Thomas Paine: Het tijdperk van de Rede, deel twee
Hoofdstuk 9




Het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament is, zo vertelt men ons, gefundeerd op de profetiën die in het Oude Testament voorkomen. Indien dit zo is, dan moet het Nieuwe Testament in overeenstemming zijn met het Oude.

Aangezien er niets vreemd is aan een verhaal dat een vrouw voordat ze gaat trouwen een kind krijgt, en dat de zoon die ze voortbrengt uiteindelijk terechtgesteld wordt, zelfs als onschuldige, zie ik geen reden om niet te geloven dat de vrouw Maria en haar man Jozef heette, en dat Jezus bestaan heeft. Of ze bestaan hebben is geheel om het even, voor het wel of niet bestaan van deze personen hebben we geen doorslaggevende argumenten. 'Wellicht hebben ze bestaan' is het enige dat we erover kunnen zeggen. Of we zullen zeggen dat het waarschijnlijk is dat er personen waren die deels met hun beschrijving overeenkwamen, want zoals we weten zijn bijna alle romantische verhalen wel geïnspireerd door een waar voorval; een voorbeeld is Robinson Crusoe, een verhaal waar geen woord van waar is, maar dat zijn aanleiding vond in het geval van Alexander Selkirk.

Waar het mij om gaat is niet of deze personen bestaan hebben, maar de fabels aan de kaak te stellen die het Nieuwe Testament over Jezus Christus vertelt, en de wilde, visionaire leerstellingen die hierop verder bouwen. Het verhaal genomen zoals het er staat is godslasterlijk obceen. Een jonge vrouw die in ondertrouw is, wordt, om het in heldere taal te zeggen, door een geest verleidt onder het schandelijke voorwendsel dat "de Heilige Geest op u zal komen, en de kracht van de Allerhoogste u zal overschaduwen" (Lukas 1: 35). Desalniettemin trouwt Jozef met de zwangere vrouw, en leeft hij met haar als zijn vrouw op zijn beurt als rivaal van de geest (Maria had volgens Matth. 13: 55, 56, verscheidene zonen en dochters). Ik vertel het verhaal slechts in bewoordingen zo duidelijk, dat het schaamrood op de kaken van alle priesters zou moeten verschijnen.

Obsceniteit in geloofszaken, hoezeer ook verdoezeld, is altijd een teken van verdichtsels en valse voorstellingen. Want voor serieuze godsdienstbeoefening is het noodzakelijk dat we geloof nooit verbinden met verhalen die ons tot belachelijke voorstellingen aanzetten. Op het eerste gezicht is dit verhaal eenzelfde verhaal als wat ons verteld wordt over Jupiter en Leda, of Jupiter en Europa, of welk verhaal dan ook over de liefdesavonturen van Jupiter. Het laat meteen al zien -zoals ik ook in deel 1 van Het Tijdperk van de Rede heb geschreven- dat christelijk geloof gebouwd is op de mythologie van het heidendom.


Aangezien de geschiedschrijving betreffende Jezus Christus in het Nieuwe Testament slechts een zeer korte tijd omspant, minder dan twee jaar, en alles zich afspeelt in hetzelfde land, vaak op dezelfde paar plaatsen, kan men hier niet in dezelfde overmaat de tegenstrijdigheden verwachten aangaande tijd, plaats en omstandigheden, die zo het Oude Testament telkens door de mand laten vallen, en ze als later opgemaakte historie kenschetsen. In vergelijking met het Oude Testament is het Nieuwe een eenaktsklucht, waarin geen ruimte bestaat voor een groot aantal fatale blunders. Er zijn echter wel enige zeer in het oog lopende tegenstrijdigheden, die geheel afgezien van de valse zogenaamde profetiën, al voldoende zijn om de onwaarheid van het verhaal over Jezus Christus aan te tonen.

Ten eerste poneer ik als niet tegen te spreken, dat de overeenstemming van alle onderdelen in een verhaal geenszins de waarheid van het verhaal aantonen, aangezien het gehele verhaal verzonnen kan zijn. Ten tweede dat tegenstrijdigheden in details bewijzen dat het verhaal in zijn geheel niet waar kan zijn. Overeenstemming bewijst de waarheid van een verhaal dus niet, maar tegenstrijdigheid heeft wél bewijskracht het verhaal als opgemaakt te beschouwen.


De geschiedenis van Jezus Christus bevindt zich in de boeken die worden toegeschreven aan Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes. Het eerste hoofdstuk van Mattheüs begint met een stamboom van Jezus Christus. In het derde hoofdstuk van Lukas wordt ook een stamboom gegeven. Indien ze in overeenstemming met elkaar zouden zijn, zou het de stamboom niet als betrouwbaar bewijzen, want het zou nog steeds kunstmatig gefabriceerd kunnen zijn. Maar indien de stambomen elkaar op elk punt tegenspreken dan is zeer duidelijk sprake van fabricage. Indien Mattheüs de ware stamboom geeft, dan heeft Lukas het bij het verkeerde eind, en andersom. En aangezien we met geen mogelijkheid kunnen bepalen wie van de twee gelijk heeft, en dus vanaf het begin al van geen van tweeën zeker kunnen zijn, om welke reden zouden we dan nog verder moeten lezen en al het volgende wat er gezegd wordt moeten geloven? Er is maar één waarheid, en hoezeer we ook in inspiratie en openbaring zouden geloven, het kan niet in strijd met de waarheid zijn. Ofwel de mannen die men apostelen noemt hebben ons valse zaken voorgeschoteld, ofwel anderen hebben die boeken in hun naam geschreven of laten ze op hen teruggaan, zoals in menig geval in het Oude Testament.

