Een boekbespreking: N.T. Wright, The Resurrection of the Son of God





Inleiding

Ik houd van uitdagingen. Toen iemand mij dan ook in een discussie voorstelde het boek van N. T. Wright over de opstanding van Jezus erbij te betrekken en ik las dat het bijna 800 bladzijden leesvoer omspant, was ik er meteen voor te vinden. Ik heb nooit iets van deze persoon gelezen, maar af en toe heb ik de naam Wright op het internet voorbij zien komen. Hij is een figuur die –net als Bart Ehrman-, graag via de media meedoet. Op YouTube is Tom Wright ongeveer 150 maal te beluisteren. Ik ben altijd op zoek naar een gedegen verdediging van het christelijk geloof, en tot nu toe heb ik het nog niet gevonden, maar 800 bladzijden belooft veel.


Ik ontving het bestelde boek per post. Terwijl ik de baksteen in mijn handen hield bekeek ik aandachtig de afbeelding op de kaft, waar het bovenste gedeelte van het middendeel van een drieluik van Titiaan te zien is:







Ik ben jarenlang een fundamentalistisch christen geweest die alles geloofde wat de orthodoxe leer mij maar voorschotelde, maar door nu intens te staren op deze afbeelding van de opgestane Jezus ervoer ik op een nieuwe manier een confrontatie met mijn oude geloof. Op dit moment was het mij ineens heel duidelijk dat het één ding is om filosofisch zeggen te geloven dat Jezus is opgestaan (relatief gemakkelijk), maar iets geheel anders het heel concreet uitgebeeld te zien en dan nog te moeten geloven (uiterst moeilijk). Op dit schilderij zien we dus een ideaal mens, met het lichaam van Jan Železný (met in plaats van een speer een vlag van overwinning in z’n hand) en een kop van George Harrison in z’n jonge jaren toen hij nog My Sweet Lord zong, met slechts een paar flarden van een kleed nog om z’n lendenen. Om z’n penis zit net weinig genoeg stof om op te merken dat het er ééntje is die er mag zijn... De figuur van Jezus deed me overigens meteen denken aan het symbool van de Franse Revolutie, de vrouw met de mooie borsten en de Franse vlag in de hand.







Terwijl ik naar de gespierde Jezus staar vraag ik me af hoe ik het ooit allemaal serieus heb kunnen nemen. Dus dit was mijn god? Ik geloofde dus echt dat hij in vlees en bloed weer opstond en na een tijdje naar boven (de hemel) zweefde met nog een laatste gebaar van zegening voor de apostelen die het allemaal verbouwereerd aankijken? Nee, dat kan ik toch niet echt heel letterlijk geloofd hebben? Jezus kan tenslotte niet lachen en was zich niet bewust een penis te hebben, zoveel is duidelijk uit de bijbel en het hele evangelische geloof. Hij moet toch in werkelijkheid enkel een symbool geweest zijn, net zoals de Franse vrouw die in mooie kleren en met perfecte borsten op het slagveld boven op lijken loopt, of eigenlijk er duidelijk overheen zweeft en er daarom niets van merkt. En te midden van wapengekletter, rook, pistolen en bajonetten, nog tijd heeft om achterom te kijken om een strijder voor de revolutie, met een herenhoed op z’n kop, wat aan te moedigen. Of is dat personage in de chaos juist net toevallig de vijand van vrijheid, gelijkheid en broederschap, iemand die het geweer op de mooie borsten richt maar straks, net op het nippertje, een kopje kleiner gemaakt door de man achter hem? De heldin staat, net als Jezus, ook wat onzinnig met een vlag te wapperen.


Ik heb nog eens geprobeerd, een paar dagen later toen ik bij half bewolkt weer buiten liep, of het nog een heel klein beetje lukt gelovig te zijn. Toen ik iemand tegenkwam die een praatje maakte, probeerde ik, toen hij zijn weg weer vervolgde, me voor te stellen dat “toen hij dit gezegd had”, hij plotseling “voor mijn ogen werd opgeheven”, steeds hoger en hoger, totdat hij “werd opgenomen in een wolk”. Terwijl ik in opperste verbazing maar blijf turen naar de wolk verbeeld ik me dat er opeens twee mannen naast me staan, gekleed in stralend witte engelenkleren, die me aanspreken “Wat sta jij toch te turen naar de hemel, jongen? Op dezelfde manier zal hij weer naar beneden terugkomen, geloof ons nu maar!” (Hand. 1:9) ... Nee, nee, het is eenvoudig onmogelijk voor een modern mens van boven de vijftig dit allemaal echt te geloven. Van dit tafereel is het absoluut onmogelijk om realiteit te maken.


Maar juist dit is de taak die Wright op zich genomen heeft! Er is tegenwoordig praktisch geen theoloog meer te bekennen die het paasverhaal opvat als een verzameling historische feiten (want net zoals in de schilderijen de vlaggen laten zien dat het om een symbool gaat, zijn er ook in de teksten van het paasverhaal duidelijke 'vlaggen'), maar deze Engelse Anglicaanse bisschop te Durham heeft zichzelf de levenstaak gegeven om overtuigingen van het orthodoxe geloof koste wat kost hoog te houden. En het leuke is dat het niet uitmaakt wat je schrijft. Het feit dat je er een boek van 800 bladzijden van kan maken, is al genoeg voor christenen om de moed erin te houden, net zoals een tentoonstelling van een graf of een geboorteplek van Jezus in het heilig land genoeg is om honderdduizenden jaarlijks het gevoel te geven dat het wel goed zit met hun geloof. Wrights boek was volgens de achterflap Boek van het Jaar 2003. Weliswaar uitgeroepen door de vereniging van theologische boekhandelaren, maar zoiets kun je er mooi met kleine lettertjes onder neerzetten.


Wright probeert de orthodoxie aan het langste eind te laten trekken via het schrijven van een massief boek, waarin op elke bladzijde verwezen wordt naar theologische kopstukken, in de meeste gevallen afkeurend. Zijn argumentering is exact hetzelfde als wat je in de zeventiger jaren bij een Josh McDowell tegenkwam, maar de manier waarop Wright het doet, geeft een air van prestige en geleerdheid. Dat laatste zeg ik nu ik een paar dagen wijzer ben, want op het moment dat ik voor het eerst met die baksteen in mijn handen stond, moest ik toegeven dat de zwaarte ervan indrukwekkend was en de hoeveelheid eruditie die er uit sprak ontzag inboezemde.


Hoe groot is mijn teleurstelling nu na een aantal weken zwoegen, ploeteren en bladeren! Ik kan me niet direct een leeservaring herinneren die zoveel stekels bij me opzette tijdens het lezen. Bij Josh McDowell of George Eldon Ladd had je alle argumenten tenslotte nog keurig, beknopt en helder op een rijtje, maar hier is een oeverloze oceaan van woorden aanwezig. Je zit maar tot in het oneindige in je roeibootje en probeert wanhopig maar wat feiten met je sleepnetje uit die eindeloze zee van woorden te vissen. Af en toe kijk je naar de buit en merk je warempel een paar harinkjes van enkele centimeters op.

Wright heeft exact 317 bladzijden nodig om op het punt te komen dat hij het eerste (alleroudste) verslag van de opstanding van Jezus (Paulus in 1 Korinte 15) kan behandelen! En het duurt exact 616 bladzijden voordat de apologeet eindelijk toekomt aan de bespreking van de opstandingsverhalen in de evangeliën! Dit gedeelte eindigt al op bladzijde 682, oftewel het hout dat gesneden wordt in het boek van 738 bladzijden tekst is exact 66 bladzijden, 11% van het boek. De reden voor deze naar mijn mening practical joke is duidelijk. Het gaat om intimidatie. Wright doet zelfs zijn best om het uit te leggen (ik ben me niet bewust van een Nederlandse vertaling van het boek; ik beschik over de Engelse uitgave en verwijs daarnaar, maar vertaal voor het gemak van de lezer van dit artikel alle citaten in het Nederlands): ”Het debat wordt ’bedevilled’ (verhaspeld) door oversimplificatie” (pag. 4). Alsof in een gesprek tussen theologen die over het onderwerp hebben gepubliceerd hiervan sprake kán zijn! Maar een uitstekende werkwijze natuurlijk indien je oogmerk is een vals argument te creëren: ‘Inderdaad, de evangeliën in de bijbel besteden aan de opstanding van Jezus maar een halve, één of ten hoogste twee bladzijden, maar je kunt er pas over meepraten wanneer je eerst 616 bladzijden rijstebrij opeet’. Als voorbeeld geeft Wright dat je het niet over 1 Kor. 15 kan hebben zonder niet ook uitgebreid eerst Romeinen 8 en 2 Kor. 5 te behandelen. Hoe komisch, want de tweede Korintebrief was nog niet eens geschreven en de Korintiërs hebben überhaupt nooit in hun leven de brief aan de Romeinen kunnen lezen. Dus zelfs de oorspronkelijke lezers zouden Wrights advies niet kunnen opvolgen! Wat later geeft Wright ellenlange uiteenzettingen van bijvoorbeeld de brief aan de Galaten, waarbij hij zelfs toegeeft dat het niets met de opstanding te maken heeft, maar het toch meent te moeten behandelen omdat de opstanding van Jezus 'de achterliggende gedachte van Paulus is'. En dit is nog niet alles: wanneer je eindelijk op een zaak stuit die wél van belang is, dan komt, bij een belangrijk aspect ervan dat je opgehelderd wil hebben, bijna als gewoonte van de schrijver het commentaar ”maar daarover zullen we het later nog hebben”. Het is moeilijk om een lezer meer in de weg te zitten dan op de manier van Wright te schrijven. Hij is een dominee op de kansel die de kunst verstaat vele bladzijden te preken over een zaak waarvan je je afvraagt wat die er in vredesnaam toe doet, maar zodra er een echt probleem is dit in één of twee zinnen wegwuift. Met de meest simpele anekdotes kan hij een zaak illustreren of uitleggen die voor iedere lezer een vanzelfsprekendheid is. Hier een veelzeggend voorbeeld van de tergend langdradige betoogtrant van Wright op bladzijde 8 en 9:


In de tweede plaats, hoe dachten en spraken de mensen in Jezus’ tijd, zowel de heidenen als de Joden, over de doden en hun toekomstige lot? In het bijzonder: indien het überhaupt enige betekenis had, wát betekende het woord ’opstanding’ (anastasis en verwante woorden en het werkwoord egeiro en verwante woorden in het Grieks en qum en verwante woorden in het Hebreeuws) in dat spectrum van geloof? Hoofdstuk 2 en 3 houden zich bezig met deze vraag, en verhelderen in het bijzonder –een essentiële zaak, zoals we zullen zien-, wat de vroege christenen bedoelden en verondersteld werden te bedoelen, wanneer ze spraken en schreven over Jezus’ opstanding. Zoals George Caird eens uiteenzette, is het van nut, wanneer iemand in het Engels zegt ”I’m mad about my flat”, te weten of de spreker uit Amerika komt (in dat geval is hij boos) of Brits is (in dat geval is hij juist heel enthousiast). En wanneer de vroege christenen uitspraken dat ’de Messias uit de doden opstond op de derde dag’, hoe werd wat ze nu eigenlijk zeiden opgevangen? Zoiets mag overduidelijk zijn voor bepaalde lezers, maar dat was het helemaal niet volgens de evangelieschrijvers die Jezus dergelijke dingen lieten zeggen tegen zijn volgelingen, en een blik op de moderne theologische literatuur laat zien dat het voor velen nog steeds niet duidelijk is. Naast deze kwestie van betekenis (wat had deze terminologie voor betekenis op het moment dat ze gebezigd werd?) moeten we de kwestie van waarvan het afgeleid is in ogenschouw nemen. In hoeverre is de christelijke vorming van ideeën en taal aangaande Pasen debet aan de wijdere context, zowel Joods als niet-Joods.


Wright zelf schijnt er geen erg in te hebben dat zijn boek zonder meer tot de helft ingekort zou kunnen worden zonder ook maar één feit van wat hij wil zeggen verloren te laten gaan, maar legt de omvang van zijn boek als volgt uit:


Een van de redenen waarom het boek langer is dan ik verwachtte is omdat ik vastbesloten was alle bewijsmateriaal in ogenschouw te nemen” (8).


Alsof theologen die zindelijke boeken van een paar honderd bladzijden over het onderwerp konden schrijven (d.w.z. alle anderen die er ooit over geschreven hebben) niet alles wat van belang was in ogenschouw hadden genomen!

Maar het argument from thickness of the book zal best slagen. Ik zie in gedachten al hoe jonge theologiestudentjes overal op de wereld in bijbelgetrouwe bijbelscholen deze pil in de handen gedrukt krijgen. De bodem van hun tas valt er bijna uit wanneer ze het naar huis meesjouwen en na vijftien bladzijden ervan aan tafel gelezen te hebben –want wie kan zoiets in z’n schoot of handen houden, en wie kan er redelijkerwijs meer bladzijden van doornemen, - daarvoor moet je zoals ik een uitdaging hebben aangenomen en het lezen ervan per ongeluk beloofd hebben-, doen ze het boek dicht en denken ze dat hun geloof heel, heel redelijk is!




Gedachten over het hiernamaals in de oudheid

De achtergrondinformatie die Wright geeft in de volgende 200 bladzijden is taai, boring voor wie to the point is. Ellenlange teksten over wat men in de oude heidense culturen allemaal dacht (een hoofdstuk over ’schaduwen en zielen en waar ze heen gaan’; er zijn schaduwen, geesten en fantomen in Homeros. Hades bevat geen troost en is een plaats van somberheid) vervolgd door lange uiteenzettingen over de oude Egyptenaren, dan weer wat Plato ervan dacht, en zo kunnen we nog vele uren doorgaan… wat het Oude Testament over het hiernamaals zei (hoeveel is er weer overbodig, want toevallig komen we precies dezelfde opvattingen tegen als bij Homeros, de joodse Sheol is ongeveer synoniem voor de Griekse Hades), even later de latere boeken van het OT, en daarna wat er in de intertestamentaire tijd allemaal gedacht en geopperd werd: Sadduceeën en Farizeeën, Maccabeeën, Henoch, Josephus, Qumran. En tenslotte nog wat kerkvaders en anderen er tot in de derde eeuw van vonden, van Hippolytus tot Pseudo Philo, van Rabbi’s tot Targum.


Het gehele boek door is Wright een tendentieuze apologeet voor een bepaald soort christelijk geloof dat hij probeert te bewijzen. Eén centrale gedachte waar Wright zijn opinies mee beargumenteert, is dat de lichamelijke opstanding een specifiek joods idee was en nergens anders te vinden is. De opstanding van Jezus zou daarom exact in de joodse puzzel passen, en volstrekt niet in de gedachtewereld van het Griekse denken. Maar een lichamelijke opstanding vóór de algemene opstanding aan ‘het einde der tijden’, zou weer een volstrekt nieuwe gedachte zijn, voor het eerst geïntroduceerd door het christendom. Deze gedachte zou zo vreemd en ongehoord zijn geweest dat enkel een waar gebeurde opstanding, waar ooggetuigen van waren, de opkomst ervan kan verklaren. Het interessante van dit onderwerp is dat keer op keer Wright door de bijbel zelf in het ongelijk wordt gesteld. Hem is blijkbaar ontgaan dat in het evangelie van Marcus (6:14-19, 8:28) velen onder het volk, waaronder zelfs de heerser Herodes Antipas, geloofden dat de wonderwerker Jezus niemand minder was dan Johannes de Doper die uit de dood was opgestaan. D.w.z. niet alleen lichamelijk opgestaan, maar nu ook over de macht van wonderen beschikkend, iets wat bij de eschatologische gedachte hoorde. Overigens staat het christelijk geloof, naar mijn mening, danig in het hemd wanneer de opstanding van Jezus door de eerste christenen gezien werd als de aankondiging of het teken dat het einde van de wereld nabij was. Dat er in het christelijk geloof een link is met joodse apocalyptiek die in die tijd populair was, lijkt mij overduidelijk, maar dit spreekt niet in het voordeel van het christelijk geloof. Eerder leidt het tot een omgekeerde conclusie: de joodse apocalyptiek was een hysterische cultus als gevolg van de clash met de hellenistische wereld waarin het oorspronkelijke geloof gedegradeerd werd tot de piep van een muis, een beetje te vergelijken met het eindtijddenken van de moderne gelovigen als gevolg van de enorme druk op en het instorten van het christelijke wereldbeeld in de moderne geseculariseerde wereld. Zoiets resulteert in extremisme, inderdaad goed om een nieuwe religie mee te stichten, maar bepaald niet iets wat gezien kan worden als een natuurlijke uitvloeiing of gezond vervolg op wat de oorspronkelijke godsdienst altijd al gezegd of bedoeld had.


Het is raar dat Wright met de veronderstelling leeft dat hij op elke bladzijde moet bewijzen dat de heidense religieuze denkwereld 'fout' was en de joodse denkwereld op ieder punt 'correct', alsof die twee in de eerste eeuw resoluut van elkaar gescheiden zouden kunnen worden, en alsof men in de eerste eeuw überhaupt over 'het joodse geloof' kan spreken. Het hele idee van de opstanding is duidelijk uit het heidendom het joodse geloof binnengeslopen, maar dit veegt Wright mooi onder het vloerkleed. Daniël 12:12 is het enige vers in het OT waar over een opstanding gesproken wordt, maar dat boek is geschreven ca. 160 voor Christus. Wright haalt ook nog Ezechiël 37 en Jesaja 26 aan, maar de eerste passage heeft volstrekt niets te maken met een leer aangaande de opstanding (het herstel van Israël wordt aangekondigd via het beeld van dorre botten die weer tot leven komen), en Jesaja 26 is een lied, oftewel poëzie dat men al evenmin als een letterlijke lering kan beschouwen. In het zelfde hoofdstuk van Jesaja waar te lezen valt: "Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan" staat vijf verzen eerder: "Doden zullen niet herleven, schimmen niet opstaan."

