van deze religies te veroordelen; zij hebben hetzelfde recht op hun overtuiging als ik op de mijne. Maar het is noodzakelijk voor het geluk van de mens, dat men innerlijk trouw aan zichzelf is. Ontrouw is niet het geloven of niet-geloven in iets, maar dingen openbaar belijden waar je eigenlijk niet in gelooft.


Het is onmogelijk de hoeveelheid moreel kwaad te meten, als ik het zo mag uitdrukken, dat liegen tegen zichzelf in de maatschappij heeft geproduceerd. Wanneer iemand zijn geestelijke gezondheid zo heeft gecorrumpeerd en bezoedeld dat hij dingen van beroepswege belijdt waar hij niet in gelooft, heeft hij zichzelf opgeleid om tot welke misdaad dan ook in staat te zijn. Hij neemt het beroep van priester op uit geldzucht, en om zich te kwalificeren voor het beroep begint hij al met een valse eed. Is er iets destructievers te bedenken voor de moraal?


Spoedig nadat ik het pamflet “Gezond Verstand” had gepubliceerd in Amerika, besefte ik dat een revolutie op politiek gebied naar alle waarschijnlijkheid gevolgd zou worden door een revolutie in de godsdienst. De schandelijke banden tussen de kerk en de staat, waar die dan ook plaatsvond, of ze nu joods, christelijk of islamitisch was, had zo volledig alle discussies over aanvaarde geloofsbelijdenissen en zelfs over de meest elementaire geloofskwesties verboden, dat het onmogelijk was deze dingen ooit openlijk aan de orde te stellen alvorens eerst een ander politiek klimaat geschapen werd. Een revolutie in ons politieke stelsel zou automatisch leiden tot een revolutie op religieus gebied. Menselijke instellingen en priesterlijke misstanden zouden ontdekt worden. En de mens zou terug willen keren naar het pure, onvermengde en onvervalste geloof in één God, en niet meer.









Openbaring

Iedere kerk en iedere religie heeft zichzelf gevestigd door zich een speciale taak van God aan te meten, geopenbaard aan uitverkoren individuen. De joden hebben hun Mozes, de christenen hun Christus, apostelen en heiligen, en de turken hebben hun Mohammed. Alsof de weg tot God niet open zou staan voor ieder mens gelijk.


Al die kerken hebben hun bepaalde boeken, die ze openbaring noemen, of ook wel het Woord van God. De joden beweren dat hun Woord van God van aangezicht tot aangezicht aan Mozes werd gegeven. De christenen zeggen dat hun woord door goddelijke inspiratie tot stand gekomen is. En de islamieten zeggen dat hun Woord van God (de Koran) door een engel uit de hemel naar de aarde gebracht is. Al deze godsdiensten klagen de anderen aan als ongelovigen. Maar ik voor mij schenk aan geen van hen geloof.


Aangezien het noodzakelijk is aan termen de juiste gedachten te verbinden zal ik eerst enige opmerkingen maken over wat men verstaat onder openbaring. Openbaring, in godsdienstige zin, betekent iets dat door God direct aan de mens gecommuniceerd wordt.


Niemand zal ontkennen dat God hiertoe in staat zou zijn, indien Hij dit zou willen. Maar laten we dit ten behoeve van het argument toegeven, dan is iets geopenbaard aan een bepaald persoon toch een openbaring voor hem alleen, en geen openbaring aan welk ander mens dan ook. Indien hij aan een ander verhaalt van deze openbaring, een tweede weer aan een derde, een derde weer aan een vierde, enzovoort, dan houdt het op een openbaring aan al die anderen te zijn. Het is slechts een openbaring aan die ene persoon zelf, en iets vanhorenzeggen voor alle anderen. Al die anderen zijn bijgevolg niet verplicht geloof te schenken aan de openbaring.


Het is een contradictio in terminis om dat wat ons uit tweede hand is overgeleverd een openbaring te noemen, of het ons nu verteld wordt of dat we erover lezen. En hoewel de ontvanger van de openbaring zich genoodzaakt moge zien het te geloven, kan het op geen enkele manier mij verplichten er op dezelfde manier in te geloven. Want het was geen openbaring aan mij, ik heb slechts zijn woord dat het aan hem geopenbaard werd. Een openbaring zoals de tien geboden dragen in zichzelf op geen enkele manier het stempel van God. Ze bevatten enkele goede morele voorschriften, voorschriften die elke gekwalificeerde wetgever zou kunnen produceren zonder oog in oog te staan met een bovennatuurlijke macht. (Ik moet natuurlijk uitzondering maken voor de de uitspraak dat God de zonden van de vaders op de kinderen tot in het derde geslacht wreekt. Zoiets druist in tegen elk principe van morele rechtvaardigheid.)

Wanneer men mij vertelt dat de Koran in de hemel geschreven werd en aan Mohammed gegeven werd via een engel, komt het neer op hetzelfde: vanhorenzeggen en overleveringen uit tweede hand. Ik heb de engel niet gezien en hoef er dus geen geloof aan te schenken.


Wanneer mij ook nog verteld wordt dat een vrouw genaamd Maria zwanger werd zonder met een man geweest te zijn, en dat haar man via een engel te weten kwam dat dit echt zo was, heb ik het recht zoiets niet te geloven. Geloof hieraan te schenken vereist een veel sterker bewijs dan slechts hun woord ervoor. Maar we zijn zelfs niet in het bezit hiervan, want noch Maria, noch Jozef heeft ook maar iets zelf opgeschreven. Het wordt ons slechts verteld dat zij dit zeiden –het is dus vanhorenzeggen op vanhorenzeggen, en ik verkies het om aan dit bewijsmateriaal geen waarde te hechten.


Het is echter niet moeilijk te verklaren hoe men ertoe kwam Jezus de Zoon van God te noemen. Hij werd namelijk geboren in een tijd dat de heidense mythologie nog steeds in de mode was en opgang deed, en deze mythologie had mensen voor zo’n verhaal opgeleid. Vrijwel alle mannen van naam in die heidense mythologie waren mensen waarvan gezegd werd dat ze de zonen van één van hun goden waren. Het was bepaald geen nieuwtje dat iemand een hemelse afkomst had. Gemeenschap van goden met mensen was in die tijd een doodnormale zaak. Hun Jupiter had met honderden geslapen. Het verhaal was dus noch nieuw, noch wonderlijk, zelfs niet obsceen. Het was eenvoudig overeenkomstig de gedeelde opinie onder de heidenen, en het waren dan ook slechts de heidenen die er geloof aan schonken.  De joden, die heel streng in één God geloofden, en zich ver hielden van heidense mythologieën, schonken nooit geloof aan dit verhaal.


Het is interessant op te merken hoe de theorie van wat men de christelijke kerk noemt uit de staart van de heidense mythologie sprong. Zoals we zagen werd de heidense mythologie al met huid en haar overgenomen door de zogenaamde stichter ervan een hemelse afkomst te laten hebben. De drie-eenheid die er weer uit voortvloeide was niets anders dan een reduceren van het meergodendom. Het beeld van Maria was de opvolger van de Diana van Efeze. De vergoddelijking van helden werd vervangen door het heilig verklaren van heiligen: De antieke religies hadden goden voor alles, het christendom had heiligen voor alles. De kerk werd zo versierd als het pantheon eens werd versierd, en Rome was op dezelfde plaats het centrum van beide religies. Het christelijk geloof is weinig anders dan het antieke heidendom en geschoeid op de leest van het verkrijgen van zoveel mogelijk macht en geld. Rest ons slechts de taak van rede en diepzinnig denken om verlost te worden van deze valsemunterij.


Niets wat hier is gezegd is een uiting van minachting voor het ware karakter van Jezus. Hij was een deugdzaam en liefdevol mens. De moraal die hij preekte was van een verlichte soort. En hoewel eenzelfde soort van prediking vele jaren tevoren al door Confucius en sommige griekse filosofen werd onderwezen, en door vele mensen in latere tijden en Quakers in onze tijd, is zijn leven niet door hen overtroffen.


Jezus Christus schreef geen verhandeling over hemzelf, over zijn geboorte, zijn afstamming, of over ook maar iets anders. Geen enkele zin uit wat men het Nieuwe Testament noemt is van zijn hand. Zijn geschiedenis is volkomen het werk van anderen. Wat betreft het verhaal van zijn opstanding en ten hemel varing,  dit was natuurlijk een logisch vervolg op het verhaal aangaande zijn geboorte. De geschiedschrijvers die hem bovennatuurlijk ter wereld brachten moesten hem natuurlijk ook bovennatuurlijk van de aarde weghalen, anders zou de gehele constructie in duigen vallen.


De armzalige vindingrijkheid waarmee dit laatste deel in elkaar geflanst is, overtreft alles wat tevoren gezegd werd. Het eerste wonder, dat van de bovennatuurlijke ontvangenis, was niet iets dat voor het publiek open stond om na te gaan. De schrijvers van dit verhaal hadden dus het voordeel dat alhoewel men er misschien niet in zou geloven, het verhaal toch in geen geval als onwaar bewezen zou kunnen worden. Maar de opstanding van een dode uit zijn graf en zijn opstijgen in de lucht, was iets geheel anders. De opstanding en ten hemel varing waren gebeurtenissen die ooggetuigen hadden. Op dezelfde manier als het opstijgen van een luchtballon, of de zonsopgang.


Iets waarvan men zegt dat iedereen er in moet geloven, vereist een bewijs dat voor iedereen en universeel even sterk is. We horen hier echter maar van een klein aantal ooggetuigen. Een tiental mensen zeggen dat het gebeurde en de hele wereld moet dit dan maar aannemen. Maar het wordt gezegd dat Thomas niet geloven wilde voordat hij het eerst zelf zag, en ik ben het volkomen met hem eens, en wel om dezelfde reden als hij en ieder ander.


Het heeft geen nut deze zaak te verdoezelen of te proberen te slikken. Het verhaal voor zover ze betrekking heeft op het bovennatuurlijke heeft alle kenmerken van bedrog. Wie ervoor verantwoordelijk waren is onmogelijk te zeggen. We weten zelfs niet de namen van de schrijvers van de boeken waar de verhalen in staan. Degenen die er nog het dichtst bij staan zijn de joden, en die zeggen juist allemaal dat de verhalen niet waar zijn. Gek dat de joden altijd aangehaald worden als bewijs voor de waarheid van het verhaal. Net alsof iemand zou zeggen, welaan, ik zal u bewijzen dat ik gelijk heb en dan vervolgens mensen voor de dag haalt die allemaal zeggen dat hij bedrog pleegt.


Dat zulk een persoon Jezus Christus bestaan heeft en gekruisigd werd, volgens de wijze van terechtstelling in die dagen, ligt binnen de grenzen van historische waarschijnlijkheid. Hij predikte een hoge ethiek en de gelijkheid van alle mensen, maar sprak zich ook uit tegen corruptie en de geldgierigheid van de joodse priesterklasse. Hij haalde daarom de haat en wraak van de gehele priesterklasse op zijn hals. Men klaagde hem aan vanwege ophitsing en samenzwering tegen het romeinse regiem, waaraan de joden gehoorzaamheid verschuldigd waren. Het is niet onwaarschijnlijk dat de romeinse overheersers enige kennis hadden van de gevolgen van zijn leringen, en ook al niet onwaarschijnlijk dat Jezus beoogde het joodse volk te bevrijden van romeinse overheersing. In de mangel tussen die twee machten verloor deze revolutionair zijn leven.