Mattheüs geeft ons een stamboom vanaf David via Jozef, naar Christus. Hij telt 28 generaties. Het boek Lukas geeft een stamboom van Jezus, via Jozef, de man van Maria, tot David, en maakt er 43 generaties van. Op de namen van Jozef en David na zijn alle namen die genoemd worden verschillend.
Vanaf de geboorte van David tot aan de geboorte van Christus is tenminste 1080 jaar. En aangezien dit exclusief de leeftijd van Christus is hebben we in Mattheüs dus 27 volle generaties. De gemiddelde leeftijd waarop ieder persoon in de lijst zijn eerstgeborene kreeg is dus 1080 gedeeld door 27, dwz 40 jaar. Het is natuurlijk absurd te geloven dat al deze mannen ongetrouwd waren voor hun 40ste jaar, vooral wanneer we lezen dat Salomo, de zoon van David zijn huis al vol had met vrouwen en bijvrouwen toen hij pas 20 jaar oud was. Wat Mattheüs betreft hebben we dus geeneens een redelijke leugen onder ogen. De lijst van Lukas geeft een gemiddelde leeftijd van 26, en dit is ook te hoog.
Welnu, indien we zelfs de stamboom niet kunnen vertrouwen, hoe zouden wij deze mannen moeten geloven wanneer ze beweren dat hij de zoon van God was, verwekt door een geest, aangekondigd door een engel, en dit alles in het geheim aan zijn moeder? Indien de aardse genealogie al gelogen is, hoe zouden we het kunnen vermijden niet ook de hemelse genealogie maar als gefabriceerd te beschouwen? Kan enig denkend mens zijn toekomstig geluk baseren op een zo'n onmogelijk verhaal, een verhaal dat de grenzen van fatsoenlijkheid overschrijdt, en verzonnen door personen die meteen al door de mand vallen? Zouden we ons geloof niet beter kunnen baseren op een duidelijk, puur en onvervalst geloof in God op basis van zijn openbaring in de natuur, hetgeen men Deïsme noemt, dan ons onder te dompelen in een oceaan van onwaarschijnlijke, irrationele, onfatsoenlijke en tegenstrijdige vertelsels?


De eerste vraag waarvoor we staan, in het Nieuwe Testament precies zo als in het Oude, is de vraag of ze werkelijk geschreven zijn door de personen aan wie men ze toeschrijft. Want dit is de basis voor de betrouwbaarheid van de vreemde zaken die erin vermeld staan. Wat deze vraagstelling betreft, valt er op het eerste gezicht niets voor of tegen te zeggen, en het enige wat we zouden kunnen concluderen is dat de zaak twijfelachtig is, en twijfel is het omgekeerde van geloof. De staat waarin de verslagen verkeren laten echter zien dat ze niet door ooggetuigen zijn geschreven, maar de namen Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes hier pas later aan gegeven zijn om ze meer gewicht te schenken. Het ontbreken van een gedegen chronologie in de vier boeken, het zwijgen van een evangelie in zaken die een ander evangelie weer wel vermeldt, en de tegenstrijdigheden die tussen de verslagen gevonden kan worden, impliceren dat ze het produkt zijn van individuen die niet van elkaar op de hoogte waren, en dat ieder op zich zijn eigen versie van legenden opschreef, vele jaren na de gebeurtenissen waarvan ze pretenderen verslag te doen. In ieder geval zijn ze niet het produkt van mannen die in intieme gemeenschap met elkander leefden, zoals de mannen die men apostelen noemt verondersteld zijn te hebben geleefd. Ze zijn dus geproduceerd -net als de boeken van het Oude Testament- door andere mensen dan de namen die ze dragen.


Het verhaal van wat de kerk noemt "de onbevlekte ontvangenis" wordt in de evangelies van Markus en Johannes niet eens aangestipt. En in Mattheüs is de gang van zaken verschillend van die van Lukas. De eerste vertelt dat een engel verscheen aan Jozef, de laatste laat de engel verschijnen aan Maria. Maar of het nu Maria of Jozef geweest is, ze zijn beiden de laatsten die voor deze gebeurtenis als getuigen zouden mogen optreden. Stel je een ongetrouwd meisje in de tegenwoordige tijd voor die zwanger wordt en zweert dat ze door een geest zwanger gemaakt was, en dat ze dat wist omdat een engel haar dat gezegd had, zou iemand haar geloven? Natuurlijk niet. Waarom dan, zouden wij zoiets moeten geloven over een ander meisje, dat we niet eens kennen, en wiens verhaal verteld wordt door niemand weet wie, wanneer en waar? Hoe inconsequent is het te stellen dat dit soort gebeurtenissen, die elk waarschijnlijk klinkend verhaal twijfelachtig zou maken, nu aangewend worden als motief om juist dit verhaal te geloven, een verhaal waarop alle kenmerken van onmogelijkheid en falsificatie geschreven staan!