Het OT bevat trouwens passages in Job en Prediker die regelrecht het opstandingsgeloof tegenspreken. Conservatieve joden (sadduceeën) verwierpen in Jezus' tijd nog steeds het hele idee van de opstanding, en gelijk hadden ze want op basis van de Torah kan men echt niet tot een opstandingsgeloof komen. Wright laat nog joodse rabbi's uit de eerste eeuwen de revue passeren die probeerden voor de opstanding toch nog een tekst te vinden (197/198). Dit levert de leukste leesmomenten op. Deuteronomium 31:16 werd hiervoor aangehaald, maar iedereen die deze tekst opslaat zal zich hogelijk erover verbazen. Je moet de Statenvertaling ervoor lezen om het te kunnen zien en het vers lezen op de manier waarop een bijna analfabeet het doet: "En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden der vreemden van dat land, waar het naar toe gaat." Al even wanhopig is de verwijzing van rabbi's naar Deuteronomium 11: 6 "Dan zult u lang leven in het land dat de HEER onder ede aan uw voorouders en hun nageslacht heeft beloofd, het land dat overvloeit van melk en honing." Sommige wijsneuzen meenden hieruit te kunnen concluderen dat er wel een opstanding móet zijn, omdat God anders zijn eed aan de aartsvaders niet gestand kan doen! Al even wanhopig is te verwijzen naar Deuteronomium 32: 39: "Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend, Ik versla en Ik heel" (de Nieuwe Vertaling doet het beter: "Zie het toch in: ik ben de enige, naast mij is er geen andere god. Ik laat sterven, ik geef leven, ik sla wonden en ik genees." Tenslotte haalden de oude rabbi's als bewijs voor de opstanding nog Deuteronomium 33:6 aan: "Ruben, hij moge leven, en niet sterven, hoe gering zijn aantal ook is." Ze krijgen een tien met een griffel voor het meest bizarre misverstaan van de bijbel, en dank aan Wright om het gelovige geleuter zo uitstekend uit de doeken te doen (hij noemt de uitleggingen van de rabbi's overigens 'ingeneous').


Wright komt af en toe danig met zijn eigen stellingen in de knoop. Hij legt bijvoorbeeld uit dat sommige heidense denkers dachten dat de mens na de dood tot engelen of sterren transformeren, maar in een later hoofdstuk over joodse apocalyptiek laat hij zien dat sommige joodse teksten exact hetzelfde leren! Duidelijker kan de heidense invloed op het joodse denken niet uit de doeken worden gedaan, maar Wright ontkent het op zo ongeveer iedere bladzijde van zijn boek.


Het tendentieuze van Wright is gemakkelijk op te merken voor iemand die wat meer van theologie gelezen heeft. Wright volgt het platgelopen spoor van alle conservatieve christelijke scholars: eerst laat men het joodse geloof een dienst bewijzen aan het christendom door het christendom zo joods mogelijk te maken om daarmee alle heidense invloeden te kunnen ontkennen (Wright is daarbij erg gefixeerd op Rudolf Bultmann, waar het ook maar mogelijk is, laat hij weten dat Bultmann ongelijk had), daarna isoleert men het christendom ook nog zoveel mogelijk van het joodse geloof om het zo uniek mogelijk te maken. De achterliggende gedachte is het christelijk geloof op deze manier neer te zetten als iets dat enkel uitgelegd kan worden indien men goddelijke openbaring en goddelijk optreden in de wereld serieus neemt.




Paulus

Eindelijk komt Wright op bladzijde 209 op Paulus aan. Wat zei Paulus zoal over de opstanding van Jezus? Well eh, introductie, 1 en 2 Thessalonicenzen, Galaten, Filippenzen, Efeze, Colossenzen, Filemon (ja,ja vergeet die vooral niet!), Romeinen, het begint nu warm te worden ... nee, toch niet: Romeinen 5-8, Romeinen 12-16 Interlude: De Pastorale Brieven! ... En wat is de conclusie honderd bladzijden verder? Uiteraard wat Wright op bladzijde 1 al duidelijk wilde maken: 1) dat Paulus in een lichamelijke opstanding geloofde van Jezus en 2) in een lichamelijke opstanding van overleden christenen en 3) dat de opstanding geestelijk gesproken al geanticipeerd wordt in dit leven op basis van no 1 in een metaforische zin. Het belangrijkste wat Wright naar voren haalt, is dat Paulus een jood was, enkel staande in de Farizese traditie en niets te maken had met heidense ideeën. Dit was uiteraard nogal gemakkelijk te bewijzen, want hij heeft geen enkele aandacht besteed aan de mysteriereligies en de heidense hellenistische omgeving waaruit Paulus kwam (Tarsus was een belangrijk centrum in Klein-Azië voor heidense mysteriereligie). Het Griekse woord Christos dat Paulus bezigt zet Wright ook consequent neer in de joodse vorm Messias, zodat het des te gemakkelijker is van Paulus een geheel joods denker te maken. Uiteraard is een link tussen Paulus en de Hellenistische mysteriereligies al wat benodigd is om de christelijke mythe te kunnen verklaren en is het speuren naar een link tussen die twee daarom de interessantste kwestie wat betreft dit onderwerp om je mee bezig te houden. Maar orthodoxie heeft er blijkbaar nog steeds meer baat bij om dit onderwerp volledig stil te zwijgen dan zich erover uit te spreken. In het hele massieve boek van Wright komt de term ’mysteriereligies’ maar één keer voor! Het volgende citaat is alles wat hij erover schrijft:


Maar zeker niet iedereen las Plato in de antieke wereld. Hij bleef uiteraard invloedrijk in de wereld van de filosofie, maar de volkscultuur ontwikkelde zich in richtingen waarvan er twee met name genoemd dienen te worden. Al in de dagen van Socrates stonden de mysteriereligies volop in bloei. Ze boden schijnbaar een vergelijkbaar assortiment aan diensten als de filosofische wijsheid, maar zonder moeizaam intellectueel werk. Beginnend met de Orfische cultus, maar zich heel breed uitbreidend, boden deze religies (zo deze term überhaupt toepasbaar is voor ze) aan ingewijden een wereld van persoonlijke spirituele ervaring aan in het huidige leven, dat ook zou voortduren in de volgende wereld na de dood. Socrates wist al van ze, Aristophanus maakte er grapjes over, ze waren populair in Rome. Ze boden wat men sinds de Verlichting noemt een meer religieuze benadering aan van dit leven, en zaligheid in het volgende. In plaats van de droge, verfijnde wereld van filosofische beschouwing, bevredigden ze emoties, boden ze een herboren ziel aan in het hier en nu en het hiernamaals. [Wright vervolgt met de tweede ontwikkeling, de gnostiek] (51)


Hoezeer verraadt Wright hier zichzelf! Hij kon de mysteriereligies niet helemaal negeren in zijn boek. Hij ontkwam er niet aan ze even zijdelings te noemen. Maar dit fenomeen dat wel 1000 jaar lang de gehele Hellenistische wereld overspoelde zo summier mogelijk op te sommen brengt juist een kanjer van een probleem voor hem naar boven, waarover hij in alle toonaarden muisstil blijft: Wat is het verschil met het christendom van Paulus!? Die nota bene zelf vertoefde in en schreef aan mensen in díe hellenistische wereld, en er ongetwijfeld goed mee bekend waren? En is het oudste evangelie, dat van Marcus niet bij uitstek een populair traktaat, typisch geschreven door en voor het ongeletterde volk? En werden over het christelijk geloof niet ook grapjes gemaakt vanwege haar dwaze geloofsovertuigingen? (Hand. 17: 32) Indien iemand bovenstaande passage had opgelepeld als beschrijving in een notendop van het christelijke geloof zou niemand het tegenspreken. Wellicht omdat Wright het zelf ook wel door heeft, gebruikt hij ertussendoor nog zoveel mogelijk insinuaties om de mysteriereligies irrelevant en oppervlakkig te maken, zelfs om de mysteriereligies tot wat anders dan religie te maken: de term religie zou zogenaamd een ongepaste benaming voor ze zijn, de Verlichting zou zogenaamd achteraf pas deze betekenis aan ze geven. Hier wekt hij de indruk geheel opzettelijk onoprecht te zijn en bewust te willen misleiden.

Nu Wright het hier voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst, over de Verlichting heeft: op Amazon is ook één korte boekreview door een ongelovige waar deze passage te lezen staat:


Lastly, because of the wildly retrograde literalism and apocalypticism of first century resurrection beliefs, I personally came away thinking that the consequences of Jesus' resurrection would be bad for most of humanity (who would end up in hell). I feel further that if everybody believed this way that it would send contemporary scientific and Enlightenment rationality into a tailspin (Wright in fact takes frequent contemptuous barbs at Enlightenment rationalism in this book. One wonders if he wishes for a return to the Dark Ages).


Robert M. Price in een vernietigende maar kostelijke boekrecensie van onderhavig boek schrijft over Wright:


He would lead the hapless seminary student (whom one fears will be assigned this doorstop) backwards into the pre-critical era with empty pretenses of post-modern sophistication, shrugging off the Enlightenment by patently insincere attempts to wrap himself in the flag of post-colonialism. Genuine criticism of the gospels he dismisses as the less advanced, muddled thinking of a previous generation, as if “cutting edge” scholarship like his were not actually pathetic nostalgia for the sparkling Toyland of fundamentalist supernaturalism. It is a familiar bag of tricks, and that is all it is. The tragedy is that many today are falling for it.


Nu Paulus na een kleine 100 bladzijden op en top joods is gemaakt, en bovendien nog in een letterlijke opstanding van het lichaam gelooft, is het voor Wright eindelijk mogelijk om naar 1 Korinte 15 te gaan, waar duidelijk het omgekeerde van dit alles te lezen is, maar hetgeen nu allemaal gemakkelijk umgedeutet kan worden tot het tegengestelde.

Het begint nu voor het eerst eindelijk interessant te worden op bladzijde 317. Het gaat daar in de eerste plaats om het begin van het hoofdstuk, 1 Kor. 15:1-8:


Broeders, ik herinner u aan het evangelie dat ik u verkondigd heb, dat u ook hebt aangenomen, dat uw fundament is 2 en uw redding, als u tenminste vasthoudt aan de boodschap die ik u verkondigd heb. Anders bent u tevergeefs tot geloof gekomen. 3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6 Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. 7 Vervolgens is hij aan Jacobus verschenen en daarna aan alle apostelen. 8 Pas op het laatst is hij ook aan mij verschenen, aan de misgeboorte die ik was.


1- Het eerste wat aan deze oudste informatie van wat overgeleverd werd opvalt is dat het op vrijwel geen enkele manier in overeenstemming is te brengen met de evangeliën. Paulus weet niet dat Jezus het eerst verscheen aan een vrouw of vrouwen. En hij heeft geen weet van Judas, want hij denkt dat Jezus verscheen aan ‘de twaalf’. De evangeliën weten voorts niets van een verschijning aan Jacobus, noch over een verschijning aan 500 broeders tegelijk. Al die zaken zijn onoverkomelijke weglatingen, want zo’n verschijning aan Jacobus zou uiteraard cruciaal zijn voor de autoriteit van iemand die als hoofd van de kerk te Jeruzalem bekend stond, dus bij uitstek een zaak om over te leveren; en een verschijning aan 500 laat toch niemand weg indien er ook maar zo’n overlevering voorhanden is.

Ik concludeer dus, -na niet meer dan vier zinnen van argumentering nodig gehad te hebben-, dat de veel later geschreven evangeliën duidelijk opgemaakte verhalen zijn.

Laten we nu eens bekijken hoe Wright deze zaken becommentarieert. Hij heeft er welgeteld 12 bladzijden voor nodig om op de tegenovergestelde conclusie van die van mij te komen! Dat belooft niet veel goeds!

Wright beklemtoont dat deze opsomming een vaststaande formule moet zijn geweest en we er dus zo ongeveer 20 jaar verder terug mee komen, tot op de allervroegste christelijke tijd. Wat Wright er mee opschiet weet ik niet, want dat beklemtoont enkel dat het volslagen vreemd is dat de latere evangelieschrijvers deze fundamentele overlevering niet kennen. Blijkbaar deugde er dus niet veel van het systeem van de mondelinge overlevering. Als alternatief hebben we, dat die overlevering van Paulus juist is, maar er van de verhalen van de evangeliën niets klopt. Wright merkt vervolgens op dat de laatste zin waarschijnlijk ook tot de formule zal hebben behoord, met de naam Paulus in plaats van het woordje ‘mij’. Dit is uiteraard je reinste speculatie en dient enkel om het beeld te scheppen dat de jonge kerk volledig unaniem was en men overal hetzelfde predikte en de verschijningen geheel afgerond waren. Zoals de bijbel zelf vertelt hielden de verschijningen echter niet op maar liet Jezus zich ook nog later in een visioen zien aan ene Johannes op Patmos. En de vroegchristelijke literatuur kent een lange lijst van visioenen, dus niemand van de vroege christenen liep rond met de gedachte dat de verschijningen voorgoed voorbij waren.


2- De pikantste kwestie is, waarom er in deze vaststaande geloofsbelijdenis van de vroege kerk geen melding wordt gemaakt van vrouwen, indien je moet geloven dat de bijbelse evangeliën inderdaad een feitelijk verslag geven van historische gebeurtenissen (hoewel dat ook al moeilijk te geloven is aangezien er geen overeenstemming is over wie de vrouwen waren en of het aantal één, twee, of drie was of nog meerdere). Wright redt zich er op een zeer twijfelachtige wijze uit: “Het is goed bekend dat vrouwen in de antieke oudheid niet werden gezien als betrouwbare getuigen. Ze konden niet uit de evangeliën worden weggewist, want hun verhaal van het lege graf was een primair gegeven. Maar toen in de allereerste jaren het paasverhaal werd verteld zowel als boodschap voor de gemeenteleden als aan buitenstaanders, en vooral wanneer dit in de wijde wereld werd ‘overgeleverd’ aan de nieuwe bekeerlingen, ontstond er een enorme druk om de vermelding van de vrouwen in een formele korte uiteenzetting maar weg te laten” (326).

Dat deze uitleg niet klopt kan men al hieruit opmaken dat Wright onmiddellijk vervolgt met te zeggen: “Dat wil niet zeggen dat Paulus vrouwen niet als ‘apostelen’ kan beschouwen, d.w.z. als getuigen van de opstanding” (326). Hij geeft hierbij een verwijzing naar een duistere schriftplaats, maar laat niet horen wat daar staat en doet verder of zijn neus bloedt. Even opzoeken dus:


Groet Andronikus en Junia, mijn volksgenoten die met mij in de gevangenis hebben gezeten, die als apostelen veel aanzien genieten en die eerder dan ik één met Christus zijn geworden (Rom 16:7)


Ten eerste definieert Wright het woord apostel dus als synoniem voor ‘iemand die getuige is geweest van de opstanding’. Maar dat strookt helemaal niet met dit schriftwoord, want we horen nergens een verhaal dat Jezus ook verschenen is aan ene Andronikus en ene Junia. Dit doet hij dus om ze maar niet de titel van apostel in de zin van verkondigers/verbreiders van het woord te hoeven geven. Zou hij dat moeten doen, dan gaat zijn bewering niet meer op dat het getuigenis van vrouwen niet serieus genomen zou worden. Maar wat men nu eigenlijk precies verstond onder de term 'apostel' is eigenlijk van generlei belang met het oog op Paulus’ volgende woorden: “die als apostelen veel aanzien genieten”. Deze frase kegelt Wrights bewering, dat het getuigenis van vrouwen niet serieus genomen zou worden, evenzeer om. Er wordt dus nota bene juist het omgekeerde beweerd dan wat Wright ons wil wijsmaken, en nog wel door Paulus zelf in de bijbel!


Maar eigenlijk is het bijzonder bedroevend dat Wright om de bijbel te redden zijn toevlucht kan nemen tot welke minderwaardige uitvlucht dan ook die hij maar kan verzinnen, want wat schiet hij nu op met zijn uitleg? Nu moet de orthodoxe christen dus geloven dat de vroege christenen zo opportuun waren de waarheid te verzwijgen ten behoeve van de meest effectieve propaganda. Klinkt dat even fraai! En is het geloofwaardig? Ik ben 30 jaar gelovige geweest en weet hoezeer gelovigen de kleinste details in het woord Gods altijd weten op te blazen tot zeer belangrijke dingen. Indien het waar was dat de opgestane Jezus zich het eerst liet zien aan vrouwen, dan zou het absoluut voor iedere gelovige een diepe goddelijke boodschap zijn: dat God speciale aandacht heeft voor vrouwen. En meer nog: dat toen alle mannen in hun schulp gekropen waren enkel de vrouwen niet de moed opgaven! Hoe speelt Wright het klaar om één van de mooiste bijbelse boodschappen die er gegeven worden zo weg te werken? Ten dienste van een dom spelletje dat de verslaggeving van de bijbel nooit tegenstrijdigheden mag vertonen!

