Thomas Paine: Het tijdperk van de Rede, deel twee
Hoofdstuk 10




De brieven van Paulus

De brieven die aan Paulus worden toegeschreven, veertien stuks, vormen bijna de rest van het Nieuwe Testament. Of ze nu door Paulus geschreven werden of niet, is een zaak van gering belang, omdat de schrijver, wie hij ook geweest moge zijn, zijn leringen via de kracht van het argument aan de man tracht te brengen. Hij maakt er zelfs geen aanspraak op ooggetuige te zijn geweest van gebeurtenissen zoals de opstanding en ten hemel varing! Hij getuigt er zelfs van dat hij niet in de gebeurtenissen geloofde!


In plaats daarvan krijgen we een verhaal dat hij op weg naar Damascus door een verblindend licht op de grond werd geslagen. Dit verhaal op zich heeft niets wonderbaarlijks of buitengewoons. Hij overleefde het, en dat is wat vele anderen niet gedaan hebben. Dat hij daarna drie dagen niet kon zien en niet in staat was te eten en te drinken is niet meer dan wat we zouden verwachten bij een dergelijke gebeurtenis. Zijn metgezellen schijnen er niet zo'n last van gehad te hebben, want ze waren kwiek genoeg om hem op de plaats van bestemming te brengen. Zij kwamen ook niet met een verhaal een visioen gehad te hebben.


Het karakter en de persoon van Paulus bergt, volgens de overleveringen over hem, een grote hoeveelheid geweld en fanatisme in zich. Hij vervolgde de gelovige christenen met evenveel vuur en vlam als hij later aan hun zijde stond. De schok die hij ervoer veranderde zijn denken, maar niet zijn constitutie. Of hij nu Jood was of Christen, hij was dezelfde felle verschijning. Zulke mensen zijn nooit goed bewijsmateriaal van morele leringen van welke kleur dan ook. Het zijn extremisten, zowel in woord als in daad.


De lering waar hij nu mee komt is de opstanding van het aardse lichaam, en hij brengt dit naar voren als bewijs voor onsterfelijkheid. Maar dezelfde argumenten kan men net zo goed als bewijsmateriaal voor het tegendeel beschouwen. Want indien ik gestorven ben, en ik in hetzelfde lichaam weer tot leven kom, dan zal ik tot de conclusie moeten komen nog een keer te moeten sterven. Opstanding geeft mij net zo min bescherming tegen de herhaling van het doodgaan, als een doorstane koortsaanval mij immuun maakt voor een volgende koortsaanval. Om in onsterfelijkheid te kunnen geloven moet ik met een meer verheven idee aankomen dan waartoe de trieste lering van de opstanding leidt. Zo ik zou mogen kiezen en zo ik zou hopen, dan zou het een beter lichaam en een betere vorm moeten zijn daar de huidige. Elk dier in de schepping heeft wel iets dat boven ons uit stijgt. De gevleugelde dieren zoals insekten, adelaars en duiven, kunnen in een minuut grotere afstanden afleggen, en bovendien veel gemakkelijker reizen, dan een mens in een uur. De sierlijke gang van de kleinste vis is onvergelijkelijk veel efficinter dan die van de mens, en mat bovendien niet af. En zelfs een langzame slak kan uit een put klimmen, waar een mens in zou omkomen. Een spin kan zich van boven laten vallen alsof het een heerlijk spelletje is. Waar een mens lichamelijk toe in staat is, is z weinig, en zijn zware constructie zit genot z in de weg, dat er in het geheel geen reden is om te hopen dat Paulus gelijk heeft. Hij heeft veel te weinig te bieden in een zaak van zulke grootse, sublieme afmetingen.