Het verhaal van Herodus die alle kinderen onder de twee uitmoordt, wordt slechts in Mattheüs vermeld. Niet één van de andere evangelies heeft er zelfs maar een verwijzing naar. Indien zoiets echt gebeurd was, zou het algemeen bekend moeten zijn en zo'n indruk gemaakt hebben dat niemand dit zou kunnen weglaten te vermelden. Andere zo indruk makende details waren de geschreven tekst die boven Christus geplaatst werd toen hij gekruisigd werd en het uur van zijn kruisiging. De inscriptie wordt als volgt gegeven:
Mattheüs: Dit is Jezus, de koning der Joden.
Markus: De koning der Joden.
Lukas: Dit is de koning der Joden.
Johannes: Jezus van Nazareth, koning der Joden.
Volgens Johannes 19: 14 werd Jezus pas berecht omstreeks het zesde uur (midden van de dag), en bijgevolg vond de kruisiging 's middags plaats. Maar Markus 15:25 geeft het precieze uur van zijn kruisiging, het derde uur (dwz negen uur 's morgens).
Hoewel dit triviale zaken zijn, mogen we hieruit concluderen dat de schrijvers, wie ze ook geweest mogen zijn en in welke tijd ze ook geleefd mogen hebben, in ieder geval geen ooggetuigen geweest zijn. De verslagen aangaande de kruisiging zijn op verschillende andere punten met elkaar in tegenstrijd. Het aan Mattheüs toegeschreven boek vermeldt in 27: 45 "Rond het middaguur viel er duisternis over heel het land, die drie uur aanhield", en in verzen 51-53: "Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën, en de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven werden geopend en de lichamen van veel gestorven heiligen werden tot leven gewekt. Na Jezus' opstanding kwamen ze uit hun graven, gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal mensen." Deze ongelofelijke zaken waarvan Mattheüs weet heeft, worden totaal niet ondersteund door de andere evangelieschrijvers, ook niet door Johannes die zo gedetailleerd de kruisiging beschrijft. Indien deze zaken werkelijk gebeurden, en indien de evangelieschrijvers werkelijk leefden tijdens die gebeurtenissen, zouden ze als historici, zelfs zonder de hulp van inspiratie, deze dingen nooit hebben kunnen laten weglaten. Indien dit feiten waren, zouden ze teveel bekendheid hebben gehad en indruk hebben gemaakt om ze onvermeld te laten. De aardbeving zou in het geheel niemand ontgaan zijn, het openen van de graven en de opstanding van overleden mensen, en hun rondlopen in de stad, zou nog groter ophef gemaakt hebben. Een aardbeving is een natuurverschijnsel en bewijst niets, maar de opstanding van doden was bovennatuurlijk, en had regelrecht betrekking op de leer, hun optreden en hun claim apostels te zijn. Indien dit werkelijk waar geweest was, zouden hele hoofdstukken hieraan gewijd zijn, en zouden alle schrijvers in koor dit geliefde onderwerp in geuren en kleuren aangesneden hebben. Maar in plaats daarvan vinden we triviale details en gekeuvel van 'en hij zeide zus', 'en hij zeide zo' in alle saaie nauwkeurigheid, terwijl deze monumentale zaken slechts met één pennestreek, in één regel, vermeld worden, en dat ook nog door slechts één schrijver.


Het is gemakkelijk om een leugen te vertellen, maar lastig de leugen in leven te houden. De schrijver van het boek Mattheüs zou ons de namen van de heiligen die tot leven kwamen gegeven moeten hebben, en verteld moeten hebben wat er daarna met ze gebeurde, en wie ze wel niet gezien hadden -want hij heeft niet de moed te vermelden ze zelf gezien te hebben. Hij zou vermeld moeten hebben of ze naakt waren of met kleren en al verschenen, en waar die kleren wel niet vandaan kwamen, of ze naar hun oude huis gingen en hun man of vrouw en bezit weer opeisten, en hoe ze wel niet ontvangen werden, en of ze daarna weer stierven, of ze levend naar hun graven gingen en zichzelf maar weer begroeven.

Een heel vreemde zaak dat zo'n leger van heiligen uit de dood kan verrijzen, terwijl niemand er wat van afweet, niemand genoemd kan worden die ze gezien heeft, niemand er een woord over rept, en bovendien die heiligen ons totaal niets te vertellen hebben! Indien er gestorven profeten onder waren, zouden ze ons vast een hoop te vertellen hebben gehad. Ze zouden wellicht een commentaar op hun duistere profetiën hebben gegeven. Indien Mozes, Aäron, Jozua, Samuël of David onder de herrezenen waren geweest, zou geen Jood in de stad onbekeerd zijn gebleven. Indien Johannes de Doper of de heiligen die in die tijd bekend waren geweest ertoe behoorden, zouden ze door iedereen herkend zijn, en de roem en prediking van de apostelen veruit overtroffen hebben. Maar in plaats daarvan worden deze heiligen even aangehaald als een bijkomstigheid, als Jona's wonderboompje dat de volgende dag weer is verdord. Laat dit genoeg zijn over dit deel van het verhaal.

Op de kruisiging volgt het verhaal van de opstanding. Ook in dit deel van het verhaal stemmen de evangelieschrijvers niet met elkaar overeen, zodat we kunnen concluderen dat geen van hen ooggetuigen waren.
Mattheüs laat weten dat Christus in een uitgehouwen rotsgraf werd bijgezet. De Joden verzochten Pilatus om een wacht bij het graf, om te voorkomen dat het lijk gestolen zou worden door de discipelen, en kregen het voor elkaar het graf te verzegelen en er bewakers voor te zetten. Maar de andere evangelisten reppen met geen woord over deze zaken, geen verzegeling, geen bewakers; volgens die verslagen waren ze er niet. Mattheüs heeft even later nog wat over de bewakers te zeggen, iets dat de sleutel is tot de valsheid van deze geschriften.

In Mattheüs 28:1 wordt gezegd dat Maria uit Magdala en 'de andere Maria' na de sabbat, 'toen de ochtend gloorde' naar het graf kwamen kijken. Ook Marcus schrijft 'vlak na zonsopgang'. Maar bij Johannes is het nog donker. Lucas laat ook nog een heel stel andere vrouwen meegaan, maar bij Johannes gaat Maria uit Magdala er alleen naartoe. Wat zullen we dus zeggen van verslagen van eerstehand getuigen? Ze schijnen het meeste te weten over Maria uit Magdala, een vrouw met een ruime bekendenkring, van wie verwacht mocht worden dat ze erbij was.
In vers twee laat Mattheüs weer eens een aardbeving plaatsvinden "want een engel van de Heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf en rolde de steen weg en ging erop zitten." Maar de andere boeken hebben niets te zeggen over een aardbeving, noch over een engel die de steen wegrolt, noch over een engel die erop zit. Bij Marcus zit een engel in het graf aan de rechterzijde. Lucas heeft twee engelen, en beide staan ze. Johannes heeft er ook twee, maar nu zitten ze, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde.
Mattheüs zegt dat de engel die op een steen zat de twee Maria's vertelde dat Christus herrezen was, en dat de vrouwen verschrikt wegrenden. Marcus zegt dat de vrouwen de steen weggerold zagen, zich erover verbaasden, het graf ingingen en daar een engel ontmoetten die hun te woord stond. Volgens Lucas waren er twee engelen die met hun spraken en Johannes laat Jezus Christus zelf spreken tot Maria uit Magdala, en zegt dat Maria niet het graf inging, maar er slechts in keek.
Indien de schrijvers van de evangeliën bij het gerechtshof als getuigen op zouden treden in de rechtszaak of een dood lichaam op bovennatuurlijke wijze weer tot leven kwam, dan zouden ze welzeker van meineed beschuldigd worden en het welzeker verdienen. En toch is dit al het bewijs voorhanden, en moet het doorgaan voor het goddelijk geïnspireerde woord van God.