Op deze naakte feiten hebben de christelijke mythologiescheppers hun fabels geconstrueerd, fabels die wat betreft hun absurditeit en buitensporigheid niet overtroffen worden door ook maar iets wat de antieke mythologie ons ooit voorgeschoteld heeft.


De oude mythologiescheppers vertellen ons dat een ras van reuzen oorlog voerde tegen Jupiter, en dat één van de reuzen wel honderd stenen tegelijk op Jupiter af gooide. En dat Jupiter hem met een klap van de donder versloeg en hem onder de berg Etna opsloot, zodat we nu met een vuurspuwende berg Etna zitten, elke keer wanneer de reus zich omdraait. We kunnen hieruit gemakkelijk zien hoe de vulkaan het idee van een fabel oproept, dat moet beantwoorden aan het imposante van een vulkaanuitbarsting.


De christelijke mythemakers vertellen ons dat hun Satan oorlog voerde tegen de Almachtige. De Almachtige versloeg hem, en gooide hem ditmaal niet onder een berg, maar in een peilloze afgrond. We kunnen alweer gemakkelijk zien dat de eerste fabel de tweede in het leven roept, want het verhaal van Jupiter en de reuzen is honderden jaren ouder.


Tot zover verschillen de heidense en christelijke mythologieën weinig van elkaar. Maar de laatstgenoemden gaan nog veel verder. Om alle touwtjes van hun verhaal aan elkaar te knopen doen ze een beroep op de tradities van de joden. De christelijke mythologie is een samenbrengen van joodse en heidense tradities. Terwijl ze de Satan eerst in de afgrond hebben geworpen moet hij er weer uit worden gevist om het vervolg van de fabel te kunnen schrijven. Hij wordt in de hof van Eden geplaatst, in de vorm van een slang, en in die vorm maakt hij een conversatie met Eva die in het geheel niet opkijkt van een pratende slang. De slang overreedt haar een vrucht te eten en zo komt de vloek over het gehele menselijke geslacht.

Nadat de Satan zo’n overwinning heeft behaald zou men verwachten dat de kerkmythologen zo vriendelijk zouden zijn om hem weer in die afgrond te plaatsen, of hem desnoods onder een berg gevangen te zetten (want ze beweren met behulp van hun geloof bergen te kunnen verplaatsen), maar in plaats daarvan laten ze hem vrij rondlopen; hij loopt er zelfs niet voorwaardelijk, op erewoord van goed gedrag. De reden is natuurlijk dat ze niet zonder hem kunnen. Nadat ze hem in het leven hebben geroepen kopen ze hem om, om maar hier te blijven. Ze beloofden hem alle joden, alle turken en bovendien nog 90% van de rest van de wereld, inclusief alle aanhangers van Mohammed. Wie kan nog twijfelen aan de weldadige zegeningen van de christelijke mythologie?


We hebben dus een opstand en een veldslag in de hemel achter de rug, waarin beide deelnemende partijen noch gedood, noch gewond kon raken, we hebben de Satan de afgrond zien ingaan en hem er weer uit zien klimmen, we hebben hem overal op aarde triomfen zien behalen, hebben ertussendoor de gehele mensheid vervloekt zien worden vanwege het eten van een vrucht, en wachten nu op de spannende ontknoping. Hiervoor hebben we deze deugdzame en vriendelijke man Jezus nodig. Hij is zowel God als mens. Hij is ook de Zoon van God en is uit de hemel nedergedaald om te worden opgeofferd om boete te doen voor het eten van die vrucht.


Laten we nu voor even alles vergeten wat onze lachlust opwekt vanwege de absurditeiten, of onze weerzin vanwege het profane, en ons slechts concentreren op een onderzoek naar de details. We zien dan dat het onmogelijk is de Almachtige meer door het slijk te halen, zijn wijsheid meer te beledigen, of meer in strijd met zijn almacht te zijn, dan via dit verhaal.


Om een fundament te scheppen waarop hun verhaal moest staan, waren de scheppers van deze mythen verplicht aan de Satan even zo grote macht te geven, of zelfs nog grotere, dan ze aan de Almachtige toeschreven. Ze gaven hem niet alleen macht uit die bodemloze afgrond te klauteren, na wat ze zijn val noemen, maar hebben zijn macht langzamerhand uitgebreid tot in het oneindige. Vóór zijn val wordt hij door hen afgebeeld als een engel, na zijn val wordt hij alomtegenwoordig. Hij is overal en nog wel tezelfdertijd!


Nog niet helemaal tevreden met zijn vergoddelijking laten ze hem ook nog in de vorm van een geschapen dier God te slim af zijn door Hem met list te verslaan en Hem voor de keus te zetten: óf de wereld aan zijn heerschappij te overhandigen óf ter verlossing van de wereld zelf naar beneden te komen om in de vorm van een mens de kruisdood te ondergaan.


Indien de vertellers van het verhaal het omgekeerd geschreven hadden, dwz God voorgesteld zouden hebben als eisende de kruisiging van de Satan in de vorm van een slang, als straf voor zijn nieuwe overtreding, dan zou het verhaal minder absurd zijn. Maar in plaats hiervan laten ze de overtreder weer een keer triomferen en de Almachtige vallen.


Ik twijfel er niet aan of er zijn ook vele goede mensen geweest die in dit vreemde verdichtsel geloofd hebben, en dat ze in de kracht van dit geloof een goed leven leidden (want goedgelovigheid is per slot van rekening geen misdaad). Ten eerste werden ze opgevoed het te geloven, en zo zouden ze ieder ander verhaal ook hebben aanvaard. Er zijn er ook bij die in zo’n staat van verrukking zijn gebracht door wat zij zien als de oneindige liefde van God voor de mens, hetgeen volgens hen in zijn zelfopoffering tot uiting komt, dat het weerzinwekkende van dit idee niet eens tot hen doordringt, en ze zelfs de moeite niet nemen de absurditeit en godslastering van dit verhaal aan een nader onderzoek te onderwerpen. Hoe buitensporiger iets is, des te meer het treurige bewondering schijnt op te wekken.


Maar indien het ons gaat om zaken die onze bewondering en dank afdwingen, staan die niet op elk moment voor onze ogen? Zien we niet hoe fantastisch de gehele schepping waarin we geboren worden geordend is? Een wereld geheel voorzien van alles wat we nodig hebben en geheel gratis? Zijn wij het die de zon ontsteken, voor regen zorgen en de wereld met een overvloed vullen? En of we nu slapen of wakker zijn, het gehele systeem van het universum draait altijd maar door. Hebben al deze dingen en alles wat in de toekomst nog voor ons in petto staat, niets te betekenen? Worden onze diepe gevoelens pas aangeroerd indien we geconfronteerd worden met rampen en zelfmoord? Of is onze sombere trots zo ontoelaatbaar groot geworden dat er niets anders meer is waardoor ze gestreeld kan worden dan door een offer van de Schepper?


Ik weet dat mijn gepeperde uitspraken menigeen zal schokken, maar ik zou de goedgelovigheid van mensen een al te groot compliment geven indien ik me stil zou houden. Onze tijd en het onderwerp vereist dit. Het vermoeden dat de leer van wat men de christelijke kerk noemt bedenksels zijn, groeit gestadig in alle landen. En het zal voor velen die te lijden hebben onder deze vermoedens, die twijfelen waar ze in moeten geloven en waarin niet, een troost zijn dat deze zaken nu openlijk onderzocht kunnen worden. Ik vervolg daarom met een onderzoek naar de boeken van wat men het Oude Testament noemt.









Het Oude Testament

De boeken van de bijbel, beginnend bij Genesis en eindigend met Openbaring (een raadselachtig boek dat op zich al een openbaring vereist om het uit te kunnen leggen), zijn, zo wordt ons verteld, het Woord van God. Het ligt dan ook voor de hand te vragen wie dit ons vertelt, zodat we deze claim op zijn merites kunnen beoordelen. Het antwoord op deze vraag is echter dat niemand dit zegt, met uitzondering van wij die het aan elkaar vertellen. Historisch bekeken ligt de zaak zo:


Toen de kerkmythologen hun systeem neer wilden leggen verzamelden ze alle geschriften die er maar te vinden waren, en behandelden deze naar believen. Het is bepaald niet zeker of de geschriften die ze verzamelden er precies zo uitzagen als wij ze tegenwoordig kunnen lezen. Er werden misschien aanvullingen op gedaan, verkortingen van gemaakt of veranderingen aangebracht. Hoe dit ook moge zijn, wat wel vaststaat is dat ze erover stemden welke boeken tot het woord van God gerekend mochten worden en welke niet. Sommige boeken werden volkomen verworpen, anderen werden twijfelachtig beschouwd, maar nuttig, zoals de boeken die we de Apocriefen noemen. De boeken die de meeste stemmen kregen werden uitgeroepen tot woord van God. Indien de stemming anders was verlopen zouden alle volgende christenen in andere dingen hebben geloofd. Over de mensen die aan de stemming meededen weten we niets. Ze noemden zichzelf bij de algemene naam 'de Kerk'. Aangezien er voor de bijbel geen andere externe autoriteit bestaat dan bovengenoemde, zal ik vervolgens het interne bewijsmateriaal onderzoeken.


We hebben het hierboven al gehad over het begrip openbaring. Ik zal dit nu nader uitwerken met betrekking tot de stof die in deze bijbelboeken te vinden is. Openbaring is een communicatie aan iemand aangaande iets waar deze persoon tevoren geen enkele weet van had. Want indien ik iets gedaan heb of gezien heb, heb ik natuurlijk geen openbaring nodig om me te vertellen dat ik het gedaan heb of gezien heb, noch om het door te vertellen of op schrift te zetten. Openbaring kan daarom niets te maken hebben met iets wat op aarde gedaan is en waarvan de mens zelf getuige is geweest. Bijgevolg alle historische gebeurtenissen en anecdotes uit de bijbel -dwz bijna alles van de bijbel- kan niet de betekenis van openbaring hebben en is daarom niet 'het woord van God'.


Dat Simson er met de poorten van Gaza vandoor ging, indien hij dit al gedaan heeft (en of hij het nu deed of niet heeft voor ons geen enkele betekenis), dat hij bezoekjes aflegde aan Delila, of vossen ving, of ook maar iets anders deed, wat heeft het te maken met openbaring? Indien dit feiten waren zou hij het ons zelf kunnen vertellen, of zijn secretaris -indien hij er één onderhield- zou het hebben kunnen opschrijven indien ze de moeite waard waren. En indien ze fantasieën waren zou openbaring ze niet in waarheid hebben kunnen veranderen. En waar of niet waar, we worden er noch beter van noch wijzer, door er kennis van te nemen.


Wanneer we de verhevenheid van het Wezen dat het onbegrijpelijke geheel bestuurt en beheerst, het geheel waarvan de uiterste horizon van de mens slechts een deel kan ontwaren, zouden we ons beschaamd moeten voelen zulke armzalige verhaaltjes het woord van God te noemen.


(...)


Wanneer we alle obcene verhalen doorlezen, de wellustige uitspattingen, de wrede en barbaarse executies, de nooit aflatende wraakzucht, waarmee meer dan de helft van de bijbel is gevuld, zou het meer voor de hand liggen dit boek het woord van een demon te noemen dan het woord van God. Het is slechts een geschiedenis van slechtheid, dat later dienst heeft gedaan de gehele mensheid te verderven en 's mensen gedachten barbaars te maken. Wat mijzelf betreft, ik verafschuw dit boek, met de afschuw die ik heb voor al het wrede.