Overigens geeft de Nederlandse Nieuwe Bijbelvertaling op alle plaatsen waar in de grondtekst ‘broeders’ staat de vertaling ‘broeders en zusters’, en laat deze bijbelvertaling dus in bovenstaande passage Paulus tweemaal ‘en zusters’ schrijven. Ik heb die pertinent valse toevoeging geschrapt, maar het laat zien dat de meerderheid van gelovigen het blijkbaar niet eens is met Wrights opvatting van de positie van de vrouw in de eerste eeuw.


3- Het volgende probleem: Paulus heeft het over ‘de twaalf’, maar dat is een onmogelijkheid want Judas was er niet meer bij. Zo’n kardinale fout kan toch niet in een officiële uit het hoofd te leren overlevering zitten? In de evangeliën wordt er heel zorgvuldig gesproken over verschijningen aan ‘de elf’. Hier hebben we Wrights gewurm en gekronkel om het op te lossen:


Het is moeilijk te zeggen hoeveel gewicht we aan deze frase moeten geven en in welke richting die wijst. Het zou kunnen dat deze traditie een vroege voorstelling representeert van het verhaal wat doorverteld werd, hetgeen later is gepreciseerd. Of dat hier het gevoel van verlies van Judas nog bewaard is gebleven, of vanwege dat het aantal apostelen volgens Handelingen al spoedig weer op 12 kwam te staan, men eenvoudig vasthield aan het aantal twaalf, vanwege de theologische betekenis van het getal in het vroege christendom. Niets belangrijks hangt er van af in het onderhavige verband, maar we zullen er op terugkomen wanneer we de evangelieverhalen behandelen” (324).


Hoe buitengewoon irritant weer die laatste zin. Alsof dit een bijzaak is, en alsof Wright de lezer (en hemzelf, hoe verraadt hij weer zichzelf!) die niet overtuigd is van de ongeloofwaardige uitleggingen die hij voorschotelt, de zaak later wél even geheel duidelijk kan maken! Uiteraard weet de lezer in dit doolhof niet naar welke bladzijde hij nu moet gaan om de laatste druppel redelijke oplossing voor het probleem eruit te persen. En uiteraard is de lezer die ergens 300 bladzijden verder is gekomen al lang en breed vergeten dat hem hier iets beloofd werd.

Dus een uit het hoofd te leren officiële overlevering die overal gepredikt wordt, kan wel 20 jaar lang nogal onnauwkeurig en globaal zijn en cruciale onderdelen helemaal weglaten omdat het er zogenaamd niet toe doet, maar weer pakweg 30 tot 60 jaar later (wanneer Matteüs, Lucas en Johannes geschreven worden) opeens heel precies beschreven worden? Kan Wright nog iets onwaarschijnlijkers bedenken? Ja, inderdaad kan hij dat. De discipelen hadden allemaal zo’n droefheid over Judas dat ze hem er toch maar bij hielden bij het opstellen van de formele uiteenzetting van de verschijningen van de opgestane Jezus. Dat is toch alle gekheid op een stokje?


4- Beschamend is de uitleg van het vervolg van 1 Kor. 15, waar Wright een volkomen harmonisatie nastreeft met waar hij tevoren al op gekomen was, terwijl het hele hoofdstuk hem op de sterkst mogelijke manier tegenspreekt. Wright merkt meerdere malen op dat alle bronnen een leeg graf vermelden, maar Paulus, het oudste christelijke getuigenis, vermeldt dit nu juist niet! Paulus ként geen paasdag, hij ként geen herrijzenis van het lichaam van Jezus uit een graf. Uiteraard schrijft Wright op dat punt: “Het feit dat het lege graf, -zo prominent in de evangeliën-, niet specifiek genoemd wordt in deze passage, is niet van belang” (321). Het tegendeel is echter het geval, want in dit hoofdstuk waarin Paulus over de verschijningen spreekt, laat hij weten dat Christus is opgestaan ‘als de eerste van de gestorvenen’ (vers 20), op dezelfde manier zoals alle mensen ooit eens opgewekt worden (vers 21). En even later houdt Paulus zich bezig met een mogelijke tegenwerping: “Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’” Uiteraard zou de Paulus van Wright hier automatisch gewezen moeten hebben op het lichaam van Jezus zoals die uit het graf opstond, zoals Thomas hem kon betasten, een lichaam waarvan de littekens nog zichtbaar waren, maar dit doet hij nu juist net niet! Hij doet juist exact het omgekeerde en schrijft: “Dwaas die u bent!” Oftewel hoe dom van jullie om te denken dat men in een stoffelijk lichaam zal opstaan! Paulus vervolgt met een lange uitleg dat het hier niet om een stoffelijk lichaam gaat, maar men ‘een hemels lichaam’ of ‘een geestelijk lichaam’ zal krijgen. De eindconclusie laat niets aan duidelijkheid over: “Wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het Koninkrijk van God” (vers 50). Paulus geloofde dus beslist niet dat Jezus opgestaan was met een lichaam van vlees en bloed, waarvan de littekens nog steeds te zien waren, en dat een hapje zou eten en een slokje drinken, zoals Lucas en Johannes en Handelingen (10:41) ons willen wijsmaken. Zijn uitroep ‘dwaas die u bent’ laat zien dat hij de gedachte aan een lichamelijke opstanding van Jezus en een lichaam van vlees en bloed dat eet en drinkt zou beschouwen als godslasterend.

Maar Wright negeert dit alles. Hij stelt eenvoudig lang voordat hij dit hoofdstuk becommentarieert (288) dat ‘vlees en bloed’ in 1 Kor. 15: 50 synoniem is voor ‘sterfelijk en vergankelijk’. Tja, op deze manier kun je ieder woord en ieder begrip in de bijbel naar believen de inhoud geven die je wel leuk vindt. Het is uiteraard niet erg aannemelijk, want de reden waarom Paulus het nu net over ‘vlees en bloed’ heeft, is omdat het lichamelijke nu net sterfelijkheid en vergankelijkheid impliceert. Typerend voor Wright: het commentaar op 1 Kor. 15 beslaat wel 43 bladzijden, maar het cruciale vers 50 slaat hij hier mooi over!

De reden waarom Wright zich eruit moet wringen, is duidelijk: hij moet vanwege zijn religieus geloof alle bijbelpassages in harmonie met elkaar laten zijn. De manier waarop het hem lukt, is uiteindelijk de lichamelijkheid van Jezus, en allen die later opstaan, ‘transphysical’ te noemen. Met die term lukt het hem prachtig de kool en de geit te sparen: het opstandingslichaam is echt lichamelijk, maar aan de andere kant is het lichaam ook wat wij een spooklichaam zouden noemen. Uiteraard komt hij op deze term van transfysikaliteit via de absurde zaken die ons in de opstandingsverhalen van Jezus allemaal voorgeschoteld worden. Jezus heeft littekens, eet en drinkt (‘echt lichamelijk’), maar beschikt ook over diverse kenmerken waar de liefhebbers van de X-files mee in hun schik zullen zijn, zoals dat mensen hem niet herkennen al zijn ze urenlang in zijn gezelschap, en zoals in staat zijn tot verdwijnen in het niets en opeens verschijnen uit het niets, en zich te transporteren naar de hemel. Wat betreft dat laatste laat Wright een hele tijd later (655) uitdrukkelijk weten geen ruimtevaarder van Jezus te willen maken. Hoe hij dan wel in de hemel aankomt, zegt hij heel wijselijk niet, want het enige waar wij mensen dan nog aan kunnen denken is mooie afleveringen van Star Trek waar mensen gedematerialiseerd worden om ergens anders opeens weer in materiële vorm te verschijnen. Het gekke met fundamentalistisch geloof is dat mensen alles altijd zo letterlijk mogelijk willen geloven, maar toch nooit bereid zijn de weg tot het eind te bewandelen. Er is een grens die je niet mag overschrijden omdat dan alles lachwekkend wordt, zoals een Jezus die vrijt met Maria Magdalena of, zoals ik bij mezelf opmerkte, opeens geconfronteerd te worden met dat schilderij van Titiaan waar ik de opgestane Jezus echt als een lichamelijk wezen kan zien en als een raket de lucht in kan zien vliegen.


5- Een volgende interessante frase in de vroege geloofsformule is tweemaal de uitdrukking ‘zoals in de Schriften staat’. Eenmaal als verwijzing naar dat Christus ‘voor onze zonden’ is gestorven, en eenmaal dat hij ‘op de derde dag’ is opgestaan. Dit heeft theologen laten zien dat de vroege christenen geobsedeerd waren met het vinden van bewijzen voor hun geloof via wat ze als profetieën zagen in het OT en meer nog: dat het geloof geconstrueerd werd aan de hand van OT passages. Het interessante is dat al deze ‘bewijzen’ die we aangedragen krijgen in de diverse nieuwtestamentische boeken, een bizar oneigenlijk gebruik van oude teksten impliceren (en nooit iets met profetieën te maken hebben), iets wat blijkbaar heel gewoon was in die tijd, want men heeft het ook opgemerkt in het commentaar op Habbakuk van de Qumran sekte of kan het al opmerken uit de hierboven vermelde hilarische schriftinterpretatie van de joodse rabbijnen om de opstanding vanuit de Torah te bewijzen. Hoe in vredesnaam kan de geloofsbelijdenis zeggen dat Christus ... op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat? Speurneuzen hebben opgemerkt dat de frase ‘op de derde dag’ (=ten derde dage) exact één keer voorkomt in het oude Testament, namelijk in het boek Hosea: "Komt, laat ons wederkeren tot de HERE! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden. 2 Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht." (Hos. 6:1,2). En er wordt in die tekst inderdaad gesproken over opwekking, over doen herleven! Hosea 6:2 is dus uit zijn context (waar gedoeld wordt op het volk Israël) gerukt, en door de christenen heel letterlijk geïnterpreteerd en gezien als een profetie over hun Christus. Via dit soort ‘vondsten’ uit het OT is de hele lijdensgeschiedenis en opstandingsgeschiedenis van Jezus gefabriceerd. Wellicht moeten we dan niet aan bedriegerij denken maar aan mensen die oprecht dachten dat ze allerlei feiten uit Jezus’ leven via heilige teksten in het OT konden nagaan. Zo vonden ze ook weer versterking voor hun verhaal in de legende van Jona, maar zoals we weten klopt de berekening van drie dagen en drie nachten dan niet exact, en zo krijgen we een probleem wanneer we kritisch zijn, maar daar waren de eerste christenen die al deze geweldige vondsten in het OT ontdekten zich in hun enthousiasme niet van bewust (Matteüs spreekt eenvoudig zichzelf tegen in zijn evangelie, maar merkt het niet op).


Het commentaar van Wright is weer een prachtig voorbeeld van iemand die mensen om de tuin leidt. Uiteraard weet hij als theoloog, dat absoluut niets van de opstanding van Jezus is voorspeld in het Oude Testament, maar als orthodox gelovige moet hij natuurlijk onderschrijven wat de christelijke leer beweert. Hij doet het op deze manier: “Paulus doelt hier niet op bepaalde bewijsteksten. Hij heeft hier geen één of twee, of een half dozijn geïsoleerde passages op het oog over een dood voor zondaars. Hij doelt hier op het verhaal van de bijbel als geheel, een verhaal dat zijn climax bereikt in de Messias en nu verder gaat met een nieuwe fase van hetzelfde verhaal, een fase waarin de toekomstige eeuw zich al aangekondigd heeft, de fase die als centrale eigenschap de redding van zonden heeft, en de redding uit de dood, d.w.z. de opstanding” (320). Wanneer Wright een bladzijde verder het specifiek heeft over de tweede keer dat de frase gebruikt wordt, -‘dat Christus op de derde dag is opgestaan, zoals in de schriften staat’-, lepelt hij weer exact dezelfde redenatie op: “De kwalificerende frase hier kijkt terug naar het gehele bijbelse verhaal als een geheel, niet enkel maar naar een aantal bewijsteksten”. Op deze manier kan Wright tegenspreken dat de vroege christenen wel degelijk prooftexts hadden voor hun opvattingen, en ze die heel naïef letterlijk interpreteerden. Maar wat schiet Wright ermee op? Uiteraard kan hij niet om Hosea 6:2 heen, en moet hij het, nadat hij al uitvoerig geschreven heeft over hoe globaal we de frase ‘zoals in de schrift staat’ moeten interpreteren, tóch vermelden. En aangezien hij van letterlijke bewijsteksten niet wilde weten, moet hij nu van zijn commentaar op dit vers een spel maken waarin de letterlijke toepassing van deze tekst op Christus zoveel mogelijk weggedrukt wordt, en weer opnieuw beklemtonen dat de christenen de tekst lazen in het licht van ‘het gehele bijbelverhaal’ dat op het herstel van Israël duidde. Maar hoe geloofwaardig is zoiets? ‘Herleven’ van een volk heeft volstrekt niets te maken met een letterlijke opstanding uit de dood. En indien Wright en de christenen dat toch op een letterlijke opstanding van Jezus willen betrekken –en hoe overduidelijk doen ze dit in het nieuwe testament door in hun verhaal altijd maar het afwisselend ‘op de derde dag’ in navolging van Hosea 6:2, of ‘na drie dagen’ in navolging van het verhaal over Jona, te beklemtonen- , dan doen ze dus wel degelijk aan naïef oneigenlijk gebruik van OT teksten.

Wat Wright doet, is telkens het omgekeerde van hoe het zou moeten: in plaats van eerst onderzoeken en daarna met conclusies op tafel komen, is het steeds eerst uiteenzetten wat Wright van mening is (motto: alles tegenspreken wat ongeloof en de moderne theologen van mening zijn), en daarna het materiaal met geweld hetzelfde laten zeggen. Dit is uiteraard typerend voor al het fundamentalistisch geloof, maar toch is het irritant het keer op keer weer op te moeten merken.


6- Geen woord horen we over het gigantische probleem in de theologie dat Paulus geen enkele weet heeft van wat dan ook wat in de evangeliën wordt vermeld. Paulus heeft geen weet van Jezus maagdelijke geboorte, zijn vader Jozef, de kerstgeschiedenis, geen weet van Bethlehem, geen Nazareth of Galilea, geen Jeruzalem in verband met Jezus, geen weet van de jonge Jezus in de tempel, de verleiding in de woestijn, geen bruiloft te Kana, geen gesprek met Nicodemus, geen Samaritaanse vrouw, weet niets van de doop van Jezus door Johannes de Doper, heeft weet van geen enkele gelijkenis die Jezus vertelde (zelfs geen verloren zoon, zelfs geen barmhartige samaritaan, zelfs geen goede herder op zoek naar een verdwaald schaapje), van geen enkel wonder van Jezus (zelfs geen Lazarus of genezing van blinden of tweemaal vermenigvuldiging van brood of luwen van een storm), geen weet van de talloze uitspraken van Jezus (zoals de bergrede of de lange preken van Jezus in het evangelie van Johannes, zelfs geen Onze-Vader-gebed of een ‘Ik ben’ uitspraak van Jezus), geen weet van duiveluitbanningen, geen weet van zijn toekomstvoorspellingen, geen weet van voetzalving door Maria, van eten met zondaars, tollenaars en omgaan met lichte vrouwen, geen weet van Judas de verrader, geen weet van de zelfmoord van Judas, geen weet van Herodessen en Pilatus, geen weet van de verheerlijking op de berg, geen weet van de Farizeeën als tegenstanders van Jezus (Paulus was trots op zijn farizeeërschap), geen weet van de tempelreiniging, van de intocht in Jeruzalem, van voetwassing, geen weet van Getsemané, van de verloochening van Petrus, en dat de kruisiging in Jeruzalem plaatsvond, geen weet van de naam Golgotha, geen weet van de twee andere gekruisigden, van het graf van Josef van Arimathea, geen weet van een leeg graf, geen weet van de opstandingsverhalen in de evangeliën (geen weet van vrouwen die Jezus het eerst zagen, geen weet van Thomas, geen Emmaüsgangers), geen weet van de zendingsopdracht die door Jezus zou zijn uitgesproken, geen weet van Jezus’ uitspraken over het Gehenna (de hel), geen weet van de rede van Jezus over de laatste dingen, geen weet van de hemelvaart.

Kortom hij weet niets over wat de evangeliën ons wijs proberen te maken over de historische Jezus. Maar in plaats van hieraan ook maar de minste aandacht te schenken, komt Wright met een conclusie “Het blijkt dus dat de vaststaande, algemene en vroege traditie, ondubbelzinnig bewijs is dat de vroegste christenen geloofden dat Jezus lichamelijk opgewekt was en dat dit de oudtestamentische verhalen vervulde”. Zelfs hier merkt Wright niet op dat er in de onderhavige geloofsbelijdenis geen sprake is van Jezus, maar van ‘Christus’ en merkt hij niet op dat de aanleiding voor het hele hoofdstuk 1 Kor. 15 is dat sommige christenen blijkbaar beweerden dat er geen opstanding is (vers 12). Alhoewel Paulus zich daar ook zelf over verbaast, laat het zien dat het dus blijkbaar niet zo’n uitgemaakte zaak was als Wright met een bont palet aan adjectieven wil beweren. Maar de manier waarop Paulus de opstanding verdedigt (de Korintiërs uitleggen dat het om een geestelijk lichaam gaat dat niets met vlees en bloed te maken heeft) laat indirect zien wat deze tegenstanders van de opstanding wellicht in het hoofd hadden: er kán geen letterlijke opstanding zijn van het lichaam, een opstanding van vlees en bloed, en hiermee is Paulus het eens.