De schrijver van het evangelie naar Mattheüs vervolgt met een verhaal dat niet in de andere evangeliën gevonden kan worden, waar ik zojuist naar verwees.


"Terwijl de vrouwen onderweg waren [dwz na hun conversatie met de engel die op een steen zat], gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. Die vergaderden met de oudsten en besloten de soldaten een flinke som geld te geven, en hun op te dragen: 'Zeg maar: "Zijn leerlingen zijn 's nachts gekomen en hebben hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen." En mocht dit de prefect ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.' Ze namen het geld aan en deden zoals hun opgedragen was. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde."


De uitdrukking tot op de dag van vandaag laat zien dat het evangelie niet door Mattheüs werd geschreven maar pas veel later werd geschreven dan de tijd waarin de veronderstelde gebeurtenissen plaatsvonden, want dat is de strekking van deze uitdrukking. Het past niet deze uitdrukking te gebruiken over iets dat recentelijk gebeurd is, maar eerder slaat het op enkele generaties terug, want deze uitdrukking verwijst naar vervlogen tijden.
Men zou vervolgens nog de absurditeit van het opgetekende verhaal op zich kunnen opmerken; het laat zien dat de schrijver van het evangelie naar Mattheüs niet bepaald snugger was, want hij komt met een verhaal dat men met geen mogelijkheid serieus kan nemen. Het is inderdaad mogelijk de wachten een verhaal te laten oplepelen dat ze sliepen en dat het lijk gestolen was, maar het zou dan voor hen toch totaal onmogelijk zijn te beweren dat ze wisten hoe en door wie! Hoe zou ook maar iemand zulk een verhaal serieus kunnen nemen? Wel, de enigen die het dan ook serieus nemen zijn mensen die het Nieuwe Testament willen geloven. Alle mensen die het om de waarheid te doen is zullen andere conclusies trekken.


Laten we vervolgens de zogenaamde verschijningen van de opgestane Christus eens onder de loep nemen. De schrijver van Mattheüs verhaalt dat de engel die op de weggerolde steen zat de twee Maria's het volgende zei: "Ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: 'Hij is opgestaan uit de dood, en dit moeten jullie weten: hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien. Dat is wat ik jullie te vertellen had." En in de twee volgende verzen -dus onmiddellijk na dit moment, wanneer de vrouwen al op weg naar de leerlingen zijn- laat de schrijver Jezus zelf verschijnen aan de vrouwen, om hen in precies dezelfde bewoordingen te woord te staan! In vers 16 laat de schrijver het gebod zo in vervulling gaan: "De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg waar Jezus hun had onderricht, en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog." Maar de schrijver van het Johannesevangelie vertelt ons een geheel ander verhaal. Hij schrijft in hoofdstuk 20: 19: "Op de avond van die eerste dag van de week [dus de dag van de opstanding] waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: vrede zij met jullie!" Dus terwijl ze volgens Mattheüs al op weg naar Galilea zouden moeten zijn, blijven ze bij Johannes opgesloten in een kamer zitten, niet om op een aangekondigde verschijning te wachten, maar uit bangheid. Lukas laat horen dat de plaats Jeruzalem was. Het getuigenis van deze schrijvers is zo tegenstrijdig dat het ten koste van alle geloofwaardigheid gaat.

Marcus laat nog horen dat hij aan twee andere volgelingen "in een andere gedaante" verscheen op die eerste dag, iets waar de andere schrijvers niets over zeggen. Lucas maakt hier een lang verhaal van, en laat Christus de hele dag maar met deze twee volgelingen praten over zijn zogenaamde opstanding, zonder zijn identiteit te onthullen. 's Avonds eet hij bij hen en op het moment dat ze hem eindelijk herkennen verdwijnt Christus mysterieus. Ze gaan dan naar Jeruzalem (ong. 10 kilometer), en daar aangekomen verschijnt Jezus nog eens voor "de elf en de anderen". Bij Lucas geeft Jezus de opdracht in Jeruzalem te blijven, en verschijnt hij nog eenmaal bij Bethanië, waar hij zijn handen opheft, de leerlingen zegent, en naar de hemel gaat.

We merken dus de verwarrende tegenstrijd op tussen de verslagen. Het enige waar de verslagen met elkaar in overeenstemming zijn is dat het een duistere privéaangelegenheid was. Of het nu in Galilea of Jeruzalem gebeurde, het was in ieder geval geheim. Waarom toch dit onttrekken aan de publieke openheid? Aan de ene kant gaat het regelrecht in tegen het zogenaamde of bedoelde doel -het de wereld ervan overtuigen dat Christus opgestaan is. Aan de andere kant, indien de schrijvers van die boeken er publieke verschijningen van hadden gemaakt, zouden de verslagen gecontroleerd kunnen worden; daarom was het voor hen een noodzaak ze maar via deze sluipwegen te laten gebeuren.