In die historische boeken komen we nauwelijks ook maar iets tegen -een paar zinnen uitgezonderd- dat een andere reactie van ons uitlokt dan afschuw en verachting. Dit gaat door totdat we komen op het gedeelte waar een mengeling van losstaande boeken staan. In deze anonieme publikaties, met name in de Psalmen en in Job, vooral in Job, komen we eindelijk iets tegen van verheven gedachten, uitgedrukt in eerbiedige taal, die spreken van de macht en goedheid van de Almachtige. Maar de teksten staan niet op een hoger niveau dan hetgeen we ook elders kunnen lezen, in oudere of in nieuwere geschriften. De Spreuken worden aan Salomo toegeschreven, hoewel ze in werkelijkheid waarschijnlijk een verzameling zijn (omdat ze veelal verwijzen naar een vertrouwd zijn met een leven dat voor hem volkomen onbekend moet zijn geweest). Het zijn instruktieve gezegden ten behoeve van de moraal. Ze staan niet op hetzelfde scherpe niveau als de spreekwoorden van de Spanjaarden, en zijn niet wijzer of beter uitgedrukt dan de aforismen van Benjamin Franklin.


De rest van het Oude Testament staat bekend als de profeten. Ze zijn de werken van joodse dichters en rondtrekkende predikers. Hun geschriften zijn een mengeling van poezie, anecdoten en vroomheid. Zelfs in vertaling behouden ze iets van de stijl van poezie. (...)
Er is in de bijbel geen woord voor wat wij onder profeet verstaan, noch een woord voor wat wij dichtkunst noemen. Het geval is dat het woord profeet -waaraan men later andere gedachten heeft verbonden- in het Oude Testament met het woord dichter wordt aangeduid. En profeteren was hetzelfde als dichten. Het betekende ook deze dichtkunst voordragen op muziek en met begeleiding van instrumenten.

Zo lezen we over profeteren met fluiten, tamboerijnen en trompetten, profeteren met harpen en psalmgezang, met cymbalen en ieder ander instrument dat toendertijd in zwang was. Indien we tegenwoordig zouden spreken over profeteren met een viool zou de uitdrukking geen betekenis meer hebben of lachwekkend voorkomen. Sommigen zouden zich om zoiets boos maken, omdat we (zo denken zij) de betekenis van profeteren verkrachten!


Er wordt ons bijvoorbeeld verteld over koning Saul die zich aansloot bij een profetenschool en daar ook als profeet fungeert, en dat hij profeteerde. Maar er wordt ons niet gezegd wat zij of Saul profeteerden. Heel eenvoudig: er was niets om te vertellen. Het was een groep musici en dichters, en Saul nam deel aan het concert. Men noemde zoiets profeteren. Het verhaal laat zien dat er aan profeteren en profeten nog geen gedachten werden verbonden aan hoge moraal of woorden afkomstig van God. Debora en Barak werden profeten genoemd, niet omdat ze iets voorspelden, maar omdat ze een gedicht of lied gemaakt hadden dat hun naam droeg, ter herinnering aan gebeurtenissen. David behoort tot de profeten, en men schrijft vele psalmen aan hem toe. Maar Abraham, Izak en Jabob worden geen profeten genoemd. Uit de verhalen over hen blijkt ook niet dat ze bekend stonden als zangers, dichters of musici.


Men vertelt ons van grote en kleine profeten. Zoiets is al even ongerijmd als spreken over een grote en kleine God, want in de moderne betekenis van het woord profeet is het onmogelijk woorden afkomstig van God in te delen als belangrijke en minder belangrijke. Slechts in de originele betekenis van het woord kan men spreken van hogere of lagere kwaliteit, zoals we kunnen spreken over grote en kleine componisten en dichters.


Het lijkt me na deze kanttekeningen volledig overbodig nog enige aandacht te schenken aan wat deze mannen te zeggen hadden. De bijl hakt ze bij de wortels om, wanneer men maar de originele betekenis van het woord profeet beseft. Al de vrome beschouwingen, alle uitgewerkte commentaren, die ze als Gods woord afschilderen, zijn het niet waard in de discussie te worden betrokken. In de meeste gevallen verdienen de joodse dichters een veel beter lot dan met zoveel begeleidende rommel te worden omgeven, en door ze te moeten laten doorgaan voor het mishandelde begrip Woord van God.


Indien we ons er echt serieus mee bezig zouden houden, zouden we snel inzien dat we het woord van God op geen enkele manier in schrift of menselijke taal zouden kunnen ontvangen, aan de ene kant omdat het woord van God onveranderbaar is, en aan de andere kant omdat er niets kan gebeuren, toevallig of gepland, dat voor zoiets zou kunnen doorgaan. Taal is voortdurend onderhevig aan verandering, er is geen universele taal, elke vertaling heeft zijn gebreken en een geschiedenis vol van niet feilloze copyïsten en boekdrukkers, plus nog de mogelijkheid van opzettelijk aangebrachte veranderingen. Deze dingen zijn er allemaal het bewijs van dat iets uitgedrukt in menselijke taal geen voertuig voor het woord van God kan zijn. Het woord van God bestaat uit iets anders.


Zelfs indien de bijbel zou uitblinken in zowel ideeën als zuiverheid, uitstekend boven alle andere boeken die ter wereld gevonden worden, dan nog zou ik het niet het woord van God en de leidraad voor mijn geloof willen noemen, omdat de mogelijkheid altijd zou bestaan dat ik bedrogen zou worden. Maar wanneer ik voor het merendeel nauwelijks iets anders kan lezen dan een opsomming van de allergrootste barbariteiten en armetierige en verachtelijke verhalen, kan ik de Schepper niet méér beledigen dan door het Zijn woord te noemen. Tot zover mijn beschouwing over het Oude Testament. Ik vervolg nu met wat men het Nieuwe Testament noemt. Het Nieuwe Testament! dwz de nieuwe wil. Alsof er twee uitvoeringen van Gods wil kunnen bestaan!









Het Nieuwe Testament

Indien het de bedoeling van Jezus Christus was geweest een nieuwe godsdienst te stichten, zou hij de leer ongetwijfeld zelf geschreven hebben, of er gedurende zijn leven opdracht toe gegeven hebben het op te schrijven. Maar er is ons niets bekend wat van zijn eigen hand afkomstig zou zijn. Alle geschriften van het Nieuwe Testament zijn na zijn dood geschreven. Hij was jood zowel van geboorte als van godsdienst en hij was de zoon van God op dezelfde manier als ieder ander mens dat is, want de Schepper is de Vader van ons allen.


De eerste vier boeken, Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes, geven helemaal geen geschiedenis van Jezus Christus. Het zijn slechts een aantal losse anecdotes over hem. Uit de evangeliën kan men opmaken dat zijn optreden slechts 18 maanden in beslag nam. Slechts gedurende deze korte tijd hadden zijn volgelingen enige bekendheid met hem. Ze vermelden nog een verhaal over de 12-jarige Jezus, zittende temidden van joodse geleerden, vragen stellend aan hen en hun vragen beantwoordend. Aangezien dit plaatsvond vele jaren vóór hun omgang met hem, zullen ze het verhaal gehoord moeten hebben van zijn ouders. Vanaf die tijd is er echter niets meer over hem bekend wat de volgende 16-20 jaar betreft. Bijvoorbeeld waar hij woonde, hoe hij zijn brood verdiende. Waarschijnlijk oefende hij het beroep van zijn vader uit, die timmerman was. Er wordt niet vermeld of hij enige opleiding genoten heeft, en het is goed mogelijk dat hij niet kon schrijven, want zijn ouders waren bijzonder arm, hetgeen blijkt uit het verhaal van zijn geboorte: zijn ouders konden geen herberg betalen.


Het is trouwens opvallend dat de drie beroemdste mannen uit de geschiedenis allemaal zo'n obscure afkomst hebben. Mozes is een vondeling, Jezus wordt in een stal geboren en Mohammed is een ezeldrijver. De eerste en de laatstgenoemde stelden de leer van een nieuwe godsdienst op, maar Jezus stichtte geen nieuwe godsdienst. Hij riep slechts op tot een hoge morele standaard en in één God te geloven. Zijn opvallende karaktertrek is liefdadigheid.


De manier waarop hij gearresteerd wordt laat zien dat hij weinig bekendheid genoot. En het laat ook zien dat hij geheime bijeenkomsten hield met zijn volgelingen en opgehouden had met in het openbaar te prediken, of het voor onbepaalde tijd opgeschort had. Judas kon hem slechts verraden door te vertellen waar hij zich zou bevinden, terwijl hij er ook nog persoonlijk bij moest zijn om hem aan de officieren aan te wijzen. En de reden waarom Judas zoiets kon doen kan alleen liggen in de al genoemde feiten: dat hij vrij onbekend was en zijn leven verborg.


Het idee van zijn verhulde optreden rijmt niet echt met zijn zogenaamde goddelijke oorsprong, maar heeft meer weg van kleinmoedigheid. Het feit dat hij werd verraden, of in andere woorden dat hij gearresteerd werd met behulp van informatie van één van zijn volgelingen, laat zien dat dit niet volgens zijn eigen bedoelingen was en het niet zijn plan was om gekruisigd te worden.


De christelijke mythemakers vertellen ons natuurlijk dat Christus voor de zonden van de wereld stierf, en dat zijn sterven het doel van zijn missie was. Zou hij dus evenzogoed hebben kunnen sterven aan de pokken of aan ouderdom of aan wat anders? Het oordeel dat uitgesproken werd over Adam, nadat hij van de vrucht gegeten had, was namelijk niet Gij zult voorzeker de kruisigingsdood sterven, maar Gij zult voorzeker sterven. De straf was de dood, en niet de manier waarop. Kruisiging of welke andere manier van sterven dan ook heeft niets met het oordeel te maken. Het is duidelijk dat dit oordeel over Adam slechts twee dingen kan betekenen: de natuurlijke dood of wat de mythemakers noemen de eeuwige verdoemenis. Indien het iets met Christus te maken kan hebben dan zou het dus moeten betekenen dat Christus één van die twee genoemde dingen opheft. Dat het onze natuurlijke dood niet opheft is voor een ieder duidelijk; we sterven allemaal. Maar wanneer we de natuurlijke (aardse) dood van Jezus Christus substitueren voor de eeuwige dood, ofwel de verdoemenis, dan zijn we nogal brutaal bezig door het oordeel van God met behulp van een handige interpretatie van het woordje dood te herroepen of te veranderen in wat anders.


De fabrikant van alle haarkloverij is Paulus, indien men aanneemt dat zijn brieven inderdaad door hem geschreven zijn. Hij heeft ons dan ook op de spitsvondigheid op het woordje Adam getrakteerd. Hij stelt voor dat er twee Adams zijn. De éne Adam is de persoon die zondigt en bij verstek het oordeel ondergaat. De andere Adam is de persoon die zondigen verstek doet gaan maar het oordeel in feite ondergaat. Een religie die zo overgoten is van woordspelingen, uitvluchten en spitsvondigheden heeft als resultaat dat het geleerde professors opleidt er nog vele schepjes bovenop te doen. Het wordt voor hen zelfs een gewoonte, zonder dat ze zich van de reden bewust zijn.