Marcus

De volgende passages van belang in Wrights boek zijn zoals gezegd vanaf bladzijde 616 te vinden. Hij merkt allereerst op dat men het einde van het evangelie van Marcus (hoofdstuk 16 vers 8 ) kan lezen als een perfect einde van een verhaal:


Een boek van duistere mysteriën, geheime openbaringen, flitsen van inzicht te midden van somberheid, de uitdaging van geloof zonder zien, en tenslotte trillen van angst, paniek en stilte.


Hoe interessant zo’n einde! Hoe modern! Hoe actueel, reageer ik meteen. Als een moderne roman!


Maar Wright geeft ons geen moment om dit verder te overdenken maar vervolgt onmiddellijk met een lang betoog om exact het tegenovergestelde te opperen! Hij begrijpt maar al te goed dat de combinatie ‘Marcus is het oudste evangelie’ met toevoeging ‘dat eindigt op 16:8’ dodelijk is voor het gehele christelijk geloof. Toen het mij ooit voor het eerst duidelijk werd, wist ik gelijk dat daarmee het hele christelijk geloof door de mand was gevallen. Want dan is alles wat er na Marcus nog gezegd is duidelijk fantasie. Indien Marcus namelijk niets over verschijningen van Jezus wist te vertellen, dan wáren die verschijningen er dus uiteraard nog niet in de tijd dat hij schreef. Eigenlijk bereikt het kritische onderzoek naar de historiciteit van Jezus’ opstanding hiermee een definitief eindpunt: dat het evangelie van Marcus het oudste is, staat namelijk zo vast in de theologie dat zelfs Wright dit niet durft te ontkennen (alhoewel hij ergens op bladzijde 679 nog sprankje hoop blijft onderhouden dat Matteüs misschien toch nog de bron voor Marcus is geweest; de eerlijkheid wint het dit keer en hij is gedwongen het 'an outside chance' te noemen). Het einde van het evangelie van Marcus daarbij opgeteld, bewijst doorslaggevend dat de opstanding geen letterlijk historisch gebeuren geweest kan zijn, want Marcus kent geen verschijningsverhalen.


Er blijft voor Wright dus geen andere oplossing over dan exact het tegengestelde te beweren van wat het evangelie van Marcus ons in werkelijkheid vertelt. En dat lukt hem door te zeggen dat het evangelie oorspronkelijk langer geweest zal moeten zijn. Het oorspronkelijke einde moet in een heel vroeg stadium verloren gegaan zijn! We krijgen vervolgens weer de bekende dosering van wegwuiven van het belang van de zaak in kwestie, gecombineerd met een triomfantelijke uitspraak dat hij iets belangrijks ‘demonstreert’: “Niets in de algemene argumentatie van dit boek hangt [essentieel] af van dit argument, maar het feit dat dit argument gemaakt kan worden, demonstreert een belangrijke negatieve implicatie: dat Marcus niet gebruikt kan worden –zoals zo vaak gedaan is- om te concluderen dat de vroege christenen niets anders wisten dan dat er een leeg graf was, angst en beven en paniek” (617). Het is volgens Wright een te gemakkelijke oplossing, veel te recht toe recht aan, om een QED te zien in de redenatie dat men gemakkelijk chronologisch de stijgende lijn van mythologisering kan ontwaren: eerst Marcus met weinig tot niets, dan Matteüs met een beetje meer legenden en vervolgens nog Lucas en Johannes met een hele hoop fantasie.


Het is op z’n minst een serieuze mogelijkheid dat Marcus werkelijk een uitgebreider einde had dat verloren is gegaan.


Wright geeft als eerste scenario dat het einde van het verhaal uiteraard het einde van een boekrol geweest moet zijn, en uiteinden altijd meer kans hebben op beschadiging. Niemand zal dit willen betwisten, maar zou zo’n gemeente waar zo’n exemplaar van het evangelie waar het laatste gedeelte van de boekrol scheurt niet het fragment zorgvuldig bewaard hebben en er zo spoedig mogelijk voor gezorgd hebben dat er een nieuwe kopie wordt gemaakt van het evangelie? Ik zie het ze onmogelijk in de prullenmand gooien en zeggen ‘wat geeft het, er staat toch niets belangrijks op het eind’. Vooral niet wanneer we in ogenschouw moeten nemen dat het de boekrol zou zijn die als eerste vervaardigd is geweest, en er bovendien nog geen kopieën van bestonden (anders houdt de theorie geen stand).
We hebben al eerder gezien tot welke hoogten van onwaarschijnlijkheid Wright bereid is te gaan, maar zijn volgende voorstel slaat werkelijk alles: “Of misschien ging Marcus dood voordat hij zijn evangelie af kon maken (iets wat ook bij Johannes gebeurd kan zijn)”.
De volgende mogelijkheid is dat Marcus op een andere manier verhinderd werd zijn werk voort te zetten, maar Wright bedenkt zich: dan zou het werk ongetwijfeld spoedig door een ander zijn vervolgd (en dat is uitgesloten want de latere vervolgversies van Marcus die we kennen, en die in bijbels eraan vastgeplakt zijn, dateren allemaal van veel later).
Wright bedenkt een volgende mogelijkheid: met het oog op het feit dat er wel 500 getuigen waren (die van 1 Kor. 15:6) die nog vrijwel allemaal in leven waren, liet Marcus het einde bewust open met de bedoeling dat wanneer het tot zover gelezen was, iemand uit de gemeente het verhaal met een eigen ooggetuigenverslag afmaakte... Wel, indien zo, dan staat de opvatting dat het om een ‘visioenengeloof’ ging des te steviger, en is het des te vreemder dat de latere Matteüs en Lucas en Johannes helemaal niets van die 500 broeders en hun getuigenissen wisten. We hoeven echter de wanhopigheid van al deze redeneringen niet te onderstrepen, want Wright schrijft erachteraan dat hijzelf ze ook niet bijster waarschijnlijk acht, en hij kiest daarom voor wat hij het allereerst opperde: de originele boekrol werd beschadigd en het oorspronkelijke einde ging verloren.


De opinie van Wright is verstrekkend. Ik zou bijna zeggen ongehoord, want we hebben hier nu een apologeet die de bijbel verdedigt op basis van wat pertinent níet in de bijbel staat en wat regelrecht ingaat tegen wat wél in de oudste grondteksten van betreffend bijbelboek staat! Daarenboven is de opinie m.i. komisch, want waar het Wright uiteindelijk om te doen is, is de verdediging van zijn geloof en dat geloof staat of valt met de claim dat de bijbel een goddelijke openbaring voor alle tijden is. Indien Wright gelijk heeft, moeten we dus de conclusie trekken dat God niet in staat was om het allerbelangrijkste gedeelte van de hele goddelijke openbaring, het oudste getuigenis van de verschijningen van de opgestane Jezus, de kern van het christelijk geloof, te bewaren! Hoe groot kun je de stunteligheid van je God of Heilige Geest (whatever) maken, vraag je je hier af. Als er nou een haatpsalm of een paar hysterische OT profeten, een saai boek zoals Leviticus, Ezra of Nehemia, of gruwelboek zoals Jozua of Richteren, of een niemandalletje zoals de brief aan Filemon of een overbodig boek zoals de brief van Judas, of een psychotisch boek zoals Openbaring aan Johannes, was verloren gegaan, wel, fiat, die hadden we allemaal kunnen missen als kiespijn, maar waarom nou juist dit gedeelte, het meest beslissende gedeelte van de bijbel wat betreft de christelijke versie ervan?


Tenslotte is een gevolg van deze opinie dat we meteen uitgepraat zijn over de tekst 16:1-8, oftewel het hele verslag van Marcus, aangezien we dat dus niet kunnen lezen en interpreteren als op zichzelf staand, als door de schrijver bedoeld einde van het evangelie. We begrijpen meteen hoezeer dit iemand als Wright uitkomt, want wanneer je erop gaat studeren waarom Marcus nu juist met zo’n einde komt, dan ligt het al gauw voor de hand het hele opstandingsgeloof als religieuze mythe, innerlijke ervaring, verbeelding, te gaan beschouwen.
Overigens boorde Wright zijn eigen standpunt zelf al in de grond in zijn eerste paragraaf waar hij over Marcus schreef. En wel met het allersterkste argument wat men ervoor zou kunnen gebruiken: hij gaf toe dat men Marcus 16:8 kan lezen als een perfect einde van een verhaal. Er is dus geen enkele goede rede om Wrights veronderstelling te doen.




Matteüs

Matteüs heeft het evangelie van Marcus gecorrigeerd. Hij heeft twee verschijningen van Jezus erbij verzonnen én een Romeinse wacht als argument tegen de tegenwerping -die christenen die het opstandingsverhaal vertellen natuurlijk automatisch en zonder ophouden te horen krijgen-, dat de discipelen dan wel het lijk gestolen zullen hebben. Bovendien dramatiseert hij het gebeuren door een engel met een hoop fanfare (een aardbeving en verblindende verschijning) uit de hemel neer te laten dalen.
Hoezeer Matteüs door apocalyptische fantasie geïnspireerd wordt, werd de lezer van het evangelie van Matteüs al eerder duidelijk toen hij een dergelijk fantastisch drama verzon op het moment dat Jezus stierf. Matteüs laat op dat moment ook al weer een aardbeving optreden, rotsen gespleten worden en zelfs een heel legertje doden op het kerkhof weer levend worden.
Maar de nieuwe mythen zijn daaruit zo duidelijk dat het regelrecht het verslag van Marcus tegenspreekt. Indien tot het oorspronkelijke ooggetuigenverslag van de vrouwen behoorde dat ze op deze dramatische manier een engel uit de hemel zagen neerdalen, en dat er een Romeinse wacht bij het graf was en het graf verzegeld was, dan zouden deze dingen door Marcus onmogelijk als details weggelaten zijn en met geheel andere details die ertegenin gaan zijn verteld. Bij Marcus komen de vrouwen te laat aan om de engel te zien neerdalen en een aardbeving op te merken. Marcus laat de vrouwen ook het graf binnengaan. We begrijpen meteen waarom Matteüs dit niet kan toestaan, want dit zou onreinheid opleveren en Matteüs is een jood die heel strikt de wet beklemtoont. Ook moet degene die commentaar levert uiteraard zijn gedachten laten gaan over waarom Matteüs, -die Marcus voor zich heeft liggen-, de door Marcus genoemde reden voor het bezoek aan het graf (de vrouwen wilden het lichaam van Jezus balsemen) doorstreept en enkel opmerkt dat ze naar het graf kwamen kijken. Deze reden is overduidelijk: vanwege de Romeinse wacht en het verzegelde graf kunnen de vrouwen überhaupt geen plan hebben om het lichaam te gaan balsemen, oftewel het verraadt dat het verhaal van de Romeinse wacht een verzinsel is. Op dit punt merken we iets op wat typerend is voor Wright: daar waar de kritiek een niet te pareren punt maakt, kiest hij ervoor zo’n argument helemaal onvermeld te laten, alsof het helemaal niet bestaat. Maar door deze reden weg te laten, is het bezoek van de vrouwen aan het graf nu geheel zinloos. Geen nood, Wright heeft dan wel niet bovenstaand argument van de higher critics ooit gelezen, maar wel het traktaat Semahot, geschreven in de eeuwen na de verwoesting van Jeruzalem, waar joodse rabbi’s rouwvoorschriften geven. Eén zo’n advies wat daar gegeven wordt, is na drie dagen, voor de zekerheid, nog eenmaal vast te stellen dat de overledene echt dood is. Maar uiteraard redt hij zich daar niet mee, want Matteüs heeft niet alleen een wacht voor het graf staan, maar het graf is bovendien nog verzegeld.


Hoezeer het verhaal van Matteüs een verzinsel is, laat ook zijn commentaar zien dat de stoere Romeinse wachters bij het verschijnen van de engel uit de hemel als dood neervallen, maar dat de vrouwen die in Marcus één en al schrik en beving zijn rustig door de engel kunnen worden aangesproken met een ‘wees niet bang’ en een heel lange preek erachteraan. Tenslotte draait Matteüs de laatste zin van Marcus geheel om tot het omgekeerde:


Marcus 16:8: En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd.
Matteüs 28:8: En zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten.


Vervolgens de twee verschijningsverhalen. Op hun terugweg op weg naar de discipelen ontmoeten de vrouwen Jezus zelf! Hij begroet ze, waarna de vrouwen Hem meteen aan zijn voeten aanbidden. Jezus spreekt ze aan met exact dezelfde woorden die de engel al had gegeven! Oftewel de hele verschijning van de engel was nutteloos, want Jezus was bij Matteüs ook al het graf uitgekomen terwijl de steen er nog voor gerold was (blijkbaar als een X-files fenomeen).
De discipelen gaan braaf naar Galilea, naar een berg waar Jezus hen na zijn opstanding zou ontmoeten, zoals hij gezegd had (terwijl het in geen enkel evangelie wordt vermeld dat Jezus zoiets zegt) en daar ontmoeten ze Hem. Jezus’ laatste woorden zijn: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.“ Het is duidelijk dat Jezus onmogelijk deze woorden gezegd kan hebben aangezien deze doopformule en de wereldzending pas door de latere kerk is uitgevonden. Het boek Handelingen laat weten dat de vroegste christen enkel in de naam van Jezus gedoopt werden (Hand. 2:38).
Maar nog significanter is dat Matteüs wél met verhalen van een letterlijke verschijning van de opgestane Jezus komt, maar hem niet met een hemelvaartsverhaal definitief laat verdwijnen van het toneel! Dit impliceert automatisch dat men toch ook hier weer de indruk krijgt dat er geen sprake is van een letterlijke lichamelijke opstanding, maar de lezer eerder moet denken aan een soort geestelijke opstanding en visioenen, net zoals de moderne gelovige een ‘relatie’ heeft met een denkbeeldige levende Jezus en sommigen nog steeds visioenen over hem krijgen.


Wright houdt zich eerst bezig met het onwaarschijnlijke verslag van Matteüs van het moment waarop Jezus sterft. Zelfs de meest fundamentalistische uitleggers van de bijbel staan hier voor een bijkans onoverkomelijke taak. Vrijwel allen (zelfs Craig) doen wat dit punt betreft water in hun wijn en geven toe dat men dit niet letterlijk kan geloven. In één wonderbaarlijke opstanding kan de gelovige met veel pijn en moeite misschien nog net geloven, maar een gelokaliseerde aardbeving en grootschalige opstanding van een heel kerkhof van allang overledenen rekt de goedgelovigheid van zelfs de vroomsten tot het uiterste. Matteüs heeft het zelfs klaargespeeld de dramatiek zo absurd mogelijk te verwoorden: “...de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen.” (Mt. 27: 51-53). Dus de opwekking van deze mensen vond plaats op Goede Vrijdag, maar ze kwamen pas uit hun graf na de opwekking op paaszondag en verschenen toen pas aan mensen in Jeruzalem? Wat deden ze dan in tussentijd? En leefden ze nog lang of gingen ze weer terug naar hun graf? En gingen ze weer opnieuw dood of hadden ze ook ‘transfysikale’ lichamen en stegen ze ook na een tijdje op naar de hemel? Wel, wat absurditeiten betreft is het per definitie nutteloos om er verder naar te vragen. Wright heeft als commentaar: “Ik denk niet dat we zekere antwoorden op vele van deze vragen kunnen vinden. Dat kan natuurlijk betekenen dat we de verkeerde vragen stellen.” Wel, dat is bijna zoveel als zeggen dat deze zaken niet historisch zijn, maar net de benodigde moed om geheel eerlijk te zijn te missen. Wright vervolgt met te stellen dat de tekst wellicht zinspeelt op passages in het OT, Ezechiël 37, waar dode botten van Israël nieuw leven worden geschonken, Jesaja 26:19 waar voorspeld wordt ‘Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan’ en Daniël 12:2 dat laat horen dat ‘velen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken’. Hij kiest ervoor dat Matteüs deze schriftplaatsen goed kent en “de lezer een gevoel wil geven dat het hier om de werkelijke terugkeer uit ballingschap gaat, de geboorte van een nieuw tijdperk”. Met een enorm woordgegoochel lukt het Wright net niet toe te hoeven geven dat Matteüs eenvoudig onhistorische zaken vertelt, gebeurtenissen die echt niet waar kunnen zijn, die Matteüs verzint om genoemde OT passages uit te laten komen, iets wat tenslotte zijn specialiteit is. Wright blijft volhouden dat Mattheüs weet heeft van een overlevering van vreemde gebeurtenissen ten tijde van de kruisiging, “and he is struggling to tell it” (en het kost hem grote moeite om het te vertellen) (635).


Het verslag van de Romeinse wacht beschouwt Wright als zeer geloofwaardig. Dat de hogepriesters en Farizeeën samenwerken en gezamenlijk naar Pilatus gaan op de sabbat is geen probleem voor Wright. Dat het vreemd is dat de wacht er niet al de vorige avond werd neergezet, is ook al geen punt van overdenking waard. Dat de Romeinse wachters bij het verschijnen van de engel ‘werden als doden’ maar de vrouwen niet, vindt hij niet te moeite waard om het over te hebben. Dat de Romeinse soldaten in plaats van heel vroom en christen te worden na deze aardbeving en engelenverschijning doodleuk meteen naar de Farizeeën en hogepriesters gaan om te berichten dat hun plan in duigen viel, en met een beetje geld om te kopen zijn om leugens te verspreiden, is ook al geen zaak waar Wright aandacht aan besteedt. Dat de leugen die ze van plan zijn te verspreiden nogal komisch is (“Wij zijn in slaap gevallen en toen hebben de discipelen het lijk gestolen!” “O ja? En hoe weten jullie dat dan als jullie sliepen?”) komt ook niet bij Wright op. Dat de priesters en Farizeeën beloven het wel met Pilatus te regelen dat ze hun plicht verzaakten, is ook al geen gedachte waard. Wrights commentaar op het hele verhaal is “It makes good sense all round” (637).