Wat betreft de verschijning van Christus aan 500 tezelfdertijd, is het alleen Paulus die hiervan melding maakt, en niet één van de 500 zelf die hiervan getuigt. Het is, om precies te zijn, het getuigenis van één man, en wel een man die zelf ook geen woord geloofde van al die verhalen die de ronde deden in de tijd dat ze zogenaamd gebeurden. Zijn getuigenis -aangenomen dat hij de woorden uit Kor. 15 opgeschreven heeft- is als het getuigenis van een man die bij het gerechtshof zweert dat de vorige eed die hij gezworen had vals was. Een mens heeft vaak reden om van mening te veranderen, en hij heeft het recht hiertoe. Maar deze vrijheid bestaat niet wanneer het over feiten gaat.


Ik kom nu op de laatste episode, die van de hemelvaart. Aangezien hier de basis gelegd werd voor de toekomstige taak van de leerlingen, zou de mogelijkheid tot dispuut en ontkenning uitgesloten moeten zijn. De zaak zou, zoals ik in het eerste deel van Het Tijdperk van de Rede al uiteenzette, zo'n publiekelijke gebeurtenis moeten zijn als het zichtbaar zijn van de zon op het midden van de dag. Of het zou tenminste net zo publiekelijk moeten zijn als de kruisiging dit was. Maar hoe staan de zaken ervoor?
Ten eerste zegt de schrijver van Mattheüs er geen woord over. Johannes zwijgt ook. Het is niet mogelijk te veronderstellen dat die schrijvers die in zoveel andere zaken tot in details gaan, dit nu maar weglaten omdat ze dit niet de moeite van het vertellen waard vinden. Lucas heeft maar één vluchtige opmerking, één pennestreek over de hemelvaart alsof hij romanticeren eigenlijk beneden zijn stand vindt en zich ervoor schaamt. In Marcus is er ook zo'n terloopse opmerking over geschreven, en de twee zijn niet in overeenstemming met elkaar wat betreft de plaats van het afscheid. Bij Marcus zitten de leerlingen op de eerste dag van de opstanding aan het avondeten. Dan verschijnt Jezus en converseert hij met hen. En meteen erop (op de manier waarop een schooljongen een eind aan een saai opstel maakt) volgt: "Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God." Zoals gezegd liet de schrijver van Lucas dit in Bethanië gebeuren. Wat de hemelvaart betreft, vele anderen hebben deze tocht ook ondernomen, onder wie Mohammed en Mozes. In welke fabel we ook geloven, het staat gelijk aan geloof dat de Almachtige niet waardig is.


Ik ben nu de evangeliën doorgegaan. Wanneer men in ogenschouw neemt dat de gebeurtenissen van de kruisiging, opstanding en hemelvaart maar een paar dagen in beslag nam, niet meer dan drie, vier, en dat alles gebeurde op ongeveer dezelfde plaats, Jeruzalem, dan is het moeilijk een ander opgetekend verhaal te vinden waarin zoveel ongehoorde absurditeiten, tegenstrijdigheden en valse berichtgeving in staan, als in deze boeken. Het aantal is veel groter en opmerkelijker dan ik dacht te vinden toen ik aan dit onderzoek begon, en toen ik deel 1 van Het Tijdperk van de Rede schreef. Ik had toen namelijk geen bijbel ter beschikking. Mijn eigen situatie was zo precair, mijn uitzicht op overleven zo klein, dat ik besefte zeer beknopt en snel te moeten werken, zo ik iets achter zou willen laten op de wereld. Enige citaten die ik neerpende berustten slechts op mijn geheugen. Maar de citaten waren correct, en de opinies die ik in dat werk naar voren heb gebracht zijn het produkt van een zeer heldere en lang overdachte overtuiging, dat de Bijbel en het Nieuwe Testament bedrog aan de wereld zijn, dat de zondeval, het verslag van Jezus Christus als zijnde de Zoon van God, van zijn sterven om de toorn van God tot bedaren te doen komen, en van verlossing op deze vreemde manier, allemaal berusten op verzonnen fabels en onwaardig aan de wijsheid en macht van de Almachtige zijn. Ik ben daarom van mening dat Deïsme, waarmee ik het geloof in één God bedoel en navolging van de hoogste morele waarden, de enige ware religie is. Hierop baseer ik al mijn hoop op geluk in een hiernamaals. En dit onderschrijf ik nog steeds -zo helpe mij God.


Maar om op ons onderwerp terug te komen: hoewel het onmogelijk is op zo'n tijdsafstand vast te stellen wie de schrijvers waren van de evangeliën (en dat alleen al is voldoende als grond voor twijfel, en twijfel sluit geloof uit), kan men wel met zekerheid een negatieve uitspraak doen, namelijk dat ze in ieder geval niet geschreven zijn door de personen aan wie ze traditioneel toegeschreven zijn. De tegenstrijdigheden in de boeken laten onomwonden het volgende zien:

Ten eerste, dat de schrijvers geen ooggetuigen geweest hebben kunnen zijn van de beschreven gebeurtenissen, want in dat geval zouden ze niet de tegenstrijdigheden bevatten. Bijgevolg kunnen de evangeliën niet worden teruggebracht op de apostelen, die verondersteld zijn dit alles te hebben meegemaakt. Ten tweede, dat de schrijvers, wie ze ook geweest mogen zijn, onafhankelijk van elkaar zich aan fabricage van de werkelijkheid hebben schuldig gemaakt. Ook dit gegeven bewijst de bovenstaande conclusie dat de evangeliën niet teruggaan op apostelen. Wat betreft hun goddelijke inspiratie, dit is met geen mogelijkheid te handhaven. Inspiratie en tegenstrijdigheid te laten samengaan is hetzelfde als ervan overtuigd zijn dat waarheid en leugen kunnen samengaan.