Indien Jezus Christus het wezen was waar de mythologen hem voor uitmaken, en hij dus in de wereld kwam om te lijden, een woord dat de mythologen soms gebruiken om het af te wisselen met sterven, dan zou het enige werkelijke lijden voor hem juist zijn te moeten leven. Zijn bestaan was een staat van verbanning uit de hemel, en de weg terug daarnaartoe was juist via sterven. Om kort te zijn alles in dit vreemde geloofssysteem is het omgekeerde van wat het probeert te zeggen. Het is precies het omgekeerde van waarheid, en ik ben zo moe geworden van het onderzoeken van alle tegenstrijdigheden en absurditeiten dat ik me met spoed naar de conclusie wil begeven om me maar bezig te kunnen houden met iets beters.


Welke delen of welke geschriften van het Nieuwe Testament door de personen geschreven zijn wiens naam ze dragen, is iets wat we niet weten. We weten zelfs niet in welke taal het origineel is geschreven. We kunnen de geschriften in twee klassen delen: anecdotes en briefwisseling. De vier evangeliën zijn geheel in verhaalvorm. Ze zijn beschrijvingen van gebeurtenissen die een tijd geleden plaatsvonden. Ze vertellen wat Jezus deed en zei, en wat anderen zeiden en hem aandeden. Op verscheidene plaatsen spreken ze elkaar tegen. Zoals gezegd kan het woord openbaring niet op verhalen van gebeurtenissen geplakt worden, en de tegenstrijdigheden bevestigen dit alleen maar. Het boek Handelingen behoort ook tot deze groep. Al de andere boeken, met uitzondering van het raadselachtige boek Openbaring, behoren tot het genre brieven. Aangezien het vervalsen van brieven een zeer algemeen bezigheid was in de antieke wereld, zal het tenminste voor mogelijk gehouden moeten worden dat de brieven vervalsingen zijn.


Eén ding is echter veel minder twijfelachtig, namelijk dat de zaken die in het Nieuwe Testament aan de orde komen en we in de anecdotes over het karakter van deze persoon te weten komen, in grote tegenstelling staan tot het systeem dat de kerk heeft opgericht. De kerk heeft een systeem opgericht van pracht en praal en winstbejag. Ze heeft dit kunnen doen ondanks het feit dat Jezus Christus een leven voorstond van armoede en eenvoud.


De uitvinding van het vagevuur, en de leer dat men met behulp van bidden, aflaten en vrijstellingen iemand daaruit kan bevrijden, zijn slechts bronnen van inkomsten, zonder dat men deze naam hiervoor gebruikt. Maar ook dit systeem is gebouwd op dezelfde gedachte, namelijk dat één persoon in plaats van een ander kan staan en gunstige daden op rekening van hem of haar kan verrichten. Dit brengt ons op de gedachte dat mogelijkerwijs het gehele systeem van verlossing (zogenaamd tot stand gebracht door de daad van één persoon en op rekening gezet voor een ander), in oorsprong gefabriceerd is om al die andere 'verlossingen' die erop gebouwd zijn mogelijk te maken.


Waarom zouden we deze kerk geloven wanneer ze de echtheid van deze geschriften garandeert, wanneer ze ook al die andere dingen verkondigt, of zich beroept op allerlei absurde wonderen die ze zogenaamd heeft uitgevoerd? Dat de kerk deze geschriften zou hebben kunnen fabriceren is in ieder geval mogelijk, want men kon schrijven en de dingen erin zou iedereen hebben kunnen schrijven, en dat de kerk deze geschriften met opzet geproduceerd heeft is niet minder geloofwaardig dan te geloven dat ze deze wonderen heeft verricht.


We hebben wel een sterke aanleiding om aan te nemen dat het alles een fabricage is, aangezien de theorie over de verlossing niet gebaseerd is op morele rechtvaardigheid, maar op de regels van financiële verplichtingen:
Indien ik iemand geld verschuldigd ben en hem niet kan betalen, zal hij mij bedreigen met gevangenisstraf. In zo'n geval kan iemand anders de schuld van mij voldoen, door het in plaats van mij te betalen. Maar indien ik een misdaad begaan heb, staat alles er geheel anders voor. Morele rechtvaardigheid kan niet toestaan dat de onschuldige in plaats van de schuldige berecht wordt, zelfs indien de onschuldige zoiets aan zou bieden. Indien dit wel zou kunnen zouden we van rechtvaardigheid een aanfluiting maken en het principe waarop rechtvaardigheid gebouwd is volkomen vernietigen. Het zou niet langer rechtvaardigheid zijn. In dat geval zou het gewoon wraakneming zijn. Deze kleine overdenking is genoeg om ons te laten zien dat het dogma van verlossing slechts gebaseerd is op het idee van geldelijke schuld, die door iemand anders kan worden voldaan. En aangezien dit geheel in overeenkomst is met de andere praktijken die de kerk ter verlossing aanbiedt -geven van geld om vergeving voor zonden te krijgen- laat het goed zien dat dezelfde personen beide theorieën hebben uitgedokterd.


In werkelijkheid is er geen verlossing, is het gehele christelijke idee slechts een een fabel, en staat de mens in precies dezelfde staat ten opzichte van zijn Maker als hij altijd heeft gestaan. In werkelijkheid is deze laatstgenoemde opvatting ook de grootste troost die we hebben.
Indien men namelijk dit gelooft zal men een veel hogere moraal hebben en veel logischer denken dan wanneer men welk ander systeem dan ook aanneemt. Het is juist dit opgedrongen denkbeeld dat men zich moet zien als een vogelvrij verklaarde, een verschoppeling, een bedelaar, een stumper, als iemand die op een mesthoop geboren is en op immense afstand van de Schepper leeft, en dat men met vrezen en beven, met kruipen en smeken om genade, en met behulp van bemiddelaars, de weg tot de Schepper moet begaan, dat uitmondt in een schandelijke minachting voor alles in de naam van godsdienst, of in onverschilligheid dat de naam krijgt van vroomheid. In dit laatste geval besteedt men zijn leven aan smart of ingebeelde smart. De gebeden van de vrome zijn zelfbeschuldigingen. Zijn nederigheid is ondankbaarheid voor het leven. Hij noemt zichzelf een worm en de vruchtbare grond een mesthoop. En alle zegeningen in het leven noemt hij ijdelheid; hij veracht zelfs het beste geschenk van God aan de mens, de rede. En terwijl hij voortdurend zijn best doet om zich te onderwerpen aan een systeem waar zijn rede voortdurend tegen in opstand is, moet hij zijn rede maar steeds ondankbaar bagatelliseren als menselijke rede, alsof de mens zichzelf rede zou kunnen geven. Maar ondanks dit vreemde voorkomen van nederigheid en verachting van menselijke rede, heeft hij toch het lef om de meest uitgesproken uitspraken te doen. Hij spreekt zich uit over werkelijk alles, en heeft overal wat op aan te merken, zijn ondankbaarheid is onuitblusbaar. Hij weet bijvoorbeeld precies hoe de Almachtige moet handelen, zelfs in het besturen van het universum. Hij bidt als een dictator. Wanneer de zon teveel schijnt bidt hij om regen, en wanneer het regent moet hij weer zonneschijn hebben. Volgens dit schema gaan alle gebeden met alle onderwerpen. Wat anders zijn zijn gebeden dan een poging de Almachtige te overreden om op andere gedachten te komen? Het is alsof hij zegt: Gij weet de zaken niet zo goed als ik!









Deïsme

Maar sommigen zullen misschien uitroepen: Blijven we dan misschien zonder Woord van God? Zonder openbaring? Ik antwoord hierop: er is wel degelijk een woord van God, er is wel degelijk een openbaring. Het woord van God is de schepping voor onze ogen. En door dit woord van God, hetgeen niet door de mens veranderd of vervalst kan worden, spreekt God universeel tot een ieder van ons.


De menselijke taal is plaatselijk en veranderlijk, en kan daarom niet aangewend worden voor onveranderlijke en universele informatie. De gedachte dat God Jezus Christus stuurde om de blijde boodschap van het ene einde van de wereld naar het andere te verkondigen kan slechts redelijk klinken voor mensen die geen idee hebben van de uitgestrektheid van de wereld. Zo’n gedachte kon slechts ontstaan in een wereld waar men dacht dat de aarde plat was en deze wereldredders desnoods lopend tot het einde konden gaan.


Slechts in de schepping zien we dat God tot een ieder van ons spreekt. Het is een taal die iedereen overal op aarde kan lezen. Het kan niet verdraaid worden, het kan niet verloren gaan, niet onderdrukt worden. Het is niet afhankelijk van de handelingen van de mens. Het spreekt dezelfde boodschap overal op aarde. En het openbaart alles wat een mens nodig heeft om God te kennen.


Willen we zijn macht overdenken? Kijk naar de uitgestrektheid ervan. Willen we zijn wijsheid enigszins begrijpen? Onderzoek de eeuwige orde in het onbegrijpelijke geheel. Willen we zijn mildadigheid beschouwen? Kijk naar de overvloed die Hij ons gegeven heeft. Zijn genade? Kijk naar hoe Hij zijn overvloed evenzogoed aan de ondankbaren schenkt. In het kort: willen we weten wat God is? Ga er niet naar op zoek in een boek dat men Heilige Schrift noemt, dat door mensen tot stand gekomen is, maar onderzoek de schrift genaamd de Schepping.


Het enige denkbeeld wat we aan God kunnen verbinden is dat van de eerste oorzaak, de oorsprong van alle dingen. En hoe moeilijk het ook is zich zoiets als een eerste oorzaak in de denken, we komen tot zulk een conclusie omdat het tienvoudig zo moeilijk is een eerste oorzaak te ontkennen. Het is onvoorstelbaar moeilijk ons in te denken dat de ruimte zonder eind is, maar het is moeilijker ons in te denken dat het wel een limiet heeft. Het is onvoorstelbaar moeilijk te geloven dat eeuwigheid bestaat, maar het is nog onmogelijker ons in te denken dat tijd niet meer zal bestaan. Op dezelfde manier geredeneerd merken we op dat alles wat bestaat een oorzaak heeft. Niets en niemand heeft zichzelf gemaakt. We worden dus gedwongen tot geloof in een eerste oorzaak, iets wat van alle eeuwigheid bestaat, volkomen boven de schepping staat en gewild heeft alles te scheppen. Men noemt deze eerste oorzaak God.


Slechts met gebruik making van onze rede kunnen iets ontwaren van God. Neemt men de rede weg, dan neemt men gelijk alle begrip weg. Men zou de bijbel dan net zo goed aan een paard kunnen voorlezen. Hoe is het dus mogelijk dat mensen net doen alsof ze geen rede nodig hebben?


Bijna de enige gedeelten van de bijbel die ons enig inzicht geven in het wezen van God staan in Job en Psalm 19. Ik herinner me geen andere teksten. Deze gedeelten zijn ware Deïstische teksten, want zij baseren hun gedachten over de Godheid op dat wat er van Hem te zien is. Zij nemen de Schepping als Woord van God en verwijzen naar niets anders. Hier volgt de 19e psalm:


De hemelen vertellen over Gods grote eer en de wijde luchten spreken over Zijn scheppend werk.
De dag vertelt het aan de dag en de nacht geeft zijn kennis door aan de nacht.
Het is duidelijk dat dat geen echte woorden zijn; het is immers niet te horen.
Toch spreekt de hele schepping over God; die 'taal' hoort men over de hele wereld.


Wat hebben we nog meer nodig dan te weten dat deze goddelijke hand die ons gemaakt heeft almachtig is? Indien men de schepping tot zich door laat dringen met behulp van het gebruik van de rede, volgt iemands moraal hier volkomen automatisch uit.