Wanneer we dit alles overdenken, is het belangrijkste punt niet dat Wrights conclusie niet klopt, vanwege dat alle evangelieverhalen in details zo sterk van elkaar verschillen (iets wat de vrome gelovigen altijd uitleggen als een argument ten gunste van het waar gebeurd zijn), maar dat we tegenwoordig zo sterk zien dat tenminste de synoptische evangeliën afhankelijk zijn van elkaar. Dit theologische onderzoek is fascinerend om te volgen. Men kan tegenwoordig nalopen hoe de verhalen literaire constructies zijn op basis van theologisch gemotiveerde overwegingen. Juist dit gegeven doet ze door de mand vallen als historisch niet serieus te nemen verslagen. En dit gegeven geheel te negeren, maakt Wright tot een pseudo-scholar die niet in een echt gesprek met andere scholars is, maar geen ander oogmerk heeft dan te fungeren als propagandist voor het orthodoxe geloof.


In de bibliografie op het eind van het boek ontbreekt de parel van Randel Helms Gospel Fictions (1988). Helms legt op overtuigende wijze uit op welke manier de evangeliën literaire constructies zijn.
Het einde van Marcus was niet bevredigend. Volgens Helms geloofde Matteüs (en de joodse christengemeente waarvoor hij schreef) vast dat hij via bestudering van het Oude Testament het evangelie van Marcus en de theologie erin kon corrigeren. Aangezien het leven van Jezus gebeurde ‘volgens de schriften’ waren de vroege christenen onophoudelijk bezig om in het Oude Testament steeds meer over hem te lezen. Ze deden niet aan ooggetuigenverslagen of historisch onderzoek, maar vonden gedetailleerde geschiedenis in de passages van de heilige joodse schrift. Het Oude Testament werd gelezen alsof het een orakelboek was dat over Jezus vertelde. Matteüs was gespecialiseerd hierin. Wat het opstandingsverhaal betreft kon Matteüs Marcus verbeteren en aanvullen aangezien hij begreep dat de gebeurtenissen omtrent Jezus al een voorafschaduwing hadden gehad in het boek Daniël, namelijk in het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil (hoofdstuk 6). Matteüs las en gebruikte de versie van de Griekse vertaling ervan. Via dat verhaal dacht hij een hoop details in te kunnen vullen die Marcus niet vermeld had. Matteüs negeerde de geschiedkundige boodschap van het verhaal in Daniël, maar behandelde de tekst alsof het een geheime profetische boodschap was die over Jezus vertelde. Dit werd ongetwijfeld al door de vroegste christenen zo gezien, aangezien zelfs het verhaal van Marcus al gestructureerd is volgens het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil. Hier de overeenkomsten: in beide verhalen een leider van een volk die tegen zijn wil ingaat tegen een woordvoerder voor God (Darius/Josef van Arimatea), maar die in het geheim de woordvoerder van God bewondert (Daniël/Jezus). Hoewel het hun pijn doet, worden ze ertoe verplicht om de goddelijke woordvoerder aan zijn einde te brengen en in een kuil te plaatsen met een steen erop. In beide verhalen wordt beklemtoond dat de wereldlijke macht met tegenzin de wet uitvoert (Darius/Pilatus). Beide slachtoffers worden laat in de namiddag in de kuil/grafkamer geplaatst. In beide verhalen wordt gezegd dat degene die de steen plaatste hoop had op redding van godswege. In beide verhalen komen personen die diep om het slachtoffer geven bij het aanbreken van de morgen kijken. In beide verhalen wordt de steen weggehaald en de dood op wonderbaarlijke wijze overwonnen. In beide verhalen is sprake van assistentie van een engel. Via het zorgvuldig lezen van details in het verhaal van Daniël kon Matteüs het opstandingsverhaal aanvullen en gebreken aan het verslag van Marcus verbeteren. Ieder detail van Matteüs dat afwijkt van Marcus is bedoeld als een verbetering. Marcus maakte het bijvoorbeeld niet duidelijk genoeg dat de vrouwen een engel zagen (Marcus heeft het over “een jongeman in een wit gewaad”). Matteüs verbetert het in “een engel des Heren”. Hij vindt zijn beschrijving van de engel in Daniël 7:9: “kleren wit als sneeuw”, en in Daniël 10:6: “hij lichtte als een bliksem”. In Marcus zegt de engel: “Verwondert u niet”, maar Matteüs weet dat engelen altijd “Vreest niet” moeten zeggen (Dan. 10:12). En het einde van Marcus kan niet correct zijn, want toen Darius hoorde dat Daniël leefde was de koning juist heel blij. Zodoende kan Matteüs de reactie van de vrouwen veranderen in “ontzet en opgetogen”. In Marcus is de steen al weggerold en de engel al neergedaald en in het graf wanneer de vrouwen bij het graf aankomen. Waarom verandert Matteüs het verhaal op die manier dat de vrouwen arriveren op het moment dat de engel neerdaalt en ze de steen weggerold zien worden? De reden moet zijn dat Matteüs een andere theologische opvatting had dan Marcus. Blijkbaar geloofde Marcus dat de opgewekte Jezus een levend geworden lijk was dat uit het graf wandelde. Vandaar dat de steen moest worden weggerold. Maar Matteüs heeft eenzelfde opvatting als Paulus: Jezus had een ‘geestelijk lichaam’ (wat ik een ‘spooklichaam’ noemde). Hij laat Jezus namelijk al het graf uitkomen voordat de steen is weggerold door de engel! Vervolgens moet Matteüs het probleem uit de weg ruimen wat ontstaan is nadat Marcus zijn verhaal schreef. Wat voor Marcus het enige bewijs was (de steen weggerold, het graf leeg), werd al gauw een sterk bewijs tégen de opstanding. Men kreeg uiteraard steeds te horen: ‘Zijn lijk zal dan wel gestolen zijn’. Matteüs schrapt eerst de reden waarom de vrouwen bij het graf komen, maar kan er niets anders voor in de plaats bedenken dan dat ze naar het graf kwamen kijken. Hij schrapt ook de zin dat de vrouwen onder elkaar erover praten hoe ze de grafsteen ervoor weggerold kunnen krijgen. Hij doet deze dingen omdat hij tevoren op het eind van hoofdstuk 27 een verhaal neerzet dat er een Romeinse wacht bij het graf wordt geplaatst. De vrouwen kúnnen dus nu geen intentie hebben om het lichaam te gaan balsemen. Dat die Romeinse wacht er geweest is, maakt hij op uit het feit dat Daniël 6:17 laat weten dat de leeuwenkuil van Daniël verzegeld was. Dus Jezus graf moet ook verzegeld geweest zijn (Mt. 27:66). Maar nu hij er een Romeinse wacht bij heeft gekregen, moet hij ook weer van ze af komen. Hij vond de oplossing weer in Daniël. Waar gesproken werd over het gelaat dat lichtte als een bliksem staat ook de juiste reactie: de mannen om Daniël heen werden bevangen door een grote angst, zodat zij wegvluchtten en zich verborgen. De reactie van Daniël zelf was dat hij lijkbleek werd en niet in staat was nog iets te doen en bij het horen van de stem van de engel verloor hij het bewustzijn en viel hij voorover op de grond. Even later deed de engel hem al bevend wat opkrabbelen. Het is dus gemakkelijk voor Matteüs om te schrijven: “De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer”, terwijl de engel met de vrouwen wel een praatje kan hebben.
Maar nu Matteüs de steen op dit moment pas laat weghalen en er geen tot leven gekomen lijk uit wandelt moet hij het nieuwe probleem oplossen dat er geen enkel bewijs meer is voor een opstanding van Jezus. Hij verzint daarom twee verschijningen van de opgewekte Jezus, één aan de vrouwen bij het graf, en één aan de discipelen in Galilea. De laatste moet er geweest zijn want dat gaf Marcus al aan. De eerste is minder duidelijk. Waarschijnlijk heeft Matteüs gedacht dat “de jongeman” in Marcus heel misschien ook wel de opgestane Jezus heeft kunnen zijn. Who knows for sure? Hij heeft de persoon voor de zekerheid gesplitst in tweeën: een engel die uit de hemel komt en een opgestane Jezus. Beiden verschijnen ze aan de vrouwen en steken hetzelfde verhaal af. Wanneer Jezus aan de vrouwen verschijnt, weet Matteüs hoe ze gereageerd moeten hebben. Daniël viel voorover op de grond, dus de vrouwen “grepen zijn voeten vast”. Het “en bewezen hem eer” is een lievelingsthema van Matteüs. In de recapitulatie van dezelfde woorden die de engel had gesproken, vindt Matteüs in Psalm 22 nog een aanvullende frase. Het ‘en vertel zijn discipelen’ kan niet gezegd worden door Jezus, maar kan hij mooi veranderen in “Ga mijn broeders vertellen”, de frase “aan mijn broeders” komt uit Psalm 22:22.
Het tweede verschijningsverhaal is alweer een pastiche van passages uit Daniël. Wanneer de discipelen hem zien, reageren ze weer met Matteüs’ lievelingsbezigheid: “ze bewezen hem eer”. Jezus’ woorden “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde” zijn een combinatie van twee Griekse vertalingen (de Septuaginta en de Theodotion) van Daniël 7:14. Het “maak alle volken tot mijn leerlingen” heeft Matteüs uit Daniël 7:28: “Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en alle machten zullen hem dienen en gehoorzamen.” De trinitarische doopformule erachteraan is een latere interpolatie, hetgeen nog eens onderstreept hoe vrij de vroege christenen zich beschouwden om zo nodig veranderingen in de tekst aan te brengen: zoals Matteüs Marcus had kunnen verbeteren, zo werd op zijn beurt Matteüs weer verbeterd door latere christenen. Randel Helms besluit deze uitleg met te zeggen dat Matteüs ongetwijfeld oprecht geloofde in de opstanding en dat zijn versie van het gebeuren ‘bijbelgetrouwer’ was dan de versie van Marcus. Wright weet niets van Helms, maar wel zoveel van de bijbel dat hij de link naar enkele parallellen in Daniël wel ziet. Uiteraard trekt hij niet de conclusie eruit dat het opstandingsverhaal geconstrueerd is aan de hand van het oudtestamentische parallelverhaal.


Wright probeert vervolgens nog één punt te scoren. Hij wijst erop dat Matteüs bij de verschijning aan de discipelen de frase “al twijfelden enkelen nog” laat vallen. Dat moet, zo roept hij uit, wel “het sterkste bewijs van authenticiteit zijn”, aangezien het een kras op de plaat is.


We kunnen er volkomen zeker van zijn dat dit vreemde commentaar niet bij iemand opgekomen zou zijn die een verhaal vertelt dat puur fictie is en geloof en zending wil versterken (643).


Robert M. Price in zijn boek “Jesus is Dead” kegelt dit argument resoluut om, want het verraadt juist dat Wright geen enkel idee heeft van wondervertellingen. Het is namelijk een vaststaand element in ieder verslag van een wonderverhaal dat er bij de omstanders eerst een skeptische reactie is en flink getwijfeld wordt. Het is zogezegd een vaste stijlvorm in het genre wondervertellingen om bij de lezer juist het omgekeerde te bewerkstelligen: het laat de lezer zien dat degenen die erin geloven geen simpele fonsen en goedgelovigen waren, maar juist zeer kritisch.




Lucas

Het eerste wat Wright over Lucas opmerkt, is dat hij een meesterverteller is. Zoals zo vaak wordt de vergelijking met een kunstschilder weer gemaakt: “Zijn kundigheid om in beeldende bewoording te vertellen is onovertroffen in het nieuwe testament, en zijn hoofdstuk over de opstanding laat dat volop zien”. Ik hoor nu voor het eerst dat latere fantasievolle christelijke traditie liet weten dat Lucas een schilder was. Indien zo, dan is het des te moeilijker te geloven dat we met een verslaggever van feiten te maken hebben. James Barr heeft er ooit eens op gewezen dat indien de schrijver van Lucas inderdaad dezelfde is als die van Handelingen hij het zijn lezers niet duidelijker had kunnen maken dat het om artistieke vertelling gaat en bepaald niet om feiten, aangezien het einde van Lucas in de grootst mogelijke tegenstrijd staat met het begin van Handelingen. In het evangelie van Lucas gebeuren alle verschijningen van Jezus, plus zijn hemelvaart, op één dag (de opstandingsdag). In Handelingen echter laat Lucas Jezus wel 40 dagen aan zijn volgelingen verschijnen en vaart hij ten hemel op een andere plaats. We raden het al: voor Wright is dit geen probleem. “Voor een eerste eeuwse schrijver waren een heleboel zaken vanzelfsprekend die post-Verlichtings critici soms vergeten. In de antieke oudheid voelde iemand die een verslag deed van wat in werkelijkheid geschiedde (net als een verslaggever vandaag de dag) zich niet verplicht om ieder detail te vermelden. Wanneer Lucas alle verschijningen op één dag laat geschieden in hoofdstuk 24, maar ze in Handelingen 1 uitsmeert over 40 dagen, mogen we niet denken dat we hem nu betrapt hebben op een vergissing” (649). Alsof dit een kwestie van details weglaten zou zijn! En alsof je er per sé eerst een Verlichting voor moet doorgelopen zijn om te beseffen dat je van je verslaggeving geen potje mag maken! Overigens wat het vermelden van details betreft, is juist het tegendeel waar: Lucas is juist zeer geboeid door details. Dat kan men bijvoorbeeld zien aan Lucas 24:10, waar hij als enige evangelist het aantal vrouwen dat kwam kijken bij het graf nog weet aan te vullen met Johanna en ‘nog enkele andere vrouwen’. Hij maakt deze opmerking nadat hij het merendeel van het hele verhaal over de vrouwen al verteld heeft, oftewel hij had deze opsomming eenvoudig weg kunnen laten.


Lucas spreekt op vele manieren zijn eigen bron, -Marcus, dat hij voor zich had liggen-, bewust tegen. Aangezien hij in Handelingen een gestroomlijnd verhaal over het ontstaan van de vroege kerk wil geven laat hij de discipelen uitdrukkelijk in Jeruzalem blijven. De opgestane Jezus neemt zijn volgelingen bij zijn laatste verschijning nog dezelfde dag mee naar Bethanië, een dorpje even buiten Jeruzalem vanwaar hij ten hemel vaart. Om dit te kunnen doen, verdraait Lucas opzettelijk de tekst van Marcus die hij voor zich heeft. Ten eerste maakt hij van ’de jongeman gekleed in het wit’ twee mannen met letterlijk ‘bliksemachtig’ gezicht. Het laatste is alweer uit Daniël, en het eerste wellicht uit Genesis 19:1 waar twee mannen verschijnen (die engelen blijken te zijn), of hij heeft gedacht twee engelen nodig te hebben om een geloofwaardig getuigenis te kunnen geven. Ze wachten de vrouwen niet op in het graf, maar verschijnen plotsklaps wanneer de vrouwen al enige tijd in het lege graf zijn en van streek raken vanwege dat het lichaam van Jezus weg is. Marcus laat de jongeman zeggen "Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen: 'Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.'" Maar Lucas verdraait deze woorden opvallend: "Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: de mensenzoon moest worden overgeleverd en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan."Deze details laten overtuigend zien dat de schrijver van Lucas geen historicus was met grote eerbied voor de bronnen, maar zijn 'feiten' zelf opmaakte, naar gelang het hem uitkwam. Omdat hij Jezus in Jeruzalem ten hemel wil laten varen en de kerk in Jeruzalem gesticht wil laten worden, maar niet onder de verwijzing naar Galilea vandaan kon komen, laat hij Galilea wel staan in zijn tekst, maar maakt er een geheel andere uitspraak van!


Handelingen pakt het gegeven van Jeruzalem op, maar maakt het verhaal veel smeuïger: we krijgen nu te horen dat Jezus eerst wel 40 dagen nog met de leerlingen optrekt en ze een hoop onderricht geeft 'over het Koninkrijk'. Veelzeggend zo'n kolossale claim terwijl Lucas volstrekt niets weet te vermelden over de inhoud van Jezus’ onderricht. Daarna vindt de hemelvaart plaats in Jeruzalem, op de Olijfberg. Blijkbaar had hij tussentijds zijn theologie overdacht en kwam hij op grond van het Oude Testament, wellicht het boek Zacharia, tot de conclusie dat de Olijfberg een betere plaats is om de hemelvaart van Jezus te lanceren. Zo’n kanjer van een tegenstrijdigheid als dit laat Wright volkomen onbesproken, iets wat me op dit punt gekomen niet meer verbaast.
Lucas is de enige evangelist die een probleem heeft dat indien Jezus lichamelijk was opgestaan en in zijn tijd toch niet meer lijfelijk aanwezig is op aarde, hij een hemelvaartverhaal moet verzinnen. Volgens Wright is dit niet waar, maar wordt de hemelvaart van Jezus ook door Paulus en Johannes verondersteld (654,655). Uiteraard ‘veronderstelt’ Paulus dit enkel na uitvoerige uiteenzettingen van Wright, want er valt bij Paulus echt nergens over te lezen (ook in de opsomming die Paulus geeft in 1 Kor. 15 van de verschijningen van Jezus maakt hij geen onderscheid tussen aardse verschijningen van Jezus vóór zijn hemelvaart en de verschijning aan hemzelf in een visioen, hetgeen logischerwijs oplevert dat Paulus niets wist van een hemelvaartverhaal), en uiteraard blijft eenvoudig staan dat Lucas de enige evangelist is met een verslag van de lichamelijke hemelvaart. Hoe overduidelijk spreekt uit dit gegeven dat we met een legende te maken hebben? Welke evangelist zou zo’n ingrijpend gebeuren als de lichamelijke hemelvaart weglaten met de gedachte dat het maar een onbelangrijk detail is?
Op dit punt waar het voor de moderne gelovige die van het oneindige heelal af weet moeilijk wordt de lichamelijkheid van Jezus echt letterlijk te nemen, verwijst Wright weer naar zijn term ’translichamelijk’ (oftewel spooklichaam) om de hemelvaart toch niet te hoeven afgelasten.