Indien mensen ooggetuigen zijn van gebeurtenissen, zullen ze in ieder wezenlijk onderdeel van het verslag ervan overeenstemmen. Hun getuige zijn van het gebeuren zal een harmonisering van de verslagen volkomen overbodig doen zijn. De ene getuige zal niet zeggen dat het op een berg gebeurde op het platteland, terwijl de ander zegt dat het in de hoofdstad gebeurde in een huis. De een zal het niet laten gebeuren tijdens zonsopgang, terwijl de ander zegt dat het nog donker was. Zulke hoofdzaken zouden geheel buiten kijf staan voor alle ooggetuigen. Vervolgens, wanneer ooggetuigen met elkaar inovereenstemming zijn, zullen de verschillen tussen de verslagen elkaar aanvullen, en zo aan het geheel meer geloofwaardigheid schenken. Wat men mist in het ene verslag wordt in het andere bericht. Dit alles zal logisch klinken, omdat volledige logica een noodzakelijkheid is voor een feit. Maar tegenstrijdigheden die niet met elkaar in overeenstemming kunnen zijn, zijn een aanwijzing voor valse informatie die verschaft wordt.


Indien deze boeken dus niet teruggaan op de apostelen, noch door vervalsers die volgens een gezamelijk plan optraden, hoe zijn ze dan ontstaan? Ik ben zelf in het algemeen niet geneigd meteen aan opzettelijk bedrog te denken, of mensen ervan te beschuldigen bewust leugens te willen verspreiden. Maar ik maak altijd een uitzondering voor mensen die zich voordoen als profeten, zoals in het Oude Testament. Want profeteren is van liegen je beroep te maken. In bijna alle andere gevallen is het veelal eenvoudig op te merken hoe een simpele veronderstelling, met behulp van goedgelovigheid, in de loop van de tijd uitgroeit tot een leugen, die tenslotte als puur feit wordt doorverteld. Wanneer het enigszins mogelijk is dit alles uit te leggen als een begrijpelijke opeenvolging van misverstanden, zou men zich niet behoeven schuldig te maken aan de ernstigste beschuldigingen.

Het verhaal van de verschijningen van Jezus Christus na zijn dood, zijn van het kaliber dat verbeelding kan produceren, en goedgelovigheid gemakkelijk kan geloven. Gelijksoortige verhalen deden de ronde na de moord op Julius Ceasar, slechts luttele jaren hiervoor. Ze ontstaan meestal naar aanleiding van een gewelddadige dood, in het bijzonder na de terechtstelling van onschuldigen. In deze gevallen komt medelijden de hoek om kijken, en worden de gebeurtenissen welwillend gecorrigeerd. Dit gaat in kleine gradaties verder, en na verloop van tijd wordt dit de ware gang van zaken. De één begint met een visioen van een geestverschijning, de ander vult hem aan met bijzonderheden en de redenen van de verschijning. De één vertelt het op deze manier, de ander op een andere manier, en op het eind zijn er verscheidene variaties, omdat er geen feiten aan de basis staan. De verhalen van de verschijningen van Jezus Christus zijn een vreemd samengaan van natuurlijke en onmogelijke elementen, iets wat alle legenden kenmerkt en een legende van feiten onderscheidt. Zo zien we hem plotseling een huis in- en uitgaan door dichte deuren, of in het niets oplossen, alsof het om een visioen gaat. Maar op een ander moment kan men hem hongerig zien, en een maaltijd nuttigen. Maar zoals dat gaat in dit soort verhalen, men vertelt enkele details, maar laat andere belangrijke details weg: men vertelt dat zijn kleren achterbleven in het graf, maar vergeet hem nieuwe kleren te geven voor zijn verschijningen, of te vermelden of hij zijn kleren mee naar de hemel nam, of ze hier maar achter liet. In het geval van Elia waren de schrijvers nauwkeurig genoeg om zijn mantel hier achter te laten, maar zij laten onverklaard hoe voorkomen werd dat Elia het in de vurige wagen uithield. Maar aangezien fantasie op elk probleem een antwoord heeft, mogen we zo we willen de details zelf ook invullen. Ik stel voor dat hij beschermd werd door een pak gemaakt van salamanderwol.


Zij die niet zeer bekend zijn met kerkgeschiedenis veronderstellen wellicht dat het Nieuwe Testament zo oud is als het leven van Jezus Christus, net zoals men gelooft dat de boeken van Mozes door Mozes werden geschreven. Maar de historische feiten spreken andere taal. Het Nieuwe Testament bestond niet eerder dan ongeveer 300 jaar na de gebeurtenissen die erin beschreven staan. Wanneer de evangeliën volgens Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes geschreven zijn, is geheel onmogelijk met zekerheid te zeggen. Ze hadden net zo goed een andere apostelnaam kunnen hebben. De kerk is niet in het bezit van originelen, net zo min als de Joden stenen tafels in handen hebben, waarop Gods vinger zogenaamd de tien geboden schreef op de berg Sinaï en die Hij aan Mozes overhandigde. Zelfs indien ze zouden bestaan, zou het onmogelijk zijn de echtheid ervan te bepalen. In de tijd waarin ze onstonden bestond geen boekdrukkunst. Er was dus geen sprake van publicatie, maar alles geschiedde via handgeschreven kopieën. Iedereen kon zoiets doen en ze originelen noemen. Zelfs in deze tijd kan de tekst gemakkelijk veranderd worden. Het vorige deel van Het Tijdperk van de Rede is nog maar twee jaar oud, en nu al vind ik er een zinsnede in die niet van mijn hand is. Ik bedoel de zin "Het evangelie van Lucas werd tot de canon gerekend met een meerderheid van slechts één stem". Wie weet was het zo, maar ik heb dit niet geschreven. Iemand anders die hiervan op de hoogte schijnt te zijn heeft deze opmerking in sommige edities als voetnoot geplaatst. Indien dit gebeurt in onze moderne tijd, en in zo'n korte tijd, wat moeten we dan wel niet denken van honderden jaren lang met de hand geschreven kopieën, die naar gelieven door iedere kopiïst veranderd kon worden! Kunnen we echt veronderstellen dat de wijsheid van de Almachtige op zo'n twijfelachtige manier via handschriften te werk gaat, of dat zijn wijsheid de eis stelt dat wij op zo'n twijfelachtige basis ons geloof moeten berusten? We kunnen geen enkel grassprietje veranderen in iets anders, of het zelfs maar namaken; maar Gods woord kunnen we net zo maken en veranderen als het woord van ieder mens.