Ik herinner me de tekst van het boek Job niet genoeg om ze foutloos aan te halen. Maar er is er één die betrekking heeft op ons onderwerp. Ken je de gedachten en plannen van God? Kun je er door lang zoeken achter komen wat de grenzen van de Almachtige zijn? (Job 11:7)

Ik weet niet precies de exacte bewoordingen, want ik ben niet in het bezit van een bijbel, maar het bestaat uit twee verschillende vragen die twee antwoorden vereisen.


De eerste: “Ken je de gedachten en plannen van God?”  Ja, in de eerste plaats omdat ik begrijp dat ik mezelf niet gemaakt heb en ik toch besta, en via het onderzoek der dingen merk ik op dat miljoenen dingen bestaan die zichzelf niet hebben kunnen maken. Ik weet dus dat er een superieure macht boven mij is, en die macht noem ik God.


De tweede: “Kun je er door lang zoeken achter komen wat de grenzen van de Almachtige zijn?” Nee. Niet alleen omdat de macht en de wijsheid in de struktuur van de schepping boven ons begrip uitgaan, maar ook omdat ik weet dat hetgeen aan ons geopenbaard is, hoe groots het ook moge zijn, waarschijnlijk slechts een klein deel is van de immense wijsheid en macht die op miljoenen werelden elders geopenbaard is, en die vanwege de grote afstand onmogelijk voor mij te zien is.


Uit het Nieuwe Testament kan ik me geen passages herinneren die het wezen van God verhelderen. De brieven zijn vol met controversiële zaken. Ze staren slechts op een man die in doodstrijd stierf aan het kruis. Zulke teksten passen beter bij een sombere monnik opgesloten in een cel -en wie weet heeft hij ze geschreven- dan bij een man die in vrijheid de frisse lucht van de schepping opsnuift. Het enige wat ik me herinner dat Jezus Christus uitsprak over de werken van God waaruit men conclusies uit zijn wijsheid en macht kan trekken, is gegeven als een soort van medicijn tegen onnodige zorg: "Zie de lelies op de velden, zij werken niet en spinnen niet". Deze uitspraak is echter zeer inferieur aan de beeldspraak van Pslam 19 en Job. Maar het is in dezelfde strekking, en de eenvoud van leer is in overeenstemming met de eenvoud van de man die ze uitsprak.


Wat nu het christelijke geloof betreft, het komt op mij over als een soort van atheïsme. Een soort religieuze ontkenning van God. Christelijk geloof gelooft liever in een mens dan in God. Zijn ingrediënten bestaan hoofdzakelijk uit Manisme met een sausje Deïsme erbovenop, en staat net zo dicht bij atheïsme als de schemering verwijderd is van de nacht. Het brengt ten tonele een duister lichaam en plaatst dat tussen de mens en zijn Maker, en noemt dat Verlosser. Men kan het vergelijken met het schemerige licht dat ontstaat wanneer de maan tussen de zon en de aarde staat. Met behulp van deze godsdienstigheid of ongodsdienstigheid heeft het volkomen het licht van de rede in de schaduw gezet.


Het gevolg van dit alles is dat alles ondersteboven wordt gezet en onnatuurlijk uitgelegd wordt. Op die manier heeft er een magische revolutie in theologie plaatsgevonden. Dat wat men tegenwoordig natuurlijke filosofie noemt, de studie van alles wat de wetenschap bestudeert, waarvan astronomie ons tot het hoogtepunt voert, is de ware studie van God, de studie van zijn wijsheid en daden. Dit is de ware theologie.

Maar wat wij nu theologie noemen en in plaats daarvan bestudeerd wordt is slechts de studie van menselijke opinies en menselijke inbeeldingen over God. Het heeft niets te maken met de ware daden van God in de schepping, maar slechts met de geschriften die de mens heeft gefabriceerd. Het is een van de grootste schanddaden die de christelijke leer de wereld aangedaan heeft, dat het de oorspronkelijke en schone theologie in de steek gelaten heeft, er zelfs smalend over spreekt, en het heeft omgewisseld voor de trol van bijgeloof.


Het boek van Job wordt zelfs door de kerk als veel ouder gedateerd dan de voorgaande boeken in de bijbel. Deze theologische beschouwingen zijn gebaseerd op oorspronkelijke godsdienst. Deze teksten laten zien dat de beschouwingen over en het onderzoek naar de schepping een groot deel waren van godsdienstige vroomheid. Deze beschouwingen en dit onderzoek groeiden later uit tot wat men wetenschap noemde. En op wetenschap zijn bijna alle dingen gebaseerd die ons menselijk leven enig gerief hebben gegeven. Iedere kunst heeft een onderdeel van wetenschap als ouder, hoewel de persoon die handelingen uitvoert daar niet altijd van bewust is.

Het is een valse aantijging van de christelijke leer dat ze de wetenschap ‘mensenwerk’ noemt. Slechts de toepassing ervan is mensenwerk. Iedere tak van wetenschap heeft als basis een systeem van principes die onveranderlijk zijn en net zo vaststaan als de principes volgens welke het universum werkt en wordt beheerst. Het is niet de mens die deze principes uitvindt, hij ontdekt ze slechts.


(...)


De Almachtige Hoogleraar nodigt de mens uit tot het ontdekken van de principes en de struktuur van het universum. Het is alsof Hij tegen ons allen zegt: “Ik heb dit alles gemaakt op aarde, Ik heb alle sterren geschapen en zichtbaar gemaakt om de mens via wetenschap mij te laten leren kennen. Laat de mens leren van mijn overvloed en mildadigheid aan allen, laat hem alzo met zijn medemens omgaan.”









Wetenschap

Slechts door middel van observatie van de schepping kan de mens zijn leven verrijken. Men zal dan opmerken dat niets tevergeefs bestaat. Aangezien het christelijke geloof een revolutie in theologie betekende door zich te baseren op uitspraken in een boek in plaats van op de ware geopenbaarde godsdienst in de schepping, zo heeft het ook tot een revolutie geleid in al onze studie. Dat wat men nu verstaat onder geleerdheid was oorspronkelijk in het geheel geen geleerdheid. Talen leren geeft geen geleerdheid, maar slechts in benamingen van zaken.
De grieken waren een geleerd volk, en hun geleerdheid had niets met talenkennis te maken; ze bestudeerden slechts hun eigen taal. Ze hadden bijgevolg ook veel tijd voor andere, betere studie. In de griekse scholen onderwees men wetenschap en filosofie; en hieruit bestaat ware geleerdheid. Vrijwel al onze moderne kennis berust op hetgeen we van de grieken kregen. Het werd daarom voor andere volken noodzakelijk dat sommigen kennis van het grieks opdeden, zodat de schat van griekse wetenschap en filosofie vertaald zou kunnen worden in ieders moedertaal. We verzeilden dus in een situatie waarin mensen hun uiterste best moesten doen om met het leren van grieks en latijn slechts de gereedschap in handen te krijgen om te beginnen aan wetenschap. Al dit uitsloven maakte geen deel uit van geleerdheid. Het was zelfs zo dat iemand die bijvoorbeeld vloeiend een boek als De Elementen van Euclides kon vertalen, mogelijkerwijs tezelfdertijd nog geen idee had van de geleerdheid die erin stond.
Aangezien er uit dode talen tegenwoordig niets nieuws meer te leren valt en alle nuttige boeken al vertaald zijn, is kennis van deze talen volledig nutteloos geworden, en het leren van deze talen volkomen verspilde tijd. Voor zover het leren van talen van enig nut kan zijn voor de vooruitgang en de communicatie van de mensheid zal men slechts baat hebben bij het leren van moderne talen. Het leren van een levende taal gaat overigens zeven maal zo snel als het leren van zo'n dode taal, wellicht is één reden hiervoor dat de leraar van dode talen de talen nauwelijks zelf bij machte is ze te spreken.


De eerste en favoriete manier waarop een opgroeiend kind zich vermaakt, is met het imiteren van de daden van mensen. Hij bouwt huizen met kaarten en stokjes, bevaart de zeeën met een papieren boot in een tobbe, en maakt een dam in een geultje om zoiets als wat hij een molen noemt in beweging te zetten. En met zorg waarin men grote toegenegenheid kan bespeuren houdt hij het lot van zijn werken in de gaten. Hierna gaat een kind naar school en wordt zijn vindingrijkheid vermoord door hem zich te laten bezighouden met de studie van een dode taal. De filosoof wordt eveneens omgeturnd tot taalkundige.


Men zal zich nu afvragen waarom men voortdurend maar blijft hameren op het leren van dode talen. De reden ervoor is niet moeilijk in te zien. Laten we nu voor even onze diepe verontwaardiging aan de kant zetten over het God opzadelen met het straffen van de onschuldige in plaats van de schuldige, en ook over de spitsvondigheden om God in mensvorm te laten verschijnen en hem met een foefje toch het aangezegde oordeel over Adam nog eens te voltrekken. Laten we deze dingen nu geheel apart zetten. Laten we bijvoorbeeld naar allerlei bijkomstige zaken kijken in het christelijk geloof, zoals het grillige verslag van de schepping, het vreemde verhaal van Eva, een slang en het eten van een vrucht, het vreemde verhaal van een mens-god en de implicatie van de dood van een god, het mythologische idee van een familie van goden, een aantal van drie die met christelijke wiskunde tot één gemaakt worden; al deze dingen laten overduidelijk zien dat ze volkomen tegengesteld staan aan het gebruik van de rede die ons door God geschonken is. Hieruitvolgt dat hoe meer een mens aan wetenschap gaat doen, en aan studie van de omringende werkelijkheid, des te meer de waarheid van het godsdienstig leersysteem in twijfel wordt gebracht. Het is daarom vanzelfsprekend dat men zoveel mogelijk de wetenschap heeft willen dwarsbomen en aan banden leggen, en de studie van dode talen juist wil aanmoedigen.


De studie van de wetenschap werd niet slechts ontraden, maar men deed zelfs aan aktieve vervolging. Slechts in de laatste twee eeuwen heeft de wetenschap enige vooruitgang geboekt. Het duurde tot 1610 voordat Galileo de telescoop introduceerde en die gebruikte om de ware struktuur van het heelal te ontsluieren. In plaats van zeer gewaardeerd te worden voor deze ontdekkingen, werd hij veroordeeld en gedwongen ze te herroepen als onzin. Vóór Galileo werd bij verstek Vergilius veroordeeld tot de brandstapel, voor het van mening zijn dat de aarde een bol was.


Indien het geloof in foutieve zaken geen moraal kwaad veroorzaakte, zou het niet onze morele plicht zijn ons ertegen te verzetten of ze uit de weg te ruimen. Wat doet het er toe -gezien vanuit het oogpunt van de ethiek- of men gelooft in een platte aarde of dat de aarde rond is? En zo kleefde er ook geen moreel kwaad aan de opvatting dat de Schepper slechts één wereld gemaakt had, net zo min als er moreel kwaad kleeft aan de opvatting dat hij er miljoenen gemaakt heeft, en het heelal vol zit met werelden. Maar wanneer een godsdienstig stelsel groeit op een heel verondersteld scheppingssysteem dat niet waar is, en het zich er volkomen afhankelijk van gemaakt heeft, staan we voor een totaal verschillende situatie. Want op dat punt veranderen vergissingen die op zich niets met ethiek te maken hebben, in moreel kwade dingen. Want in dat geval wordt waarheid het meest essentiële aspect, het criterium dat de godsdienst bewijzen van gelijk geeft of juist tegenspreekt.