Naast het verzonnen verhaal van Jezus’ hemelvaart heeft Lucas nog een hoop andere zaken die enkel in zijn verslag te vinden zijn. Het verhaal van de Emmaüsgangers neemt de meest prominente plaats in. En juist dit verhaal is goed uit te leggen als ontstaan ten behoeve van het latere christelijke gemeenteleven. Het verhaal is van hetzelfde laken een pak als zoveel verhalen over ‘engelen incognito’, verhalen die men zelfs een genre zou kunnen noemen (tot aan de moderne mythe over de verborgen Maitreya die zich af en toe laat zien toe!). Bekend is het verhaal over Asclepius, waar een jong echtpaar teleurgesteld naar huis terugkeert nadat geen genezing is verkregen bij een bezoek aan de tempel te Epidauros. Onderweg ontmoeten ze een vreemdeling, -de goddelijke genezer incognito-, die vraagt naar de reden voor hun droefheid, waarna hij zichzelf bekendmaakt en genezing schenkt en daarna plotseling verdwijnt. Een verhaal dat goed laat zien dat vergelijkbare wonderverhalen als legenden ontstaan (blijkbaar gefabriceerd door vrome gelovigen) en dat zo’n verhaal geenszins de conclusie vereist dat er oorspronkelijk ook maar iets van waar zou moeten zijn en er een ooggetuigenverslag aan de basis van het verhaal ligt.
Er schiet me ook te binnen de urban legend die in de 70-er jaren de ronde deed onder evangelische christenen die in de ban van de eindtijd waren. Waar men van in de ban is, droomt men en ontstaan fantastische verhalen: ik hoorde verscheidene malen het verhaal van 'engelen incognito' die aan de kant van de weg stonden te liften. Eenmaal een lift gekregen zei de persoon tegen de autobestuurder dat Jezus heel spoedig terugkomt en loste hij vervolgens op in het niets. Ik had het indrukwekkender gevonden indien de engel de automobilist was en de hippie-lifter meegenomen had en nadat hij erop gewezen had dat Jezus spoedig komt verdwenen was in het niets, de hippie achterlatend in paniek en verwoed op de rem drukkend, maar die versie was er jammer genoeg niet. Ik hoorde wel een versie dat de liftende engel leek op de koningin.
Een ander soortgelijke hedendaagse parallel uit dezelfde tijd die ik vaak hoorde, is het in evangelische kringen na de zesdaagse oorlog tussen Israël en de arabieren populaire verhaal, dat ik in een Fins boekje zelfs eens in gedrukte vorm tegenkwam, dat de Israëliërs ergens in de woestijn met een paar tanks tegen een enorme overmacht vochten, maar er opeens een enorme colonne hemelse tanks te zien waren die aan hun kant stonden, zo verschrikkelijk van aanblik dat de vijand zonder een schot te lossen in paniek op de vlucht ging. Het verbazende van de Israëlische overwinning werd door gelovigen automatisch als een wonder geïnterpreteerd, en moest daarom door sommige gelovigen ook concreet worden aangekleed als een godswonder.


In dit bijbelse geval van de Emmaüsgangers ontstaat het verhaal uit de praktijk van het geloofsleven van de christenen (de ‘twee discipelen’ krijgen geeneens namen) die weten dat ’Jezus leeft’, wier geloof geheel onafhankelijk is van een verhaal aangaande een leeg graf, en die hun geloof sterken ’uit de schriften’ en het vieren via het avondmaal. Dat de twee discipelen Jezus zelfs na urenlang in zijn gezelschap te zijn geweest niet herkennen moet Wright weer op rekening zetten van de transfysikaliteit van Jezus, m.i. een geforceerde oplossing, aangezien Lucas het zelf oplost door te zeggen dat het niet aan Jezus’ veranderde verschijning lag, maar aan ‘de blik die vertroebeld werd’ en de herkenning later aan ‘ogen die geopend werden’. Oftewel dit gegeven past alweer beter in de zienswijze dat het om een legende gaat: het is een verwijzing naar wat christenen door de eeuwen heen steevast aangegeven hebben als reden voor ongeloof of tot geloof komen. Alweer moet Wright de duidelijke link met het geloofsleven van de christenen erkennen. Hij wijdt er een bladzijde aan, maar komt niet verder dan “Dit wil niet zeggen dat het een streep zet door wat ik hiervoor opgemerkt heb [het waar gebeurd zijn van het verhaal]; maar enkel dat Lucas de unieke gebeurtenis zó beschreef dat men er ook het patroon van toekomstig geestelijk leven in kan horen” (660). Wel, wie zich hiermee tevreden kan stellen, heeft het kinderlijk geloof waar men zalig mee wordt, zoveel is zeker.




Johannes

Het vorige evangelie werd al bewierookt, maar het evangelie van Johannes krijgt de allerhoogste eer toebedeeld. Wrights aanvangswoorden zijn:


De twee paashoofdstukken van Johannes staan met Romeinen 8 en de sleutelpassages in de Korintebrief aan de schitterende top wat betreft het onderwerp de opstanding.


Hij contrasteert de paulinische stijl van logische beargumentering met de manier waarop Johannes de lezer toespreekt. De laatste werkt op de emoties en eindigt met een dramatische oproep. Op de vraag van een leerling hoe het met het lot van een andere leerling zit antwoordt Jezus: “Dat is niet jouw zaak. Maar jij moet mij volgen!” Meer dan de anderen maakt Johannes overduidelijk dat zijn intentie overreding is. Meerdere malen spreekt hij de lezer uitdrukkelijk aan. Hij geeft een mooi verhaal over Thomas de twijfelaar. Die krijgt zijn zin en tastbaar bewijs, maar Johannes laat Jezus meteen erachteraan uitspreken: “Omdat je gezien hebt geloof je, gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven”. Ik herinner me als klein kind in de kerk een preek erover gehoord te hebben. Het maakte veel indruk op me, en als kind was het maar wat gemakkelijk Jezus naar de zin te zijn. Tegenwoordig zie ik het als een onvergeeflijke zonde van de christelijke religie om behoudenis en waar geloof afhankelijk te maken van het vermogen het kritisch denken en skepticisme aan de kant te zetten oftewel de vrucht te laten zijn van armoede van geest.
Johannes schrijft zelfs als laatste woorden nog dat hij alles geschreven heeft opdat de lezer gelooft dat Jezus de messias is (Joh. 20:30). Duidelijker kun je het niet maken om te laten zien dat het evangelie niet geschreven is met als oogmerk een historische betrouwbaar verslag te geven, maar dat het te doen was om religieuze propaganda.


Hoofdstuk 21 wordt door theologen als een later geschreven aanvulling beschouwd, niet behorend tot het origineel. De reden voor het schrijven ervan is de dood van de discipel waarvan het gerucht ging dat Jezus hem beloofd had in leven te blijven totdat hij wederkomt. Dit gerucht moest worden onschadelijk gemaakt. Wright neemt deze gang van zaken aan, maar probeert het probleem dat het laatste hoofdstuk in dat geval pertinent geen ooggetuigenverslag is te omzeilen door zich voor te stellen dat eigenlijk enkel vers 24 (“Het is deze leerling die over dit alles getuigenis aflegt, en het ook heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is".) geschreven zal zijn net na de dood van de ooggetuige, of liever nog terwijl de discipel nog net in leven was maar dichtbij de dood, terwijl vers 25 (“Jezus heeft nog veel meer gedaan: als al zijn daden, een voor een, opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken die dan geschreven moesten worden.”) weer tot de originele woorden van de discipel zou horen (663). Op deze manier kan hij zelfs het laatste hoofdstuk nog tot een ooggetuigenverslag bombarderen. Vreemd genoeg voor een conservatieve bijbelgeleerde laat hij in het midden wie deze ooggetuige was, iets waar een Southern Baptist (lees: aartsconservatieve) reviewer van zijn boek hem voor berispt.


Voor Wright is enkel van belang dat het evangelie een betrouwbaar ooggetuigenverslag is: “De claim is duidelijk: dit is niet enkel een betrouwbare getuige, maar een ooggetuige van dit alles. Zulke beweringen zijn natuurlijk routinematig door de bijbelwetenschap afgewezen. Al het feit dát zo’n claim wordt gemaakt beschouwt men al als verdacht, alsof iemand iets binnen wil smokkelen. Of dit nu wel of niet het geval is, is een onderwerp voor een andere keer”(663). Dus in een boek van bijna 800 bladzijden, kon er voor dit onderwerp geen bladzijde worden uitgetrokken? En hoe komt Wright erbij dat theologen routinematig zo’n uitspraak als verdacht beschouwen? Het auteurschap van Johannes is tot in den treure besproken in de theologie en de redenen om het evangelie als ooggetuigenverslag af te wijzen zijn talrijk.


Dat het evangelie niet door een ooggetuige (oftewel apostel) geschreven is, blijkt in de eerste plaats hieruit dat hij de tegenstanders van Jezus “de joden” noemt! Ook laat het evangelie weten, dat zij die geloofden dat Jezus de Christus was, uit de synagoge gezet werden tijdens het leven van Jezus (zie Joh. 9:22, 12:42, 16:2). Deze zaken verraden niet alleen de late datum van het boek, maar ook dat de schrijver een niet-jood is en buiten Palestina woont. Waarom heeft Wright aangaande dit zwaarwegende argument niets te melden? De schrijver schrijft bovendien vloeiend Grieks en is gekneed in de denkwereld van de Griekse filosofie, zaken die ook moeilijk samengaan met de Galilese visser die ooggetuige was van het optreden van Jezus. Dat het evangelie niet joods is, kan men bovendien opmaken uit de vergoddelijking van Jezus in dit evangelie, iets wat onmogelijk door een jood geschreven kan zijn. Ook staat Johannes in de allergrootste tegenstrijd met de andere bijbelse evangeliën. Het kent bijvoorbeeld geen duiveluitdrijving noch een gehenna waar Jezus mee dreigt.


Het evangelie wordt ook gekenmerkt door ellenlange redevoeringen van Jezus. Zelfs indien iemand een ooggetuige is geweest, is het onmogelijk om 60 jaar later dit soort redevoeringen te reproduceren. Zelfs een half uur na een redevoering kan iemand het merendeel van een redevoering niet herinneren. Men kan de proef op de som nemen door bijvoorbeeld op te schrijven wat men zich herinnert van de indrukwekkende inaugural speech van president Obama (nog maar 10 maanden geleden uitgesproken), of op YouTube de speech te beluisteren en daarna onmiddellijk proberen op papier te stellen wat men zich ervan herinnert. (Overigens kon de hoogintelligente Obama zich bij het afleggen van de eed zelfs een zin die hem voorgezegd werd niet lang genoeg herinneren om die na te zeggen).
Het debat over het auteurschap van Johannes is ingewikkeld. Een interessante beschouwing wordt (alweer) gegeven door Randel Helms, op het eind van dit artikel te lezen.


In Johannes komen we weer zo’n Jezus tegen die niet herkend wordt. Johannes heeft maar weet van één vrouw die het graf bezoekt, Maria Magdalena. Zij is de eerste die een ontmoeting met Jezus heeft, maar herkent hem eerst niet. Ze denkt dat het de tuinier van de hof is. Jezus speelt ook van de domme en vraagt eerst waarom ze huilt en wie ze zoekt. Bijbelgelovers mogen natuurlijk weer geloven dat het weglaten van ‘de andere Maria’ of alle andere vrouwen (die volgens Matteüs en Lucas er ook bij waren) geheel natuurlijk is, en evenzeer mogen ze ‘natuurlijk’ geloven dat Jezus in Johannes een heel ander gesprek heeft met Maria dan in de andere evangeliën.


Nu we al het vierde evangelieverslag lezen stapelen de contradicties zich op en krijgt men sterk het gevoel ‘wat doet het er nog toe’. Johannes laat weten dat Nicodemus op de avond van de begrafenis al voor de balseming zorgde. Dat maakt het verhaal van Marcus dat de vrouwen de morgen ná de sabbatdag naar het graf gingen om het lichaam te balsemen bijzonder vreemd.


Johannes vertelt ook heel precies dat Jezus met de balsem in linnen gewikkeld werd, en dat de linnen doeken in het graf bleven liggen op de morgen dat Jezus opgestaan was. De doek die Jezus’ hoofd omwikkeld had, lag netjes opgerold ergens apart. Wright komt scherp voor de dag door de reden te geven waarom dit vermeld wordt (689): Johannes last ook een verhaal in waar Petrus en ‘de discipel die Jezus liefhad’ bij het graf komen kijken, iets waar de andere evangelisten niets van wisten, en van deze niet bij naam genoemde discipel wordt gezegd dat hij het graf binnengaat en gelooft. Zijn geloof is niet op basis van dat het graf leeg is, maar omdat hij de linnen doeken ziet, die bewijzen dat het lichaam van Jezus niet gestolen is. Volgens Wright liggen de linnen doeken op de grond alsof het lichaam eruit is gekomen zonder de zwachtels zorgvuldig van het lichaam af te winden, alsof het transfysikale lichaam van Jezus (ik zou weer zeggen spooklichaam) er in een nieuwe aflevering van de X-files tussenuit is geglipt. Het doet me afvragen waarom Wright in zijn hele boek zo de klemtoon legt op lichamelijke opstanding, wanneer hij aan de andere kant steeds moet toegeven dat het geen lichaam is in de betekenis die voor ons lichaam betekent. Hij had de opgestane Jezus net zo goed spook kunnen noemen, maar dan zou hij uiteraard een ketter geweest zijn en geen christelijke bestsellerschrijver geworden zijn.


De linnen doeken die achtergebleven zijn, doen je overigens afvragen waar Jezus zijn kleren vandaan haalde voordat hij aan Maria verscheen als tuinier.
Ook in Johannes laat Jezus zien de kunst van het uit het niets verschijnen en in het niets weer verdwijnen machtig te zijn. Maar aan de andere kant is Jezus’ lichaam exact dat wat het was tijdens zijn aardse leven: hij toont de discipelen zijn doorboorde handen en zijde als bewijs dat hij 'de echte' is. Blijkbaar zijn er dus herstellende wonden of littekens zichtbaar op het transfysikale opstandingslichaam, iets waar Wright verder geen aandacht aan schenkt, maar ik over blijf piekeren als iets wat niet klopt. Zoiets hoort tenslotte niet bij het opstandingslichaam waar iedereen van droomt... moet de arme gelovige ook nog de hele eeuwigheid doorbrengen met flaporen en aardbeineuzen, hazenlippen, brandwonden en de littekens van operaties? Krijgt een geamputeerde zijn been of arm weer terug of hoort dat niet bij de deal? Johannes heeft hier uiteraard niet aan gedacht. Hij dacht duidelijk enkel aan bewijsmateriaal om de lichamelijke opstanding van Jezus zo geloofwaardig mogelijk te maken. Thomas die er niet bij was, wil de wonden zien en wordt een week later op zijn wenken bediend.


In hoofdstuk 21 zijn de discipelen nota bene weer gaan vissen in Galilea. Dat zijn nu al drie evangelisten die met Lucas in strijd zijn. Maar daarenboven niet bepaald wat je zou verwachten nadat de discipelen in Matteüs juist de wereldzendingsopdracht hebben ontvangen! Wright legt via cursivering de klemtoon op deze zaak: “Het is van belang voor Johannes dat Pasen echt geschied is.” Het verhaal dat de discipelen allemaal weer gaan vissen in Galilea is natuurlijk een prachtig commentaar op waar hun prioriteiten lagen, maar speurneuzen hebben erop gewezen dat het verhaal bovendien nog een variant is van een oud verhaal dat in de school van Pythagoras al eeuwen de ronde deed en waarin het getal van 153 vissen nog een bijzondere betekenis heeft. Aangezien Wright voor dit soort heidense parallellen geen oog heeft, is het niet verwonderlijk dat we er bij hem niets van horen, maar zo’n parallel wekt sterk de indruk dat het een opgemaakt verhaal is.


Wright legt in een interessante passage zelf uit hoe het originele einde van het Johannesevangelie, hoofdstuk 20, parallel loopt aan, en dus een commentaar is op, het begin, hoofdstuk 1. Dit soort ingenieuze literaire constructies kan echter niet gecombineerd worden met exacte historische verslaggeving. Voor Wright is het keer op keer (zie bijv. het verhaal van de Emmaüsgangers) zowel het één als het ander, maar zoiets lijkt mij onrealistisch.