Ongeveer 350 na Christus begon de kerk -die inmiddels een hiërarchie kende en wereldse macht verkregen had- her en der verspreide teksten te verzamelen en ze te bundelen tot wat wij nu Nieuwe Testament noemen. Zoals al eerder opgemerkt werd er gestemd over het wel of niet opnemen van de grote verzameling boeken, waarover men beschikte, tot het Nieuwe Testament, die men liet doorgaan voor Woord van God. Op dezelfde manier hadden de Joodse Rabbijnen gehandeld met het Oude Testament.
Aangezien de kerk hoofdzakelijk geïnteresseerd was in inkomsten en macht, en terroriseren als middel gebruikte om haar doeleinden te bewerkstelligen, is het hiermee in overeenstemming te veronderstellen, dat de beste en meest wonderbaarlijke geschriften wel stemmen zouden krijgen. Een andere waarborg voor hun authenticiteit dan dat erop gestemd werd, is er niet. Maar lange tijd twistten de christenen nog onder elkaar omtrent de authenticiteit van vele geschriften. In de discussie tussen Augustinus en [de Manicheïsch-christelijke bisschop] Faustus, ca. 400, laat de laatstgenoemde [na op te merken dat voor Augustinus sommige oudtestamentische schriftgedeelten ook verwerpelijk zijn] weten: "Indien er delen van het Testament van de Vader verwerpelijk zijn, dan moet het Testament van de Zoon eveneens twijfelachtig zijn, vooral aangezien het niet door de Zoon zelf geschreven is, noch door zijn apostelen, maar lange tijd daarna door onbekende mannen, die, om niet beschuldigd te worden van dingen te schrijven waar ze niets van afwisten, hun boeken op naam van apostelen schreven, en te stellen dat de inhoud ervan volgens die originelen was. Ik ben van mening dat zij de apostelen van Christus hiermee onrecht aandoen, hun authoriteit aanhalend om maar hun eigen tegenstrijdige uitspraken in deze geschriften geldigheid te schenken, uitspraken zó vol fouten en onwaarheden, zowel wat de feiten betreft als leringen, dat ze met geen mogelijkheid geharmoniseerd kunnen worden. Op deze manier lasteren ze goede mensen, en schuiven ze de onenigheid van de verdeeldheid [onder christenen] in de schoenen van de apostelen. Een goed lezer bemerkt alle ongerijmdheden, en wij accepteren slechts dat wat ons geloof opbouwt, en eer doet aan de Heer Jezus en God Almachtig, de Vader, terwijl wij de rest als beneden de waardigheid van God en Christus, en niet in overeenstemming met ons geloof beschouwen." Elders, schrijft hij [aan Augustinus]: "Het is niet zonder reden dat wij de de schriften kritisch bestuderen, geconfronteerd als we worden met zoveel tegenstrijdigheden. Door ieder detail te bestuderen en schriftgedeelten met elkaar te vergelijken, stellen we vast wat de eigenlijke woorden van Christus geweest hebben moeten zijn, en wat wel of niet als echt beschouwd mag worden. Want onze voorgangers hebben interpolaties aangebracht in de woorden van onze Heer; zo spreken sommige dingen zijn eigen leer tegen. Tevens, zoals we opnieuw en opnieuw hebben aangetoond, zijn de geschriften niet door Christus of zijn apostelen geproduceerd, maar een compilatie van geruchten en geloven, lang na hun dood opgeschreven door enige half-Joden, zelfs niet met elkaar in overeenstemming. Desalniettemin dragen ze toch de naam van een apostel des Heren. Zij hebben dus aan hen hun eigen leugens en vergissingen toegeschreven."


De lezer zal uit deze gedeeltes uit een briefwisseling opmerken dat de authenticiteit van het Nieuwe Testament al ten tijde van de stemming om ze tot Woord van God te verheffen aanvochten werd en de boeken beschouwd werden als opgemaakte verhalen, bedrog en leugens. Maar in het belang van de Kerk en met behulp van brandstapels werd de stem van de oppositie gesmoord en uiteindelijk zelfs de mogelijkheid tot onderzoek verboden. Als we de kerk moeten geloven was het allemaal een geschiedenis van wonder op wonder, en mensen werden geleerd om te zeggen dat ze het allemaal geloofden, of ze er nu in geloofden of niet. Maar om hierbij maar een losse opmerking te plaatsen, de Franse Revolutie heeft volledig afgedaan met het geloof dat de kerk in staat is wonderen te verrichten, en de kerk, met behulp van alle heiligen, is niet in staat gebleken er ook maar één te produceren sinds de revolutie begon. En aangezien de kerk nooit méér behoefte had aan wonderen dan juist nu, kunnen we rustig stellen dat alle wonderen van haar verleden trucs en leugens waren.