Zoals ik het zie is het de morele plicht van een ieder om alle mogelijke bewijsmateriaal dat de struktuur van de hemel of ieder ander aspect van de schepping laat zien, te vergelijken met het godsdienstig leersysteem. En dit is juist precies wat alle aanhangers van de christelijke leer -blijkbaar omdat ze van tevoren al erg opzagen tegen het resultaat- onophoudelijk tegengingen, niet alleen door de wetenschap te verwerpen maar zelfs door het vervolgen van haar vaandeldragers. Indien Newton en Descartes een paar eeuwen eerder hadden geleefd en de wetenschap op dezelfde manier beoefend zouden hebben, dan zouden ze voorzeker niet lang hebben geleefd om hun zienswijzen af te maken. En Benjamin Franklin, de uitvinder van de bliksemafleider, zou met zijn opmerking dat bliksem "gewoon electriciteit" is op de brandstapel gezet zijn.


Latere tijden hebben natuurlijk alle schuld gegeven aan Goten en Vandalen. Maar hoezeer de verdedigers van de christelijke leer ook hun best doen daarin te geloven, men kan er niet zijn ogen voor sluiten dat het donkere tijdperk van onweten begon met de consolidatie van de christelijke leer. Er was veel meer geleerdheid in de wereld vóór de christelijke tijd dan in vele christelijke eeuwen. En wat het christelijke 'weten' betreft, het was slechts een variant, een mythologisch systeem verwant aan al de anderen, en mythologische systemen zijn een corruptie van de oorspronkelijke godsdienst van het Deïsme. Alle op mythen gebaseerde godsdiensten zijn begonnen door aan te nemen dat de mens een 'speciale' openbaring heeft. De oude mythologie had nog meer openbaringen dan de christelijke. Zij had ook nog orakels en priesters die bij vrijwel elke gelegenheid het woord van God konden leveren. Aangezien al deze corrupties, van Moloch tot aan de moderne leer van de predestinatie, van mensenoffers tot aan het offer gebracht door de Schepper, op dezelfde dwaalleer van 'specifieke openbaring' gebaseerd zijn, is de meest effectieve manier om ze te voorkomen slechts te geloven dat God zich alleen in de schepping openbaart, en slechts deze schepping bestudeerd dient te worden als het enige echte Woord van God dat er ooit was, is of zal zijn. Al het andere is fabel en bedrog.


We hebben het aan de afwezigheid van wetenschap te danken -en nergens anders aan- dat we nu op die respectabele figuren die we de Klassieken noemen moeten turen over een kloof heen van vele eeuwen. Indien de vermeerdering van kennis op de natuurlijke wijze zou zijn doorgegaan zouden we steeds grotere reuzen van kennis hebben zien verschijnen, vergeleken waarbij de antieken die we zo bewonderen slechts als respectabele figuren op de achtergrond zouden staan. Maar het christelijke leersysteem heeft dit alles omgeploegd. Wanneer we gaan staan aan het begin van de 16e eeuw en naar het verleden kijken om wat van de antieke tijd te kunnen zien, moeten we onze blik werpen over een uitgestrekte zandwoestijn waarin geen enkele struik groeit, om in de verte eindelijk de vruchtbare heuvels te ontwaren.


Het is een ongelofelijke zaak dat iets door kan gaan voor godsdienst terwijl het de studie en overdenking van de door God gemaakte schepping als goddeloos beschouwt. Maar juist dit feit is de waarheid over het christendom die niet ontkend kan worden. De gebeurtenis die de eerste kink in de kabel van dit onderdrukkingssysteem legde staat bekend onder de naam Reformatie van Maarten Luther. Hoewel het in het geheel niet behoorde tot de intenties van Luther en andere hervormers, zien we vanaf dat tijdstip de wetenschap ontluiken en vrijheid van meningsuiting -haar natuurlijke metgezel- verschijnen. Dit was dan ook het enige goede dat de reformatie ons schonk, want wat de godsdienst betreft had ze net zo goed achterwege kunnen blijven. Zij ging door met dezelfde mythologie en terwijl het de Paus verwierp schiep ze er een menigte aan nationale pausen ervoor in de plaats.


Nu ik heb laten zien wat de oorzaak voor de opbloei van geleerdheid was en waarom dode talen altijd in ere gehouden worden, namelijk om wetenschap zo veel mogelijk te dwarsbomen, zal ik vervolgen met het vergelijken van, of beter gezegd, met de confrontatie tussen het christelijke leersysteem en de kennis die de wetenschap ons heeft geschonken. Dit kan niet beter gedaan worden dan door te vertellen hoe het ervoor stond in mijn jeugd. Ik twijfel er niet aan of de situatie is vergelijkbaar met die van bijna ieder ander. Ik zal de ideeën uiteenzetten, en ze voorzien van een kleine introduktie.


Mijn vader was van overtuiging een Quaker, en ik had dan ook het voorrecht een bijzonder goede morele opvoeding te krijgen en een redelijke hoeveelheid nuttige scholing. Hoewel ik de middelbare school bezocht hoefde ik geen latijn te leren, niet alleen omdat ik slecht in het leren van talen ben, maar omdat de Quakers bezwaren hebben tegen sommige dingen die in de leerboeken staan. Maar dit weerhield me er niet van kennis op te doen van alle onderwerpen die in de latijnse boeken behandeld werden. Ik had een natuurlijke aanleg voor wetenschap. Er was een periode dat ik me interesseerde voor dichtkunst, en enig talent ervoor bespeurde, maar dit onderdrukte ik, omdat ik bang was dat het me teveel de kant van fantasie op zou sturen. Meteen toen ik daarvoor het geld had, kocht ik een tweetal aardbollen en bezocht ik de lezingen van Martin en Ferguson. Later maakte ik kennis met Dr. Bevis van de Royal Society, een uitmuntend astronoom. Ik had geen aanleg voor politiek. Politiek scheen me hetzelfde toe als gekonkel. Toen ik me later met landsbestuur ging bezighouden, moest ik dan ook zelf een systeem van morele en filosofische waarden uitdokteren in overeenstemming met mijn educatie. Ik dacht een wereld van nieuwe mogelijkheden te zien in Amerika, en het scheen me toe dat indien Amerikanen zich niet onafhankelijk zouden verklaren, ze niet alleen een grote hoeveelheid nieuwe moeilijkheden zouden krijgen, maar het nooit in staat zou zijn de wereld deze nieuwe mogelijkheden waar men zijn voordeel uit zou kunnen doen, aan te bieden. Dit was dan ook de reden voor de publicatie van een geschrift met als titel "Gezond Verstand", het eerste werk van mijn hand. Voor zover ik mezelf kan beoordelen zou ik nooit in de wereld bekendheid hebben moeten krijgen als schrijver over welk onderwerp dan ook, maar de situatie in Amerika vroeg erom. Gezond Verstand werd geschreven op het eind van 1775, en uitgegeven op 1 januari 1776. De amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring werd de volgende 4e juli uitgeroepen.


Een ieder die zijn gedachten heeft laten gaan over zijn eigen ontwikkeling zal hebben kunnen opmerken dat er twee soorten van gedachten zijn: gedachten die we zelf produceren door overdenking en gedachten die zich spontaan aan ons opdringen. Ik heb deze laatste gedachten altijd met respect behandeld als gewaardeerde gasten en onderzocht ze altijd op hun bruikbaarheid. Bijna alle kennis die ik heb berust juist op deze gedachten. Wat het geleerde op school betreft, dit is slechts een klein startkapitaal dat dient als aanzet om met het opdoen van kennis te beginnen. Uiteindelijk is iedereen zijn eigen leraar. De reden hiervoor is dat principes zich niet door leren laten eigenmaken, maar door begrijpen. En begrijpen lukt des te beter naarmate men er eerder mee begint. Tot zover de introduktie.


Vanaf de tijd dat ik tot overdenken in staat was had ik moeite met de christelijke geloofsleer. Ik vond het buitenissig. De reden hiervoor begreep ik niet. Ik herinner me dat ik zeven of acht was toen ik een preek beluisterde uitgesproken door een vroom familielid van me. De preek had als onderwerp Verlossing door de dood van de Zoon van God. Nadat de preek beëindigd was liep ik de tuin in, en terwijl ik de tuintrap naar beneden liep -ik weet nog precies de juiste plek- kwam ik in grote opstand tegen hetgeen ik zojuist gehoord had. Ik dacht bij mezelf dat dit verhaal God laat optreden als een gepassioneerde man, die Zijn zoon doodde omdat er maar geen andere mogelijkheid tot wraak was. Aangezien ik er zeker van was dat een mens die zo zou handelen opgehangen zou worden, kon ik niet begrijpen wat zo'n verhaal in preken doet.


Voor mij waren dit geen kinderlijke gedachten, maar juist de meest serieuze. Ze kwamen voort uit de gedachte die ik toen al had dat God te goed is om zoiets te doen. Hij was ook veel te almachtig om zich genoodzaakt te zien zo te moeten handelen. Op dezelfde manier geloof ik hierin tot op de dag van vandaag. En ik ben bovendien van mening dat ieder geloofssysteem dat ook maar iets bevat waar een kind door overstuur raakt niet op waarheid kan berusten. Het lijkt er veelal op dat ouders zich ervoor schamen hun kinderen de leerstellingen van hun geloof uit te leggen. Soms leren ze hun kinderen moraal, ze spreken over de goedheid van de Voorzienigheid. De christelijke religie heeft eigenlijk vijf goden: God de Vader, de Zoon, de Heilige Geest, de Voorzienigheid en de Godin Natuur. Maar het christelijke verhaal van God de Vader die zijn Zoon ter dood veroordeelt, of mensen ervoor gebruikt om zijn plan te volvoeren (want dit is de implicatie), kan niet door een ouder aan een kind worden verteld. En het kind te vertellen dat de mensheid er gelukkig en beter op wordt is de zaak nog verergeren - alsof de mensheid verbeterd zou kunnen worden via een voorbeeld van ter dood brenging. Als alternatief het kind vertellen dat dit alles een ondoorgrondelijk geheimenis is, is hetzelfde als een goedkope verontschuldiging aanbieden voor iets ongeloofwaardigs.


Hoe ver staat dit alles van het eenvoudige en pure geloof van Deïsme! Een deïst gelooft slechts in één God en zijn godsdienst bestaat uit het overdenken van de grootheid, de macht en de goedheid van de godheid, te zien in al zijn werken. Een deïst poogt op basis van deze inzichten de godheid te imiteren in denken en in handelen.


De religie die in moreel opzicht het meest lijkt op het Deïsme is die van de Quakers. Maar ze hebben zich slechts gericht op het morele aspect en hebben geen oog voor al Gods werken in de schepping. Hoewel ik hun liefdadigheid bewonder, kan ik niet anders dan tot de conclusie komen dat indien de Quakers bij de schepping als adviseurs zouden zijn betrokken, het eindproduct een bijzonder saaie en grijze vertoning zou geworden zijn. Ze zouden geen bloem uitbundig hebben laten bloeien en geen vogel vrolijk hebben laten zingen.