Het evangelie van Petrus

Apologeten hebben natuurlijk al hun handen vol aan vier evangeliën plus nog het summiere wat Paulus over de opstanding van Jezus te vertellen heeft. Geen enkel evangelie kan met een ander in overeenstemming gebracht worden. Men kan zich dus voorstellen dat de kakofonie ondraaglijk wordt naarmate verloren gegane evangeliën opeens opduiken. In recente tijden zijn er twee naar boven gekomen die mogelijkerwijs uit vroege tijd dateren, het Evangelie van Thomas (dat helemaal geen lijdensgeschiedenis en opstandingsverhaal kent) en (een deel van) het Evangelie van Petrus. Beiden staan nota bene op naam van een apostel, maar beiden zijn door de kerk zelf niet erkend als gezaghebbende geschriften, en dus niet in de bijbel te vinden.


Het evangelie van Petrus is zelfs in de ik-vorm geschreven. Indien de christelijke schrijver dus niet Petrus was, heeft hij wel lef gehad! Het is naar mijn mening opmerkelijk dat in een boek van 738 bladzijden tekst over de opstanding van Jezus, waar maar vijf verslagen van bekend zijn, -vier in de bijbel en het verslag in het Evangelie van Petrus-, Wright enkel vier bladzijden over dit evangelie schrijft! Of beter gezegd: vier bladzijden nodig heeft om het evangelie af te schrijven, want een evangelie dat de bijbel niet heeft gehaald, heeft natuurlijk voor Wright geen enkele andere functie dan dat het zoveel mogelijk aan de kant geschoven moet worden.


Dat valt overigens niet mee. Wright laat horen dat het evangelie misschien al bekend was aan Justinus Martelaar en bisschop Melito van Sardis, hetgeen zou betekenen dat het op z’n laatst in het midden van de tweede eeuw geschreven werd. Hij geeft ook aan dat o.a. Crossan en Koester van mening zijn dat het evangelie een oudere versie gehad moet hebben, Crossan is zelfs van mening te kunnen aangeven wat de latere toevoegingen zijn en wat tot de originele versie behoort, en dateert die originele tekst tot ouder dan Marcus.


Hier is de voor vele lezers minder bekende tekst van de passage uit het evangelie dat betrekking heeft op dit onderwerp. Ik geef hier een zelfgemaakte vertaling uit het Engels:


Maar de schriftgeleerden en Farizeeën en oudsten kwamen bij elkaar, want ze hadden gehoord hoe het volk klaagde en zich op de borst sloeg, zeggende: “Als deze indrukwekkende tekens geschiedden bij zijn sterven moet hij onschuldig geweest zijn!” En de oudsten werden bang en gingen naar Pilatus en vroegen hem: “Geef ons soldaten om zijn graf drie dagen lang te bewaken, zodat zijn discipelen niet zullen komen en zijn lichaam stelen en het volk zal denken dat hij opgestaan is uit de doden, en ons onheil aandoen. En Pilatus gaf ze Petronius de centurion met soldaten om de wacht te houden over het graf. En de oudsten en de schriftgeleerden gingen met ze mee naar het graf. En allen die met de soldaten meekwamen, rolden een grote steen voor de ingang van het graf. Het graf werd verzegeld met zeven zegels. Daarna zetten ze een tent op en hielden de wacht.


Vroeg in de morgen, bij het aanbreken van de sabbat, kwam er een grote menigte uit Jeruzalem en de omgeving om het verzegelde graf te zien. Maar gedurende de nacht voordat de dag des heren aanbrak, terwijl de soldaten op wacht stonden, kwam er een groot geluid uit de hemel en zagen ze de hemelen geopend worden en twee mannen in blinkende verschijning neerdalen en het graf naderbij komen. De steen die voor het graf gezet was, rolde uit zichzelf weg naar opzij, en het graf ging open en beide jongemannen gingen naar binnen.
Toen de soldaten dit zagen, wekten ze de centurion en de oudsten (want die hielden ook de wacht). Terwijl ze deze dingen nog bezig waren te berichten zagen ze drie mannen uit het graf naar buiten komen, twee ervan de derde ondersteunend, en een kruis dat achter hen aan kwam. De hoofden van de twee reikten tot aan de hemel, maar het hoofd van hem die door hen geleid werd reikte tot boven de hemel. En ze hoorden een stem uit de hemelen, zeggende: ‘Heb je gepredikt aan degenen die slapen?’ Het antwoord dat vanaf het kruis gehoord werd was ‘Ja’.


De mannen vergaderden en waren van plan deze dingen te rapporteren aan Pilatus. En terwijl ze nog overlegden werd de hemel opnieuw geopend en daalde een man neer en ging het graf binnen. Toen zij, die met de centurion waren, dit zagen, spoedden ze zich in de nacht naar Pilatus en lieten ze het graf dat ze bewaakten in de steek. Ze vertelden alles wat ze hadden gezien en waren in paniek zeggende: ‘Hij was zeker de Zoon van God!’ Pilatus antwoordde zeggende: ‘Ik heb het bloed van de Zoon van God niet aan mijn handen. Dit was allemaal jullie werk.’ Toen kwamen ze allemaal bijeen en smeekten en verzochten hem de centurion en de soldaten het bevel te geven niets te zeggen van hetgeen zij gezien hadden. ‘Want’, zo zeiden zij, ‘het is beter voor ons om voor God schuldig te zijn aan de grootste zonde dan in de handen van de joden te vallen en gestenigd te worden’. Pilatus gaf daarom de centurion en de soldaten het bevel dat ze niets mochten zeggen.


Vroeg in de ochtend van de sabbat was Maria van Magdala, een discipel van de Heer, bang voor de joden, want ze waren verbolgen van toorn, en ze had daarom bij het graf niet de handelingen uitgevoerd die vrouwen gewoon zijn te doen voor hun naasten die overlijden. Ze nam enkele vriendinnen mee en zij kwamen bij het graf waarin hij neergelegd was. En ze waren bang dat de joden hen zien zouden, en zij zeiden: ‘Hoewel we hem niet konden bewenen op de dag van zijn kruisiging, laten we het nu doen bij zijn graf. Maar wie zal de steen voor ons wegrollen die voor het graf gezet is, zodat we naar binnen kunnen en naast hem kunnen zitten om dat wat gedaan moet worden uit te voeren?’ De steen was inderdaad groot. We zijn bang dat iemand ons zal zien, en indien we de steen niet kunnen wegrollen, laten we deze dingen die we tot zijn nagedachtenis hebben meegenomen voor de ingang neerzetten en wenen en ons op de borst slaan op de terugweg totdat we weer thuis komen.’
En ze gingen en vonden het graf geopend. Ze kwamen nader, keken naar binnen en zagen een jongeman zitten in het midden van het graf. Hij was schoon van gelaat en gekleed in schijnend gewaad. Hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie hier? Wie zoeken jullie? Zoeken jullie niet de gekruisigde? Hij is opgestaan en weggegaan. Indien jullie het niet geloven, kijk hier binnen en bekijk de plaats waar hij lag, want hij is hier niet meer. Want hij is opgestaan en weggegaan naar de plaats waar hij vandaan kwam. Daarna vluchtten de vrouwen in angst weg.


Het was nu de laatste dag van het Ongezuurde Brood en velen waren op weg terug te gaan naar huis omdat het feest op zijn eind liep. Maar wij, de twaalf discipelen van de Heer, bleven wenen en weeklagen, en een ieder die nog steeds treurde vanwege wat geschied was ging op weg naar zijn eigen huis. Maar ik, Simon Petrus, en Andreas, mijn broer, namen onze visnetten en gingen naar de zee. Met ons mee ging Levi, de zoon van Alpheüs, die de Heer... [fragment eindigt]


Wright geeft acht redenen waarom hij het evangelie van Petrus laat dateert (594):


1)-Toegegeven dat alle opstandingsverhalen bijzonder vreemde zaken bevatten, niets is zo vreemd als de voorstelling dat de twee engelen zulke buitengewone afmetingen aannemen en Jezus zelf nog boven hen uitsteekt, gevolgd door een sprekend kruis.


Ik heb lang deze passage overdacht waar ‘hoofden tot aan de hemel en tot in de hemel reikten’ en kan me ook niet voorstellen dat iemand in de antieke oudheid zulke vreemde fabels zou verzinnen. Volgens mij leest men de tekst daarom verkeerd door te denken dat de voeten op de grond bleven staan en de wezens zich dus tot gigantische proporties uitrekten, maar wordt hier eenvoudig verhaald van de tenhemelvaring van de wezens, zoals verderop in het verslag ook door een engel gezegd wordt: “hij is weggegaan naar de plaats waar hij vandaan kwam.”
Maar dat Wright moeite heeft met uitgerekte lichamen is vreemd. Hij heeft net een boek lang 'transfysikaliteit' verdedigd. Waarom zou dit er niet toe kunnen behoren?


Een sprekend kruis blijft een vreemde zaak, maar voor een gelovige zoals Wright die bovendien al getraind is in oudtestamentische sprekende slangen en ezels zou het toch niet vreemder moeten zijn dan een lijk dat opstaat, door dichte deuren en muren naar binnen komt, en ten hemel vaart. Laten we het houden op een kruis met transfysikaliteit.


2)-De canonieke evangeliën zouden wat het opstandingsverhaal betreft minder verwijzen naar het Oude Testament dan het Evangelie van Petrus, dus ‘minder bewerkt’ zijn en daarom eerder.


Het argument ontgaat me aangezien er in bovenstaand fragment aangaande de opstanding geen enkele verwijzing naar het Oude Testament valt te bespeuren, terwijl juist het hele verslag van Matteüs kan worden uitgelegd als gemaakt aan de hand van het OT (zie hierboven).


3)-Het evangelie zou sterk anti-joods zijn en daarom uit later tijd dateren.


Ditzelfde kan echter gezegd worden van het evangelie van Johannes, hetgeen men nog best op het eind van de eerste eeuw kan dateren en hetgeen Wright als geheel betrouwbaar acht.


4)-Het feit dat een hele menigte soldaten en joodse leiders getuige zijn van de opstanding is moeilijk te zien als iets wat werkelijk heeft plaatsgevonden en later volkomen vergeten, terwijl dit gegeven dan heeft plaatsgemaakt voor een versie waar enkel een paar bange vrouwen de eerste getuigen waren van de opstanding.


Maar indien zo, dan moeten we dus concluderen dat de schrijver van het evangelie van Petrus de hele zaak dus maar verzonnen heeft! Maar indien dat mogelijk is in de christelijke gemeenschap, waarom kunnen we dan ook niet hetzelfde denken van bijvoorbeeld Marcus die een verhaal van een graf verzint waar Paulus niets vanaf weet, Matteüs die met het verhaal van de Romeinse wacht komt, of met Lucas die als enige het verhaal van de hemelvaart vertelt, of met Johannes die als enige het verhaal van de ongelovige Thomas verzint? Zo’n belangrijke zaak als de Romeinse wacht, de hemelvaart of Thomas’ uitspraak ‘Mijn Heer en mijn God’ –door slechts één canonieke bron vermeld- kan toch niet door alle andere vergeten zijn of niet de moeite van het vermelden waard zijn beschouwd?


5)-Extra en historisch onmogelijke details zijn toegevoegd aan het verhaal. In het verslag van dit evangelie is het bijvoorbeeld Herodus en niet Pilatus die Jezus ter dood veroordeelt.


Maar in de canonieke evangeliën staan ook historisch onmogelijke zaken, zoals dat Jezus geboren werd tijdens het bewind van Herodes de Grote en op het moment van een volkstelling, die echter plaatsvond een jaar of tien na de dood van Herodes. Of dat Johannes de Doper stierf tijdens het leven van Jezus, terwijl men uit Josephus kan berekenen dat Johannes de Doper pas een jaar of twee, drie ná Jezus stierf.


6)-Het evangelie van Petrus zegt dat de opstanding plaatsvond op ‘de dag des Heren’. Deze uitdrukking komt enkel voor in Openbaring 1:10. “Indien het in een pre-Marcus tekst gestaan zou hebben, zou Marcus deze uitdrukking dan hebben weggelaten?”


Moet dit een argument voorstellen? Het evangelie van Petrus hoeft in eerste instantie helemaal geen prioriteit te krijgen. Het zou een volledig onafhankelijke tekst kunnen zijn uit ongeveer dezelfde tijd als de canonieke verslagen.


7)-Indien alle canonieke evangeliën het Evangelie van Petrus gebruikt zouden hebben, dan laten ze allemaal verscheidene elementen weg: drie mannen die uit het graf tevoorschijn komen, twee die een derde ondersteunen, wijst op een resuscitatie, misschien een redding van een bijna dode Jezus, en niet zozeer op een opstanding uit de dood. En ook een sprekend kruis kent geen parallel.


Maar ieder evangelie heeft zaken die geen parallel kennen met andere evangeliën. En enkel Crossan beweert dat een vroege versie van het Evangelie van Petrus aan de basis voor alle andere evangeliën zou staan. Met ‘laat’ moet bedoeld worden dat het per sé uit de tweede eeuw stamt, of dat het duidelijk later is dan alle canonieke evangeliën, en dat kunnen deze zaken niet betekenen. De stelling blijft overeind staan dat het evangelie nog steeds een volledig onafhankelijke tekst kan zijn stammend uit ongeveer dezelfde tijd als de canonieke verslagen.


8 )-De betekenis van het sprekende kruis is veelzeggend: “Heb je gepredikt aan degenen die slapen?’ Het antwoord dat vanaf het kruis gehoord werd was ‘Ja’.” is volgens Wright een bewijs van ‘theologische interpretatie’ wat niet aangetroffen wordt in de vroege teksten.


Maar dit ‘bewijs’ klopt alleen indien Wright de brief van Petrus als niet-authentiek beschouwt, zoals de bijbelcritici van mening zijn. Uitgerekend in de brief van Petrus wordt gesproken over ‘het preken aan de doden’. 1 Petrus 3:19 laat namelijk weten: “Hij is naar de geesten gegaan die gevangenzaten, om dit alles te verkondigen.”! Hoe zou een bijbelgelover nog een beter bewijs willen wensen voor de stelling dat het Evangelie van Petrus door Petrus geschreven is?


Geen enkel argument van Wright snijdt dus hout. Het evangelie van Petrus is net zo betrouwbaar of –mijn mening- onbetrouwbaar als alle andere evangeliën. Het evangelie van Petrus is trouwens het enige evangelie dat Paulus gelijk geeft: het spreekt over 12 discipelen die aan het wenen en rouwen zijn en dat betekent dat het niets van de verhalen over Judas wist!


Wat betreft het auteurschap van het evangelie kan Wright dus zijn eigen woorden voor de voeten gegooid worden: De claim is duidelijk: dit is niet enkel een betrouwbare getuige, maar een ooggetuige van dit alles. Zo’n bewering wordt natuurlijk routinematig door de bijbelwetenschap afgewezen (Wright wijdt er geen enkel woord aan!). Al het feit dát zo’n claim wordt gemaakt beschouwt hij blijkbaar al als verdacht, alsof iemand iets binnen wil smokkelen.


Wright besluit zijn bespreking met op te merken dat het Evangelie van Petrus geen ketterse (docetische of gnostieke) trekken kent waarom de kerk het zou moeten veroordelen. Het is volgens hem niet in de bijbel gekomen omdat het eenvoudig niet overtuigend overkomt. Maar kan Wright hier echt met zo’n argument aankomen? Het is als zeggen dat in een stripboek met Spiderman, Superman en Batman, de Marsman niet mee mag doen omdat hij niet voldoende geloofwaardig is! En is het eerlijk? Het fragment van Petrus eindigt warempel weer met dat ze gaan vissen! Er is, me dunkt, niets authentieker dan dat gegeven! Of neem deze waterdichte verdediging van het Evangelie van Petrus van Neil Godfrey (Vridar):

Neil Godfrey schreef:the Gospel of Peter has a scene of the Roman guard witnessing Jesus coming out of the tomb with two angels, and they run off to tell others. Criterion of embarrassment persuades me that this would not have been recorded unless it were true, given how damaging it is to the reputation of the disciples who of course should have been the first to see Jesus. And only a post-enlightenment hermeneutic of suspicion would deny that the Gospel of Peter was exactly what it says it is: a first hand account by Peter himself. It was not picked up by the canonical authors simply because it was too well known already to be worth the cost of papyrus to mention. It is nonsense to expect every gospel author to repeat exactly what the others have said already. And the more variant the accounts are the more confidence we can have in their collective eye-witness veracity.
Do you think I could publish?


Wright eindigt zijn beschouwing met een vreemde zin: “Het evangelie van Petrus blijft raadselachtig, maar een raadsel dat niet wezenlijk onze beschouwing van de canonieke evangeliën beïnvloedt”. Het tegendeel is namelijk het geval. Indien Wright het evangelie van Petrus kan afwijzen in zo’n handomdraai, dan kunnen wij mensen dat met alle evangeliën net zo gemakkelijk doen.