Maar los van deze kanttekeningen, er is geen enkele manier om het hiernamaals voor te stellen dan dat onsterfelijkheid de voortzetting is van bewustzijn. Het bewustzijn is zelfs in dit leven niet aan n en dezelfde vorm gebonden. Ons lichaam verandert voortdurend, en toch blijven wij dezelfde personen. Zelfs hele armen en benen, tesamen zo ongeveer de helft van wat een lichaam is, behoren niet tot het bewustzijn. Men kan ze verliezen of ze wegnemen, terwijl we toch hetzelfde bewustzijn blijven. En indien men ze zou verwisselen voor vleugels of andere uiteinden, dan zouden we toch precies dezelfde personen blijven. Kortom, we weten niet hoe veel, of beter gezegd, hoe klein de hoeveelheid is die tot ons bewustzijn behoort, en waar het uit bestaat. En alles wat er om het bewustzijn heen is, is als de schil en het vlees van een perzik. Wie kan uitleggen wat het verband is tussen de kleinste materie en de gedachte? En toch kan een gedachte, zoals ik die nu opschrijf, onsterfelijk zijn. En dit is het enige onsterfelijke dat de mens produceert. Dat bewustzijn in het geheel niet bepaald wordt door n en dezelfde lichamelijke vorm wordt ons ook al geleerd in de dierenwereld. In de gedaanteverwisselingen die we in de dierenwereld tegenkomen krijgen we een beter beeld van onsterfelijkheid dan Paulus het ons ooit zou kunnen leren. Hun korte leven laat als gelijkenis een aarde en een hemel zien, een tegenwoordige en een toekomende staat van zijn, om zo te zeggen onsterfelijkheid in een notendop. Tot het mooiste in de schepping behoren de gevleugelde insekten, maar in oorsprong zijn het geen gevleugelde dieren. Ze verkrijgen die niet te overtreffen schoonheid via opeenvolgende stadia. De langzaam voortkruipende rups van vandaag zien we een paar dagen later in een verstijfde vorm die op de dood gelijkt, maar wordt vervolgd door die onovertrefbare gedaanteverwisseling die al het miniatuurleven karakteriseert, en de rups verandert in een prachtige vlinder. De vlinder lijkt in niets meer op zijn vorige verschijning; alles is veranderd, al zijn eigenschappen zijn nieuw, het leven is voor de vlinder iets totaal anders dan voor zijn vroegere verschijning. Wij kunnen het ons niet voorstellen dat het bewustzijn van dit dier ook in iets anders zou veranderen dan wat het tevoren was. Waarom moet ik dan wl geloven dat de opstanding van hetzelfde lichaam noodzakelijk is om het bewustzijn in het hiernamaals te kunnen ervaren?
In het vorige deel van de Eeuw der Rede heb ik de schepping het enige en ware Woord van God genoemd, en dit voorbeeld laat niet slechts zien dat het zo zou kunnen zijn, maar laat zien dat het precies zo s. Zou zo men rationeel kunnen geloven in een leven na de dood, gebaseerd op feiten die men in de schepping tegenkomt. Het is voor mij niet moeilijker om te geloven in een beter leven na de dood dan het voor mij een probleem is te geloven dat een rups in een vlinder kan veranderen, en de mesthoop omruilt voor het luchtruim. Ik zou dit laatste nooit geloven indien de feiten het niet bewezen.


Maar laten we teruggaan naar de twijfelachtige woorden van Paulus in 1 Kor. 15, woorden die betrekking hebben op een begrafenisritueel van christelijke sektarirs. De woorden zijn net zo leeg van inhoud als het klokgelui bij een begrafenis. Het voegt totaal geen begrip toe, het voedt de verbeelding op geen enkele manier, het laat de lezer slechts tevergeefs zoeken naar betekenis. "Elk aards lichaam is anders (zegt hij), het lichaam van de mens is n ding, dat van een dier een ander, en dat van een vogel weer anders." En wat volgt daar nu uit? Totaal niets. Een kok zou ons hetzelfde hebben kunnen vertellen. "Er zijn hemelse lichamen en aardse, maar de schittering van een hemels lichaam is anders dan die van een aards lichaam." En wat volgt hieruit? Alweer totaal niets. En om welk verschil gaat het nu eigenlijk? Niets wat iedereen niet altijd al wist. "Er is (zegt hij) een andere schittering van de zon dan van de maan, en die van de maan is weer anders dan die van de sterren." En als dat nu zo is, so what? Het enige dat hij onderwijst is dat de ene ster van de andere verschilt "in heerlijkheid", en hij niet begrijpt dat het aan de afstand ligt. En hij impliceert dat de maan schijnt als de zon, maar slechts in mindere mate. Hij doet dus niet anders als iedere kristallenbolwaarzegger doet: spreek een paar frases uit die je zelf ook niet begrijpt, en leg die aan het goedgelovige volk voor dat naar je toestroomt om over de toekomst te weten te komen. Priesters en waarzeggers beoefenen precies hetzelfde ambacht.