Maar laat ik niet afdwalen. Nadat ik grondig met de globe en het planetarium kennis had gemaakt, en enig idee gekregen had van de oneindigheid van de ruimte, en van de eeuwige deelbaarheid van materie, en tenminste een algemeen overzicht had verkregen van natuurwetenschappen, bekeek ik het christelijke geloofssysteem met al deze nieuwe inzichten.
Hoewel het geen uitgesproken geloofsartikel is dat de wereld waarin we wonen de enige in de gehele schepping is, kunnen we uit het mozaïsche scheppingsverhaal en het verhaal van de zondeval en de reddingsoperatie via de dood van de Zoon van God, geen andere conclusie trekken dat dit alles lachwekkend zou zijn, indien God een menigte van werelden, zo groot als de hoeveelheid sterren, heeft geschapen. In dat geval dwarrelen al die zaken als veren die uit een kussen de lucht in vliegen. Men kan niet beide gedachten koesteren, en degene die dat wel doet heeft over allebei de gedachten weinig nagedacht. Hoewel de antieke denkers al bekend waren met de gedachte van meerdere werelden, waren ze niet bekend met het feit dat men in de laatste drie eeuwen heeft ontdekt, namelijk dat van de afstand en vorm van onze aarde. Verschillende schepen hebben alle oceanen bevaren en zijn de wereld in een cirkelgang rondgegaan; in de ene richting vertrok men om uit de tegengestelde richting weer op hetzelfde punt uit te komen. De omtrek van onze wereld op het wijdste punt is slechts 25.020 engelse mijlen en kan in tijdsbestek van drie jaar gevaren worden (indien we rekenen dat een schip drie mijl per uur aflegt zou ze deze afstand in één jaar kunnen afleggen, maar het schip moet vanwege landmassa's met omwegen gaan). Op het eerste gezicht kan deze wereld groot op ons afkomen, maar indien we het vergelijken met de oneindigheid van de ruimte waarin ze zweeft als een zeepbel of ballon, is ze kleiner dan het kleinste dauwdruppeltje in vergelijking tot de oceaan, of het kleinste zandkorreltje in vergelijking tot de wereld. De aarde is dus bijzonder klein, en ze is slechts een onderdeel van een zonnestelsel, gelijk aan zonnestelsels die ook overal elders in het heelal te vinden zijn.


Het is niet moeilijk een idee te krijgen van de oneindigheid van de ruimte waarin we ons bevinden, indien we geleidelijk ons gezichtsveld uitbreiden. Wanneer we ons in een kamer bevinden strekken onze gedachten zich uit tot aan de wanden. Maar wanneer we de ruimte in staren kunnen we ons geen muren, geen limiet, voorstellen. Indien we dit al doen, om onze gedachten tot rust te laten komen, ontstaat meteen de vraag wat zich dan wel achter die limiet bevindt. En zo kunnen we doorgaan, totdat de vermoeide geest uitroept er is geen einde. Het is in ieder geval duidelijk dat de Schepper niet om ruimte verlegen zat toen Hij onze wereld zo klein maakte. De reden ervoor moet elders liggen.


Indien we de wereld die aan ons gegeven is bestuderen, zullen we zien dat de aarde, de wateren en de lucht eromheen, boordevol leven zit, van de allergrootste dieren tot het microscopisch kleine. Elke plant, elk blad, is niet slechts een woonplaats, maar zelfs een gehele wereld voor bepaalde levensvormen. Aangezien geen enkel deel van onze wereld onbewoond is, waarom zouden we moeten veronderstellen dat de gehele rest van het heelal een naakte leegte zou zijn, een eeuwige woestenij? Er is ruimte voor ontelbare miljoenen andere werelden, ook vele grotere dan de onze. En allemaal liggen ze op miljoenen mijlen afstand van elkaar. Indien we hierop doordenken zien we misschien de ware reden, of tenminste één reden ten behoeve van ons geluk, waarom de Schepper in plaats van één onmetelijke wereld de materie liever verdeelde over een onmetelijke hoeveelheid ruimte en afzonderlijke werelden die we planeten noemen en waarvan de onze er één is. (...)Door deze enorme uitgestrektheid op te merken krijgt de mens een idee van de almacht van de Schepper, van Zijn wijsheid en goedheid. Zo maakt het idee van een eenzame aarde in een oceaan van ruimte plaats voor het veel opgewektere idee dat we een onderdeel zijn van een menigte van werelden. En overal heersen dezelfde wetten en verkondigt de struktuur van de schepping dezelfde boodschap. Maar laten we niet vergeten dat het de wetenschap is die ons dit zicht op het bestaan heeft gegeven.


Temidden van deze overdenkingen, wat moeten we nu denken van het christelijke geloofssysteem, gebaseerd op het idee van slechts één wereld, een wereld van slechts 25.000 mijl omtrek! Een omvang die een mens, gesteld dat hij 12 uur per dag met een snelheid van 3 mijl per uur zich zou voortbewegen, in twee jaar zou kunnen afleggen. Ach, wat is deze wereld in de machtige oceaan van ruimte, wat heeft dit te betekenen in vergelijking tot de almacht van God!


Welk een vreemde verwaandheid te veronderstellen dat de Almachtige, die miljoenen werelden geschapen heeft, allemaal afhankelijk van Hem, al die werelden maar aan hun lot overlaat en zich slechts met de aarde bezighoudt, dat Hij hier komt sterven omdat een man en een vrouw een vrucht at! Of moeten we nu in alle ernst ons voorstellen dat op ontelbare werelden een Eva rondliep, een vrucht groeide, een slang en een verlosser heeft? In dat geval zou de persoon die zich oneerbiedig de Zoon van God noemde en zich af en toe zelfs God noemde, niets anders te doen hebben dan zich maar van wereld naar wereld te verplaatsen om maar steeds ergens te sterven.


Al deze grillige, gefabriceerde godsdienstige denkbeelden konden slechts opgang doen omdat men de werken van God, zoals ze door onze zintuigen begrepen kunnen worden, niet wenste te zien. Er kunnen vele godsdiensten zijn die in vele opzichten moreel goed zijn, maar er kan er slechts één zijn die ook waar is. De enige godsdienst die waar kan zijn is de godsdienst die gebaseerd is op Zijn werken. En de christelijke godsdienst staat in alle opzichten hier lijnrecht tegenover.


Ik stel me altijd voor dat er mensen zijn geweest die er aan hebben toegegeven in bepaalde omstandigheden vroom bedrog te plegen om toch maar enig goeds te kunnen produceren. En wanneer het bedrog zich eenmaal gevestigd heeft kan men het niet meer ontmaskeren, aangezien ze zich uit haar eigen gewicht voortzet. De predikers die oorspronkelijk het christelijk geloof verbreidden en zich enigszins op de leringen van Jezus Christus baseerden, hebben zich ervan overtuigd dat het beter was dan de heersende heidense mythologie. En het bedrog zette zich voort in de tweede generatie predikers en in de derde, totdat het idee van vroom bedrog omsloeg in het geloof de waarheid in pacht te hebben. En vanaf die tijd was de broodwinning van de mensen die het predikten ervan afhankelijk.









Twijfelachtige middelen

Nu aangetoond is dat het ware woord van God, de schepping zoals die is, niet in overeenstemming is met wat men het woord van God noemt, zal ik de drie voornaamste middelen onder de loep nemen die men heeft gebruikt om aan de mensheid foutieve denkbeelden op te dringen. Deze drie middelen zijn geheimenis, wonder en profetie. De eerste twee zijn onverenigbaar met ware godsdienst en de derde zal altijd moeten beschouwd worden als twijfelachtig.


Wat betreft geheimenissen kunnen we natuurlijk opmerken dat alles in zekere zin een geheimenis is. Ons eigen bestaan is een mysterie. De gehele plantenwereld is een mysterie. We kunnen niet verklaren hoe het komt dat een in de grond gestopte eikel uitgroeit tot een machtige eikenboom. Hoe komt het dat het zaad zich ontwikkelt uit zichzelf en dat zoveel uit zo weinig ontstaat. Maar het is een feit dat deze dingen gebeuren, en meer hoeven we niet te weten om iets te weten. Maar hoewel alles in deze zin een mysterie is, kan het woord mysterie niet gebruikt worden met betrekking tot morele waarheid, want dat zou hetzelfde zijn als schemer uit te leggen als licht. De God waarin we geloven is een God van morele waarheid en niet een God die half verscholen gaat achter een sluier. Mysterie is de vijand van waarheid. Mysterie is slechts menselijk gefabriceerde mist; het verduistert en verdraait de waarheid. Waarheid hult zich nooit in mysterie. Religie -het geloof in God en het praktiseren van morele waarheid- kan nooit iets met geheimenissen te maken hebben. Het geloof in God heeft niets met een mysterie te maken, want het is een denkbeeld dat zich als een noodzakelijkheid aan ons opdringt. En het praktiseren van morele waarheid is niets anders dan ons gedrag onder elkaar gebaseerd op Gods goedwillige gedrag ten opzichte van allen. We kunnen God niet dienen op dezelfde manier als we hen dienen die onze diensten nodig hebben. De enige manier waarop we Hem kunnen dienen is door mee te werken aan het geluk van ieder schepsel dat God gemaakt heeft. Dit kan niet gedaan worden door ons terug te trekken en door een afgezonderd leven van egoïstische vroomheid te leven. De gehele basisnatuur van godsdienst eist dat het volledig vrijgewaard moet zijn van alles wat met mysterie te maken heeft, en op geen enkele manier door geheimenissen in de weg gezeten mag worden. Godsdienst is de plicht van iedere levende ziel en moet daarom voor een ieder even duidelijk en begrijpelijk zijn. Een mens hoeft godsdienst niet te leren zoals hij een ambacht leert. Hij leert de theorie van godsdienst via overdenking. Het ontwikkelt zich vanuit de gedachten die ontstaan bij het aanzien van het bestaan, en het kan zich zo in godsdienst trainen.


Indien men opzettelijk of via vroom bedrog een systeem opzet dat onverenigbaar is met het woord van God zoals de omringende werkelijkheid die verkondigt, en het bovendien een systeem is dat het menselijk begrip als weerzinwekkend voorkomt, heeft men natuurlijk geen andere uitweg dan het denkbeeld van mysterie in te voeren. Het mysterie diende als afdoende antwoord om alle vragen in de kiem te smoren.


Terwijl geheimenis dienst deed om alle vragen te beantwoorden, werd wonder slechts af en toe gebruikt als hulpmiddel. Het eerste verdraaide ons denken, het tweede maakte onze zintuigen in de war. Het eerste was onverstaanbare brabbeltaal, het tweede goochelarij. (...) Van alle vormen van bewijsmateriaal om een geloofssysteem of religieuze opinie geloofwaardig te maken, is het gebruik van wonderen het meest inconsequent. Ten eerste is het verrichten van wonderen om de geloofwaardigheid van een denksysteem te vergroten al een uiting van haar zwakheid. Wonderen verrichten is een opvoering van een show. In de tweede plaats maakt het uitvoeren van wonderen van God een goochelaar, verlaagt het God tot iemand die zich vermaakt met het imponeren van mensen die met open mond blijven staren. Het is ook het meest dubbelzinnige soort bewijsmateriaal dat maar gegeven kan worden, want de basis voor een geloof zou op geen enkele manier moeten steunen op zoiets als een wonder, maar slechts op de uitmuntendheid en waarheid van denkbeelden waar iemand mee aankomt. Stel dat ik zou beweren dat dit boek geschreven werd door een hand die zomaar uit het niets verscheen, zich in de lucht bewoog en begon te schrijven. Zou iemand mij geloven? Natuurlijk niet. Zou iemand er in geloven zelfs als het waar zou zijn? Natuurlijk niet. Aangezien een wonder, zelfs wanneer het zou gebeuren dus niet te onderscheiden is van onzin, kunnen we er zeker van zijn dat de Almachtige zich niet van deze dingen bedient om ons waarheden te leren. Indien iemand zich beroept op een wonder is het een miljoen keer zo aannemelijk dat hij liegt dan dat het een echt wonder zou zijn, want we hebben nooit een wonder gezien, maar zijn wel ontelbare leugens tegengekomen.