De Apologetische Houdgreep

Nu Wright zo ongeveer alles behandeld heeft wat er op aarde aan opstanding van Jezus te koop is, komt hij met de evaluatie, oftewel de apologetische krachttoer het opstandingsgeloof neer te zetten als de meest logische reactie na grondige studie en kennis van zaken. Hij vermeldt eerst dat er natuurlijk mensen zijn zoals de theoloog Lüdemann die eenvoudig stellen “Dode mensen komen niet tot leven, Jezus kwam daarom ook niet tot leven”. Lüdemann beroept zich op de resultaten van de moderne wetenschap, maar Wright lacht dit argument uit het veld door pienter op te merken: “Alsof mensen in de oudheid niet wisten dat doden dood blijven” (685). Maar het punt is nu juist dat mensen in de oudheid dit inderdaad niet zo zeker wisten als wij moderne mensen. Het bewijs ervoor wordt nota bene in het evangelie zelf gegeven:


Koning Herodes hoorde van Jezus, want zijn naam was overal bekend geworden. Sommigen zeiden: ‘Johannes de Doper is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’ Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia,’ en weer anderen zeiden: ‘Hij is een profeet zoals die er vroeger waren.’ Toen Herodes dit allemaal hoorde, zei hij: ‘Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan.’ (Marcus 6:14-16).


En elders:


Herodes, de tetrarch, hoorde wat er allemaal gebeurde en raakte in grote verwarring omdat sommigen zeiden dat Johannes uit de dood was opgestaan, terwijl anderen beweerden dat Elia was verschenen, en weer anderen dat een van de oude profeten was opgestaan. Herodes zei: ‘Johannes heb ik laten onthoofden; wie is dan degene over wie ik dergelijke dingen hoor?’ Hij zocht naar een gelegenheid om hem te ontmoeten. (Lucas 9:7,8).


Enkel deze teksten al laten zien dat we in de evangeliën met een bijzonder bijgelovige tijd/maatschappij geconfronteerd worden, geenszins vergelijkbaar met onze moderne tijd. Ik schreef eerder dat Wright deze passages blijkbaar over het hoofd zag, maar moet nu op het eind van het boek het tegendeel constateren: hij laat ze nota bene wel op drie plaatsen voorbijgaan, alsof ze aan zijn slechte geweten appelleren. Maar iedere keer schrijft hij ze af als van geen consequentie: “Het vreemde verslag in Marcus 6:14-16 lijkt een uitzondering die de regel bevestigt” (689)! En op bladzijde 413: “We moeten, denk ik, niet Herodes en zijn hof zien als de meest accurate indicators van mainstream joods geloof uit de tijd van de tweede tempel. Zelfs al zou het waar zijn dat de Farizeeën en Herodianen met elkaar samenheulden bij verschillende gelegenheden, mogen we er toch wel van uit gaan dat ze niet met elkaar om de tafel gingen zitten om de fijnere punten van proto-rabbijnse theologie te bespreken.” [d.w.z. of er uitzonderingen zouden kunnen zijn op de regel dat de opstanding van iedereen pas plaatsvindt op de ‘dag des Heren’] In een voetnoot na deze zin laat Wright nog weten dat de suggestie van de theoloog Barclay dat hier bewijs is dat dit geloof wijdverbreid was ongegrond is. Dat Wright hier ongelijk heeft laat de parallelle passage van Lucas zien (die Wright op dit punt weglaat), die juist Herodes geen geloof dat Johannes de Doper is opgestaan aanwrijft, maar deze opvatting neerzet als een geloof dat algemeen in de omgeving onderhouden wordt. Het is onvergeeflijk dat Wright probeert te insinueren dat de antieke mens even redelijk was als de tegenwoordige mens. Zelfs voor Wright verlangt de wonderbaarlijke voorstelling van het Evangelie van Petrus te veel van ons om te geloven. Maar terwijl we dit uitspreken moeten we niet vergeten dat er hele kerken waren die totaal niets onoverkomelijks zagen in het verhaal om te geloven. Ook de bisschop Serapion (ca. 200) die het voor hem onbekende evangelie eens ter inzage kreeg te lezen vond er niets te wonderlijk in.
G. A. Wells geeft het juiste commentaar op Wright in zijn boek Cutting Jesus down to size (p. 62):


N.T. Wright, bisschop van Durham, betreurt wat hij noemt "the post-Enlightenment ruthless hermeneutic of suspicion" (p. 19) dat men met betrekking tot de evangeliën aan de dag legt. Maar hebben we een alternatief voor het wantrouwig zijn, wanneer we opmerken dat op vrijwel elke bladzijde van de evangeliën een wonder gebeurt? Jezus is miraculeus geboren, als volwassene bant hij duivels uit, loopt op golven van een uitgestrekt meer, luwt een storm, voedt de massa's, geneest de zieken en wekt de doden op. Al dit soort zaken zijn voor ons bedenkelijk, nog helemaal afgezien van het feit dat er geen andere relevante documenten zijn die ze eventueel zouden kunnen bevestigen.


Wrights argument dat men eerder gedwongen wordt tot geloof dan tot ongeloof laat hij rusten op twee zaken die volgens hem op zichzelf genomen niet voldoende zijn om tot zo’n conclusie te komen, maar bij elkaar opgeteld wél doorslaggevend zijn, genoeg om ons in de houdgreep te leggen:
1) het lege graf en
2) de verschijningen van Jezus (688).


Enkel het eerste zou de tegenwerping opleveren dat het lichaam gestolen is en enkel het tweede dat het om hallucinaties gaat. Maar allebei tezamen zou voldoende conclusief bewijs zijn, iets waar de eerste christenen zich bewust van zouden zijn.


Maar dit is alweer een claim die niet waargemaakt kan worden. Voor Marcus is er enkel een leeg graf en geen verschijningen, en toch schijnt het voor hem genoeg te zijn. Sterker nog, vóór Marcus, oftewel tenminste gedurende 40 jaar na het optreden van Jezus, zijn er geen enkele aanwijzingen dat christenen weet hadden van een leeg graf! Het hele lege graf zou in het uiterste geval zelfs door Marcus verzonnen kunnen zijn (reden waarom hij nog niet gedacht heeft aan de tegenwerping dat het lichaam vast wel gestolen is). En voor Paulus is er helemaal geen historische Jezus en is een visioen al genoeg. Hij heeft geen interesse om de zaak te bevestigen met te hameren op een leeg graf. Ook voor de Emmaüsgangers is er geen leeg graf en is een verschijning van Jezus genoeg. En de brief aan de Korintiërs laat zelfs zien dat er blijkbaar christenen zijn die helemaal niet in de opstanding geloven! (zoals ook het Evangelie van Thomas laat zien). Zoals ik al eerder heb opgemerkt wordt Wright keer op keer door de bijbel zelf in het ongelijk gesteld.


Het is uiteraard sowieso een ongerijmde zaak om de vraag “Wat veroorzaakte het geloof in de opgestane Jezus?” (685) proberen uit te leggen door het te laten stoelen op betrouwbare ooggetuigenverslaggeving. Christenen uit alle eeuwen, vanaf de allereerste christenen tot wie bijvoorbeeld Paulus sprak, zijn nooit tot geloof gekomen vanwege niet te weerleggen geweldig bewijsmateriaal. Paulus bekeerde de Grieken zonder ook maar iets van de historische Jezus af te weten en zonder er ook maar ooit naar te verwijzen! Geloof houdt zich in stand met wat men zich wenst en heeft geen enkele boodschap aan waarheid.


Wrights argumenten om het opstandingsgeloof aan de man te brengen zijn stuk voor stuk ondeugdelijk. Op bladzijde 689 laat hij horen: “Wat zeker is –een punt dat de critici vaak over het hoofd zien- is dat de discipelen de opstanding niet verwachtten”. Maar dan vraag ik Wright hoe groot de karikatuur is die hij van de discipelen wil maken? Want Jezus heeft volgens de evangeliën meerdere malen zijn eigen sterven en opstanding voorspeld (Mk. 9:9). Als het een beetje echte mensen zijn geweest moet dat op z’n minst een sprankje hoop hebben veroorzaakt zelfs op het moment van hun grote teleurstelling.


Nadat Wright zijn ellenlange argumentering weer heeft gemaakt, probeert hij de zaak nog te beklinken vanuit een andere redeneringshoek: bestaan er alternatieve uitleggingen die het ontstaan van het christelijk geloof op een redelijker manier uitleggen, en daarom te prefereren zijn boven de conclusie dat we hier moeten buigen voor het bovennatuurlijke? Uiteraard is zo’n zoektocht te vergelijken met het roeien op een oceaan en proberen ergens aan land te komen, maar Wright pikt er twee alternatieve verklaringen uit die vrij algemeen aangeboden worden, en weet die af te schrijven en op bladzijde 706 als hoogtepunt van zijn retoriek te schrijven:


Het is natuurlijk altijd mogelijk in een discussie aangaande de opstanding dat iemand ooit aankomt met de droom van iedere scepticus: een perfecte uitleg voor het ontstaan van het christendom zonder dat onze oren ervan gaan wapperen. Maar het moet gezegd worden dat ondanks de nogal wanhopige pogingen hiertoe in de afgelopen 200 jaar (om maar niet te zeggen tenminste vanaf Celsus), zo’n perfecte uitleg nooit gegeven is.


Eén van die alternatieven die hij bespreekt, is de opvatting die gedeeld wordt door het gros van de ‘moderne theologen’ van de afgelopen eeuw, waarvoor hij ditmaal Schillebeeckx uitkiest om te fungeren als schietschijf (die in de 70-er jaren een enorme dikke pil schreef over Jezus, vertaald in vele talen). Op dit punt wordt duidelijk waarom Wright in zijn boek van begin tot eind zo gehamerd heeft op het feit dat Christus letterlijk en lichamelijk is opgestaan. Dat dit beredeneerd moest worden, was voor mij zo saai omdat dit tenslotte meteen duidelijk is voor iedere jan-met-de-pet die de bijbelse evangeliën leest. Wright heeft dit echter moeten doen omdat de christelijke intellectuele wereld de afgelopen eeuw overspoeld is door theologen die wél het christelijk geloof volledig ontmaskerd hebben als gespeend van werkelijke feiten, maar het geloof blijven onderhouden als een soort existentiële keus. Het heeft een bedroevend schouwspel opgeleverd, een soort eindeloos uitgerekte euthanasie van het christelijk geloof. Wright is één van de allerlaatste zeemannen die het zinkende schip wanhopig weer zeewaardig willen maken.


Het begrip dat Schillebeeckx heeft van de joodse context, is summier en misleidend. (703)

Het hele bouwwerk van Schillebeeckx is fout en misleidend, niet zozeer wat betreft het niveau van de theologie (dat is een hele andere kwestie), maar op het niveau van historische reconstructie. Het is veelzeggend dat wanneer Schillebeeckx in een notendop opsomt wat volgens hem echt gebeurd is, wellicht in een onbewaakt ogenblik, zijn positie neerkomt op een variant van die van Albert Schweitzer: Jezus was een nobel mens, maar zijn missie liep uit op een catastrofale mislukking. Maar zijn volgelingen werden op een nieuwe manier uitgedaagd via herinneringen aan de manier waarop hij geleefd had en via wat hij gezegd had. Ze bleven geloven dat God altijd het laatste woord heeft, ondanks het ‘historische fiasco’ van Jezus en ‘dit was wat de eerste christenen probeerden uit te drukken met hun geloofsaffirmatie van de opstanding van Jezus’ – een affirmatie ‘die terecht aan kritiek bloot staat’, waarmee Schillebeeckx lijkt te bedoelen dat het uitloopt op een ‘nogal grof en naïef realisme’, het ongelukkige geloof dat het in het paasverhaal om echte feiten zou gaan. Maar zoals we gezien hebben laat de historische studie van vroeg-christelijke opvattingen en hoop geen andere keus dan te moeten concluderen dat dit ongelukkige geloof alles was wat alle vroege christenen onderhielden. Ze spraken zelfs uit dat het in het centrum van hun leven stond. (705)


Als door de wol geverfde evangelicale atheïst sympathiseer ik hier met Wright. Het is mij persoonlijk nooit gelukt om hoogte te krijgen van mensen zoals Schweitzer, Bultmann en Schillebeeckx, die het christelijk geloof zo scherp en zo tot op het bot ontmantelen, om het vervolgens te blijven onderhouden als een soort waardevol existentialisme. Waar geen feiten zijn, kan, zo schijnt het mij toe, niet gesproken worden over een ‘kerygma’ (‘de religieuze boodschap’, de slogan van Bultmann om de kern van het geloof aan te geven) waar men met hand en tand aan vast zou moeten houden of voor zou moeten kiezen, zoals dat ‘God altijd het laatste woord moet hebben’. Zelfs twintig jaar later komt Schillebeeckx nog steeds met dit hoogtepunt van naïviteit. Toevallig kwam ik onlangs een interview met hem tegen dat afgedrukt werd in het dagblad Trouw op 3 april 1993 (Trouw Dossier nr 8, De zaak-Jezus). Hij zegt daarin: "God is een God van liefde. Hij wil dat mensen het goed hebben. En Hij verzekert ons via Christus dat het goede het laatste woord heeft, niet het kwade. Dat is naar mijn idee de diepste boodschap van de Bijbel en voor mij de constante in mijn werk. In deze zin is de Schrift een kompas, ge kunt niet zonder, het is van fundamenteel belang voor het christelijk geloof." En dit zegt iemand die volgens Wright de letterlijke opstanding van Jezus 'grof en naïef realisme' vindt! Dus de bijbelgeleerde is verzekerd van de liefde van God en een goede afloop voor alles op dezelfde manier als we dit ook kunnen zijn na het horen van het Roodkapjesprookje waar Oma en Roodkapje op het eind geheel ongedeerd uit de buik van de kwade wolf komt, ge kunt niet zonder.


Ik kies liever voor het radicaal schoon schip maken, de manier waarop Nietzsche het deed, en heb in mijn leven altijd steeds twee opties gezien: of het christelijk geloof onderhouden op de manier dat Wright het doet, of het christelijk geloof van a tot z achter me laten en aan de moeizame taak beginnen alle waarden in het leven opnieuw te beschouwen en zo nodig te herzien. Daarbij werd het me uiteindelijk duidelijk dat bij schoon schip maken ook het begrip God de deur uit gaat. Mensen met zo’n modern, ongrijpbaar en irrationeel (ze noemen het zelf ‘bovenrationeel’) ‘Kierkegaardgeloof’ zie ik als personen die in de regel van kinds af aan volledig ondergedompeld zijn geweest in het christelijk geloof, het hebben ontmaskerd, maar nooit de moed gehad hebben om in het leven als pure atheïst te gaan staan. De gedachte aan een oneindig heelal om ons heen waar uiteindelijk geen veilige en koesterende vaderhanden omheen liggen, is voor sommige mensen ondraaglijk.


Maar Wrights missie om het opstandingsgeloof aannemelijk en redelijk te maken is in onze moderne tijd, gestoeld op wetenschappelijk denken, een hopeloze strijd. Alle spreken over ‘post-verlichting’ is onzin aangezien de knop die het rationele licht aangedaan heeft nooit meer zal worden omgedraaid. Er was een mensheid van vóór de Verlichting en een mensheid van na de Verlichting. Elke laatdunkende uithaal naar ‘rationalisme’ en ‘de Verlichtingscritici’ die hij doet, komt op mij als lachwekkend over, want juist het feit dat hij in zijn boek het christelijk geloof redelijk wil maken laat zien dat Wright zelf een kind van rationalisme en de Verlichting is. Er is namelijk volstrekt niets in het christelijk geloof dat iets met redelijkheid te maken heeft. De ware gelovige heeft geen boodschap aan redelijkheid, rationalisme en logica, maar houdt zich daar juist verre van. Ik heb dan ook geen enkele behoefte om het ontstaan van het christelijk geloof op een redelijke manier uit te leggen, aangezien geloof überhaupt niet op de rede gestoeld is, maar per definitie op de existentiële benauwdheid van de mens. Geloof neemt daarom welke ingrediënten dan ook aan die het toevallig voor de neus geschoven wordt. Het feit dat in deze wereld duizenden goden onderhouden zijn en duizenden geloven uitgevonden zijn, en ook op zijn tijd weer aan de kant gegooid zijn, laat eenvoudig zien dat welke reden dan ook die men aanvoert voor het ontstaan van een religie wel geldig kan zijn. Ik houd het erop dat de ultieme reden voor religie is de geestelijke onvolgroeidheid van de mens.


Ligt Wright ook maar één nacht te peinzen of de moslimopenbaring serieus genomen moet worden? En kan hij zomaar kort door de bocht geloven dat er aan het mormonengeloof dat miljoenen aanhangers heeft enkel een hoax ten grondslag ligt? Wel, dan kan ik het christelijk geloof op dezelfde manier van me afschudden, of, alsof ik een transfysikaal lichaam heb, zonder moeite uit de houdgreep van Wright wegglippen. Kan Wright redelijk verklaren dat mannen in de religie van Attis hun penis eraf sneden als teken van toegewijd zijn aan de godheid? Dat mensen hun kinderen offerden aan goden? Of in de religie van Mohammed vliegtuigen rammen in wolkenkrabbers of zeldzame en unieke beelden die voor andere mensen heilig zijn met dynamiet opblazen? Ik kan al niet eens begrijpen dat een vrouw ingepakt moet worden zodat je er niets meer van kan zien, of een mannelijke voorhuid iets met God te maken zou hebben. Het is interessant, dat wel, om al die menselijke kronkels en ziekten in het denken langs te gaan. Het fascineert me dat ik er nu niet meer midden in zit, maar nu als een marsman het religieuze gemoed kan bekijken. Maar begrijpen doe ik het niet. Hoewel ik tot mijn 45ste één van hen was, begrijp ik zelfs mezelf niet. Wat ik wel begrijp, is dat wij als mensheid nog een lange weg voor de boeg hebben om geestelijk volwassen te worden.



Albert Vollbehr, oktober 2009