Soms lijkt het er op dat Paulus een naturalist is en zijn opvattingen over de opstanding met behulp van de botanie staaft: "Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen." Hier zou men in dezelfde stijl van Paulus kunnen tegenwerpen: "Dwaas die u bent! Dat wat gezaaid wordt komt niet tot leven indien het niet al levend was, want het zaad dat zogenaamd sterft, sterft in het geheel niet. Slechts iets wat leeft kan de volgende oogst produceren. Paulus maakt anderen dus uit voor dwaas terwijl hij het zelf is.


Of hij nu de auteur van de brieven op zijn naam was doet er helemaal niet toe. Ze berusten op de autoriteit van de argumentering of op dogma's zonder meer. De argumentatie gaat niet op en de dogma's zijn uit de lucht gegrepen, om het even wie ze opschreef. Hetzelfde geldt voor de rest van het Nieuwe Testament. Het theoretische fundament van de christelijke kerk ligt niet in de brieven, maar in het evangelie, dwz in de vier boeken toegeschreven aan Matthes, Lukas, Markus en Johannes, en op de zogenaamde profetien. De brieven zijn daarvan afhankelijk en volgen automatisch het lot van de eerstegenoemden. Indien het verhaal van Jezus Christus opgemaakt is, vallen ook alle redeneringen die op het verhaal gebouwd zijn in duigen.


De geschiedenis vertelt ons van een belangrijke kerkvader Athanasius, gestorven in 371. Hij liet ons religieus gewauwel na die onder de naam geloofsbelijdenis bekend staan. Hij laat ook licht schijnen op het dubieuze karakter van de kerkvaders die voor het Nieuwe Testament verantwoordelijk waren, en laat weten hoezeer de boeken ervan in zijn tijd betwijfeld werden. Uiteindelijk werd het Nieuwe Testament tot Woord van God verheven via stemming, Athanasius optredend als n van de stemmers. Niets kan ons absurder toeschijnen dan iets tot Gods Woord uit te roepen via stemming. Zij die hun geloof op zo'n authoriteit laten berusten stellen de mens boven God en hebben geen fundament om op te staan wat betreft hun toekomstige zaligheid. Goedgelovigheid is geen misdaad. Misdaad wordt het pas wanneer overtuiging geeist wordt. Op deze manier wurgt men het geweten dat in alle eerlijkheid op zoek naar de waarheid is. Men dient in geen enkele zaak van zichzelf geloof te dwingen.


Ik besluit hiermee de bespiegelingen over het Oude en Nieuwe Testament. Het bewijs dat ze vervalsingen zijn heb ik uit de teksten zelf gehaald. Dit werkt als een tweesnijdend zwaard: het is moeilijk het bewijsmateriaal te ontkennen, want het is bewijsmateriaal afkomstig uit de schrift zelf; indien men echter het bewijs toegeeft kan de schrift niet heilig zijn. De tegenstrijdige onmogelijkheden die we in het Oude en Nieuwe Testament vinden hebben veel weg van een man die in een rechtzaak zowel vr als tegen is. Allebei zijn uitspraken veroordelen hem tot meineed, allebei zijn uitspraken tasten zijn reputatie aan.
Indien het gezag van de bijbel na dit schrijven vervalt, ben ik hier niet voor verantwoordelijk. Wat ik gedaan heb is slechts het verwarde materiaal op een duidelijke en gemakkelijk te begrijpen wijze op een rijtje te zetten. Ik heb mijn werk nu gedaan en laat het aan de lezer over zijn conclusies zelf te trekken, zoals ik dit ook zelf deed.