Wanneer we in ogenschouw nemen dat er wel meer dan driehonderd jaar liggen tussen de tijd dat Jezus leefde en de tijd dat het Nieuwe Testament gecanoniceerd werd, is het zelfs zonder het aanvoeren van allerlei historische argumenten gemakkelijk in te zien hoe buitengewoon onzeker haar authenticiteit is. De authenticiteit van Homerus staat wat betreft haar auteurschap op veel steviger benen dan het Nieuwe Testament, hoewel Homerus wel duizend jaar ouder is. Het boek staat ook op zo'n hoog niveau dat slechts weinigen zoiets zouden kúnnen produceren. En indien iemand anders het al zou doen, dan zou het onzinnig zijn het op naam van iemand anders te zetten en zijn eigen roem daarmee verspelen. Zo zijn er ook maar weinigen die de Elementen van Euclides zouden hebben kunnen schrijven, want men zou daarvoor een buitengewoon goed wiskundige moeten zijn. Maar wat het Nieuwe Testament betreft, en in het bijzonder zulke delen die ons vertellen over de opstanding en ten hemel varing van Christus, ieder persoon die in staat is met een verhaal van een verschijning aan te komen, of van iemands levensloop, zou ze kunnen produceren, want het verhaal is bijzonder jammerlijk verteld. De kans dat het Nieuwe Testament bedrog is, is miljoenen malen groter dan in het geval van Homerus of Euclides. Pik willekeurig één van de talrijke priesters, dominees of bisschoppen van tegenwoordig, en ze zullen allemaal in staat zijn een preek op te schrijven, of een stukje latijn te vertalen, vooral indien het tevoren al ontelbare malen vertaald is. Maar is er onder hen ook maar één die kan dichten als Homerus, of wetenschap beoefenen als Euclidus? Wat betreft de intellectuele ontwikkeling van de gemiddelde persoon -en er zijn maar weinig uitzonderingen- is a b en ab, en hic, haec en hoc. En wat de wetenschappelijke ontwikkeling betreft komen de meesten niet verder dan drie maal één is drie. En deze hoeveelheid kennis is genoeg om alle boeken van het Nieuwe Testament te schrijven.


Niet alleen de mogelijkheid tot bedrog is in het Nieuwe Testament groter, ook de verleiding daartoe. Wat baat het iemand om te schrijven onder de naam Homerus of Euclides? Indien hij daadwerkelijk op hun niveau zou kunnen schrijven, zou hij beter onder zijn eigen naam kunnen publiceren, en indien hij niet op hun niveau stond zou hij door de mand vallen. Trots zou het eerste voorkomen en onmogelijkheid het tweede. Maar wat het Nieuwe Testament betreft, bestaan er alle redenen om tot bedrog verleid te worden. Twee- of driehonderd jaar na de gebeurtenissen die beschreven werden, zou men nooit meer een bedachte geschiedenis kunnen schrijven en die laten doorgaan voor een originele geschiedschrijving op naam van een echte schrijver uit die tijd. Er was geen alternatief dan ze bedrieglijk op naam van zulke personen te zetten, want de kerk had behoefte aan ondersteuning voor haar leringen, maar men kon zich niet beroepen op de waarheid en talent.

Maar zoals hierboven al opgemerkt is het niet ongewoon verhalen tegen te komen over personen die rondlopen na hun dood, of van geesten en geestverschijningen van personen die op gewelddadige manier om het leven zijn gekomen, en de mensen in die tijd hadden de gewoonte zulke zaken serieus te nemen, zoals ze ook engelen en duivelen serieus namen en geloofden dat duivels in mensen konden huizen en ze laten schokken en beven, of uitgeworpen konden worden als braaksel (Van Maria Magdalena wordt in het evangelie van Marcus zelfs gezegd dat ze bezeten was van zeven duivelen). Het is dan ook niet verwonderlijk dat een dergelijk verhaal als over Jezus Christus in omloop was en hieraan achteraf de authoriteit van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes gegeven werd. Iedere schrijver schreef het verhaal zoals hij het gehoord had of had horen vertellen en gaf er de naam aan van een heilige of apostel die volgens de overlevering ooggetuigen was geweest. Slechts op deze manier kan men de tegenstrijdigheden uitleggen en indien het niet zo gegaan is dan blijft er slechts één alternatief over: het is geheel openlijk bedrog, leugens en fabricage, zonder er zelfs de moeite voor te doen het de schijn van authenticiteit te geven.


Dat de evangeliën door een soort van half-joden zijn geschreven is overduidelijk. De veelvuldige verwijzingen naar die aartsmoordenaar en bedrieger Mozes en de personen die men profeten noemt, laten de band met het jodendom al zien. De kerk heeft er zelf een hoofdbezigheid van gemaakt om het bedrog te vervolmaken door het Oude en Nieuwe Testament als één geheel uit te leggen. Het Oude Testament wordt gezien als één en al profetie en symbolische voorstelling aangaande het christelijk geloof, het nieuwe past als een bos steeksleutels op oude sloten. Het verhaal is zo dwaas om een conversatie te vermelden tussen Eva en een slang, en laat aan de andere kant weer absolute vanzelfsprekendheden horen (zoals de vijandschap tussen de mens en de slang, en dat een slang de mens in zijn hiel bijt en de mens de kop van de slang vermorzelt; hoe zou de slang ook hoger kunnen bijten, en hoe zou de mens ook een ander deel van de slang vermorzelen dan het deel wat hem bijt); en dit belachelijke verhaal heeft heeft men getransformeerd tot een eerste profetie, een symbolische voorstelling en een belofte van hoe het begon en zal eindigen. En de leugenachtige passage waar Jesaja het over Achaz heeft, en waar zogenaamd een maagd een kind zal baren, als teken van de overwinning die Achaz zal behalen, wordt verdraaid om de zaak af te ronden. Ook Jona en de walvis worden als type gezien. Jona staat voor Jezus en de walvis voor het graf. In Mattheüs 12: 40 kunnen we lezen: "Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de zoon des mensen in het hart van de aarde zijn." Maar laat nu volgens hetzelfde verhaal Jezus maar één dag en twee nachten in het graf zijn geweest, dus ongeveer 36 uur in plaats van 72 uur, oftewel van Vrijdagavond tot Zondagmorgen. Maar voor iemand die de beet in de hiel en het vermorzelen van de kop van de slang in Genesis, of de maagd met haar zoon in Jesaja, slikt, zal het een koud kunstje zijn ook dit klontje orthodoxie te slikken. Laat ik het hierbij laten wat betreft de historische boeken van het Nieuwe Testament.