Het verhaal van Jona die door een walvis wordt opgeslokt is een verhaal dat ons voorstellingsvermogen tot het uiterste rekt. Maar het zou meer weg hebben van een wonder indien Jona de walvis had opgeslokt. Indien dit laatste nu eens dienst mag doen voor alles wat een echt wonder heet, welk van de twee mogelijkheden zou waarschijnlijker zijn, dat het een leugen is of een waar gebeurde geschiedenis? Maar stel je nu voor dat Jona werkelijk de walvis had opgeslokt en ermee in zijn buik naar Nineve ging, en vervolgens, om de mensen aldaar maar te overtuigen van zijn gelijk, de walvis uitgebraakt had voor hun ogen, dan zouden ze eerder geloven dat hij de duivel zelf was dan een profeet. En indien de walvis naar Nineve was vertrokken en Jona daar had uitgebraakt, zouden ze geloofd hebben dat de walvis de duivel was en Jona één van zijn demonen.


Het meest buitengewone wonder van het Nieuwe Testament is het verhaal van de duivel die Jezus Christus meevoert naar de top van een hoge berg om hem alle koninkrijken der wereld maar te laten zien. Hoe komt het dat Amerika niet toen al ontdekt werd; was het omdat deze roetachtige hoogheid slechts koninkrijken van enige waarde schatte?


Ik heb teveel respect voor het morele karakter van Christus om te geloven dat hij deze walvis van een verhaal vertelde. Bovendien is het moeilijk aan te geven met welk doel zo'n verhaal gegeven zou kunnen zijn, behalve als het dient om indruk te maken op de liefhebbers van wonderen, zoals de stuivers van koningin Anna en relekwieën indruk maken op verzamelaars; of als het dient om het geloof in wonderen belachelijk te maken door een wonder te overtreffen op de manier waarop Don Quichote ridderschap overtrof; of om het geloof in wonderen twijfelachtig te maken door te laten zien dat het niet bepaald gemakkelijk is de wonderen van God van de wonderen van de duivel te onderscheiden. Men zal er echter een hoop geloof in de duivel voor nodig hebben om zoiets als dit serieus te nemen.


In alle opzichten is een wonder niet alleen onwaarschijnlijk, maar ook volkomen onnodig. Wonderen -als ze al zouden gebeuren- dienen geen enkel doel. Want het is veel moeilijker te geloven in een wonder dan geloof te schenken aan een overduidelijk moreel principe zonder wonder. Geloof in wonderen verplaatst ons geloof in God naar geloof in de mens, iemands verhaal. Indien een geloof zich beroept op wonderen zou het dus eerder een reden zijn voor de twijfelachtigheid ervan. Voor het eerlijke en oprechte karakter van de waarheid is het noodzakelijk dat zij zonder krukken staat. Maar voor het onderbouwen van valsheden is het noodzakelijk het wonder aan te wenden. Laat dit genoeg zijn wat betreft het geheimenis en het wonder.


Geheimenis en wonder zorgde voor het verleden en het heden. Profetie nam dus de taak op zich om alle tijden van geloof af te ronden. Het was dus ook nodig om nog te laten zien waar geloof in de toekomst toe in staat is. De profeet was dan de man die aan geschiedschrijving van de toekomst deed. Indien het zo gebeurde dat hij met z'n lange boog duizend jaar de toekomst in schoot, en zijn aankondiging duizend mijl van het doel terecht kwam, dan kon de vernuftigheid van latere generaties er altijd voor zorgen dat de pijl weer precies in de roos belandde. En indien het echt niet meer zo uitgelegd kon worden, dan had men nog altijd de redenering achter de rug dat God berouw had van wat Hij zich voornam te doen, en zijn plannen wijzigde. O, wat maken deze geloofssystemen toch dwazen van mensen!


Zoals we al eerder zagen werd de betekenis van profeet langzamerhand veranderd. Oorspronkelijk was alle wartaal en al het onbegrijpelijke profetisch. Ieder onnozel detail was een teken. Iedere blunder zou voor profetie kunnen doorgaan en elke dweil voor een teken.


Indien we nu aannemen dat God aan een man iets meedeelde wat in de toekomst gebeuren zou, dan zou men ook mogen verwachten dat hij in verstaanbare taal zou spreken, en niet dat hij dit alles in verhulde bewoordingen en her en der verstopt, voor de toehoorders zo onbegrijpelijk en dubbelzinnig mogelijk zou zeggen, zodat dat ze er later vanalles van zouden kunnen maken. Men heeft wel een zeer oneerbiedig beeld van de Almachtige wanneer men veronderstelt dat Zijn omgang met de mensheid uit zo'n grap bestaat. En juist alle zogenaamde profetieën uit de bijbel vallen onder deze beschrijving.


Maar het is met profetie al precies zo als het is met wonderen: zelfs al zou het waar zijn zou het geen doel dienen. De mensen waartegen de profetie uitgesproken werd zouden niet kunnen vertellen of de man profeteerde of loog, of het aan hem geopenbaard werd of dat het slechts waandenkbeelden waren. En indien het geprofeteerde al gebeuren zou tijdens hun leven, zouden ze nog nooit weten of hij het nu van te voren geweten had of slechts geraden, of dat het toeval was. Een profeet is dus zowel nutteloos als onnodig. Om gezond door het leven te gaan moet men juist altijd op zijn hoede zijn geen geloof te hechten aan zulke personen.


Geheimenis, wonder en profetie behoren dus tot het rijk der fabelen, en niet tot ware godsdienstigheid. Met behulp van deze dingen hebben de godsdiensten zich met hun Zie hier! en Zie daar! weten te verspreiden over de gehele wereld en heeft men van godsdienst een handeltje gemaakt. Het succes van de ene bedrieger gaf voedsel aan de andere. En de gestadige stroom van tegelijkertijd toch ook iets goeds te doen, weerhield de vrome bedrieger ervan er ooit spijt van te hebben.









Samenvatting

Ik heb uitvoeriger geschreven dan ik van plan was, en zal het onderwerp besluiten door een samenvatting te geven.


Ten eerste:
Het idee dat Gods Woord op schrift staat of uit woorden bestaat is onterecht. De redenen voor het verwerpen ervan zijn het ontbreken van universele en onveranderlijke taal, de onmogelijkheid iets feilloos te vertalen in een andere taal, de mogelijkheid zulk een woord te onderdrukken, de mogelijkheid het te veranderen, of het geheel te fabriceren en via bedrog de wereld in te brengen.


Ten tweede:
De waarneembare schepping is het ware en eeuwige Woord van God. Door dit woord van God kunnen wij nooit bedrogen worden. Zij verkondigt Zijn macht, zijn wijsheid en zijn goedheid.


Ten derde:
Het is de morele taak van de mens deze morele goedheid en mildadigheid van God ten aanzien van alle schepselen na te volgen. Hetgeen we van Gods werken zien is dagelijks een voorbeeld dat ons oproept hetzelfde te doen. Bijgevolg is alle vervolging en wraak van de mens tegen zijn medemens, en alle wreedheid ten aanzien van dieren, een schending van onze morele plicht.


Ik maak me geen zorgen over een toekomstig bestaan. Ik stel me tevreden met te geloven dat de Macht die mij in leven heeft geroepen ook bij machte is dit, op welke manier het Hem maar behaagt, opnieuw te doen.


Overal op aarde gelooft men in God. De dingen waar men van elkaar van mening verschilt zijn allemaal overbodige zaken die men aan het geloof heeft verbonden. Indien er ooit eens een universele religie ontstaat zal die zich niet kenmerken door iets nieuws te prediken, maar door alle overbodige ballast weg te doen, en door terug te gaan naar het oorspronkelijke geloof. Indien Adam al ooit geleefd heeft was hij een Deïst. Maar voor het zover is, laat een ieder de religie aanhangen welke hij verkiest. Hiertoe heeft men het recht.




Einde van het eerste deel



Vertaling: Albert Vollbehr, 2005






Zes uur nadat Paine (1737-1809) het manuscript van deel 1 had afgegeven ter publikatie werd hij gearresteerd. Tijdens de Franse revolutie kwam hij door toedoen van Robespierre in de gevangenis terecht omdat hij bloedvergieting veroordeelde en het lef had gehad tegen de executie van Louis XVI te stemmen. In de gevangenis schreef hij onder voortdurende dreiging van de guillotine deel 2. Uiteindelijk redde de executie van Robespierre zijn leven. Zijn boek verscheen in 1798 in een nederlandse vertaling "Eeuw der rede". Voor zover mij bekend is, is dit boek in Nederland volkomen vergeten, hoewel deze man algemeen beschouwd wordt als de invloedrijkste amerikaanse denker uit de 18e eeuw. Paine's traktaat Common Sense (1775/76) werd in een oplage van drie miljoen verkocht, en was de aanzet tot de onafhankelijkheid van Amerika. Ook de Rechten van de Mens zijn van de hand van Paine, evenals de benaming United States of America. Thomas Paine wordt op het internet slechts een paar maal vermeld op nederlandstalige sites en de tekst van zijn boek Het Tijdperk van de Rede was niet te vinden in het nederlands voordat ik er een vertaling van maakte.
Hoe dit boek overal insloeg als dynamiet blijkt al hieruit dat in Nederland wel 11 maal het boek "Waerschouwing" van de Amsterdamse hoogleraar Jacob van Nuys Klinkenberg werd herdrukt! Overal werd zijn naam met modder besmeurd en overal werd hij uitgeroepen als de meest te verachten man. Dit ging tenminste een eeuw lang door. Thomas Edison, een groot bewonderaar van Paine, klaagt er in 1925 in een korte verhandeling over dat niemand Paine kent, omdat zijn geschriften op scholen verboden zijn te lezen en hij in verhalen altijd wordt belasterd.
De werkelijke waarde van zijn boek zal nu opgemaakt kunnen worden uit de verbluffende mate van moderniteit van gedachten, zelfs meer dan 200 jaar later. "The world is my country, and to do good my religion" was zijn slogan die klinkt alsof hij vandaag werd uitgesproken, evenals de volgende uitspraken:

"The belief in a cruel god makes a cruel man."

"My own mind is my own church."

"I believe in the equality of man, and I believe that religious duties consist in doing justice, loving mercy, and endeavoring to make our fellow-creatures happy."

"Any system of religion that shocks the mind of a child cannot be a true system."

Paine's Age of Reason is opvallend als het eerste geschrift in de engelse taal waarin het christelijke geloof radikaal wordt aangevallen in voor iedereen verstaanbare taal, zonder ironie, haat of vermaak, maar als doodernstige zaak en eerlijk zoeken naar de waarheid. Men zal uit de tekst ook opmerken dat Paine zich niet slechts richtte tegen de Katholieke kerk, noch een verlicht Protestant wenste te zijn, zoals men hem vaak afschildert, noch een atheïst was, waar de tegenstanders in zijn tijd hem voor uitmaakten. Zijn bedoeling was het christendom volledig achter zich te laten, om juist eer te doen aan God en het leven.

Albert Vollbehr



Het tijdperk van de Rede, deel 2

Essays and letters of Thomas Paine

Common Sense